Oefenvragen in tentamenstijl
Gebaseerd op de colleges, slides, jouw samenvatting en het oefententamen
Structuur: 3 oefententamens. Elk oefententamen volgt de verwachte opbouw: 5 open vragen en 1 essayvraag waarbij je kiest
uit 2 opties. De antwoorden staan helemaal achteraan, vanaf het antwoordmodel.
Tentamenstijl en timing
Onderdeel Aantal Richttijd Omvang
Open vragen 5 ongeveer 20 min per vraag max. 1 pagina per vraag
Essay 1 kiezen uit 2 ongeveer 60 min max. 2 pagina’s
gebruik Engelse termen waar
Taal Nederlands of Engels -
nodig
Tip: oefen actief. Schrijf eerst je antwoord zonder antwoordmodel. Kijk daarna pas na en vul ontbrekende kernbegrippen aan.
KNP oefenvragen - 1
, Oefententamen A
Beantwoord alle 5 open vragen. Vraag 5 bestaat uit twee korte onderdelen. Kies bij de essaysectie 1 van de 2 opties.
Sectie 1 - Open vragen
Vraag 1. Neuroanatomie, scans en klinische interpretatie (15 punten)
Leg het verschil uit tussen structurele en functionele neuroimaging. Noem minstens drie structurele en drie functionele technieken en
geef per techniek kort aan wat deze vooral meet of laat zien. Bespreek daarna waarom neuroimaging neuropsychologisch onderzoek
kan ondersteunen, maar meestal niet kan vervangen. Gebruik dementie of TBI als concreet voorbeeld.
Vraag 2. Dementie (15 punten)
Dementie is een parapluterm voor verschillende neurodegeneratieve aandoeningen. Leg uit wat neurodegeneratief betekent. Beschrijf
vervolgens de vier hoofdtypen dementie en geef per type het typische cognitieve profiel, enkele gedrags-/emotionele kenmerken en
een diagnostische hint.
Vraag 3. Stroke/CVA (15 punten)
Beschrijf de Oxford/Bamford Classification van stroke. Bespreek daarna per belangrijk vaatgebied of infarcttype de belangrijkste
neurologische en neuropsychologische symptomen: MCA, ACA, PCA, lacunair infarct en posterior circulation stroke.
Vraag 4. Plasticiteit en ontwikkeling (15 punten)
Leg uit wat breinplasticiteit is en onderscheid functionele en structurele plasticiteit. Bespreek vervolgens waarom plasticiteit bij
langzaam groeiende hersentumoren anders kan uitpakken dan bij een acuut infarct. Gebruik in je antwoord begrippen als
compensatie, reorganisatie, laesiesnelheid en netwerkverstoring.
Vraag 5A. Other disorders: TBI (7,5 punten)
Beschrijf het verschil tussen open/penetrating en closed head injury. Leg ook uit wat concussion, contusion, coup-contrecoup en
diffuse axonal injury zijn. Welke cognitieve en emotionele klachten verwacht je vaak na TBI?
Vraag 5B. Other disorders: Parkinson/DBS (7,5 punten)
Parkinson is meer dan een motorische aandoening. Beschrijf de belangrijkste motorische symptomen, non-motor symptomen en het
typische cognitieve profiel. Leg ook kort uit waarom DBS niet voor iedere patiënt geschikt is.
Sectie 2 - Essayvraag
Kies 1 van de 2 essayopties. Schrijf een lopend verhaal met introductie, kern en conclusie.
Vraag E1. Essayoptie 1 (25 punten)
Premorbide functioneren en comorbiditeit zijn cruciaal bij de diagnostiek en behandeling van neurologische patiënten. Leg uit
waarom. Gebruik minstens drie verschillende patiëntgroepen uit de cursus als voorbeeld en bespreek hoe je premorbide functioneren
en comorbiditeit zou beoordelen.
Vraag E2. Essayoptie 2 (25 punten)
Depressie komt vaak voor bij neurologische aandoeningen. Bespreek waarom depressie kan ontstaan bij neurologische schade, hoe je
depressie diagnostisch zou beoordelen en waarom behandeling belangrijk is. Werk je antwoord uit aan de hand van stroke, Parkinson
of MS.
KNP oefenvragen - 2