1
Literatuursamenvatting psychopathologie
Hoorcollege 1 – Introductie
Hoofdstuk 2 – Invloeden op de ontwikkeling van problemen
De ontwikkeling van psychische problemen bij kinderen en jongeren wordt beïnvloedt door
persoonlijke en omgevingsfactoren. Binnen deze factoren kan er onderscheid gemaakt worden
tussen predisponerende factoren (factoren die je vatbaar maken voor psychologische problemen;
risicofactoren), uitlokkende factoren (factoren die psychologische problemen veroorzaken),
instandhoudende factoren en beschermende factoren (die verdere achteruitgang voorkomen).
Persoonlijke risicofactoren:
Persoonlijke risicofactoren – genetische factoren kunnen de ontwikkeling van psychologische
stoornissen beïnvloeden door bredere psychologische kenmerken zoals temperament,
hoewel uitzonderingen bestaan zoals bij sommige genetisch bepaalde stoornissen (bijv.
syndroom van Down)
Prenatale complicaties – factoren als bloedgroep, ondervoeding, roken, gebruik van alcohol
en/of drugs en de leeftijd van de moeder. Dit kan de baarmoederomgeving beïnvloeden en
leiden tot bijvoorbeeld het foetaal alcoholsyndroom, wat kan resulteren in microcefalie,
intellectuele achterstand en craniofaciale afwijkingen.
Perinatale complicaties – bijvoorbeeld zuurstofgebrek (anoxie) of hersenbeschadiging door
een moeilijke geboorte kunnen cognitieve problemen veroorzaken.
Fysieke beschadigingen – aan bijvoorbeeld het hoofd kunnen leiden tot cognitieve
achterstanden, gedragsproblemen en weinig inhibitie. Chronische ziektes (astma, diabetes,
kanker) kunnen leiden tot stress en kan psychische gevolgen hebben
Temperament en persoonlijkheidskenmerken – verschillende soorten temperament kunnen
kinderen vatbaarder maken voor psychologische problemen, afhankelijk van de sociale
context
Indeling Thomas en Chess
o Moeilijk temperament – ongeveer 10%; hebben moeite met routines, vermijden
nieuwe situaties en reageren negatief op veranderingen. Geeft hen meer risico op
psychologische problemen.
o Makkelijk temperament – Ongeveer 40%; passen zich gemakkelijk aan nieuwe
situaties aan en hebben en positieve reactie op verandering (beschermende factor)
o Slow to warm up – Ongeveer 15%; reageren langzaam op nieuwe situaties en
ontwikkelen routines in hun eigen tempo
Indeling Kagan
o Teruggetrokken karakter (inhibited) – zijn verlegen en rustig in nieuwe situaties.
Deze kinderen hebben meer kans op het ontwikkelen van angst- en
stemmingsstoornissen.
o Niet-teruggetrokken karakter (uninhibited) – zijn open en vrolijk en gaan nieuwe
situaties tegemoet.
Cognitieve vaardigheden, geloof in eigenwaarde en persoonlijke controle – deze
karakteristieken kunnen een kind gevoelig maken voor het ontwikkelen van psychologische
problemen. Laag IQ – ontwikkeling gedragsstoornis; lage zelfwaarde – emotionele
problemen; eetproblemen en controle – psychologische problemen
, 2
Persoonlijke instandhoudende factoren:
Biologische factoren – bijvoorbeeld fysiologische aandacht, verstoorde
neurotransmittersystemen en andere biologische problemen hebben invloed op het
voortduren van psychologische problemen.
Zelfregulatie van gevoelens – wanneer kinderen sociaal of academisch niet goed presteren,
kan dit leiden tot aangeleerde hulpeloosheid. Ontstaat doordat kinderen denken dat ze nooit
succesvol zullen zijn, hoe hard ze ook proberen
Coping strategieën helpen mensen omgaan met situaties waarin de eisen van een stressvolle
situatie niet in balans zijn met de beschikbare middelen om deze aan te pakken:
o Emotie-gefocuste coping – geschikt voor situaties die gepaard gaan met
oncontroleerbare stress, waarbij de focus ligt op het beheersen van de emoties die
de situatie oproepen
o Probleem-gefocuste coping – richt zich op het aanpakken van de oorzaak van de
stress zelf
o Vermijdende coping – iemand probeert de stressvolle situaties te vermijden
Er bestaan functionele copingsstrategieën die goed helpen om stress te beheersen en op een
gezonde manier aan te pakken. Ook bestaan er disfunctionele copingsstrategieën, die op
korte termijn verlichting bieden maar op lange termijn vaak meer problemen veroorzaken
Verdedigingsmechanismen – dit zijn onbewuste strategieën die mensen gebruiken om angst
te verminderen wanneer ze met een conflict worden geconfronteerd. Minder adaptieve
verdedigingsmechanismen hebben een groter potentieel om psychische problemen in stand
te houden dan meer volwassen afweermechanismen:
o Hoog adaptieve verdedigingsmechanismen – omvatten anticipatie, affiliatie,
altruïsme, humor, zelfassertie, zelfobservatie en sublimatie
o Compromisvorming (mentale inhibitie) – omvat verplaatsing, dissociatie,
intellectualisering en isolatie van affect
o Grote beeldverstoring – autistische fantasie, projectieve identificatie en splitsing van
het zelfbeeld of het beeld van anderen
o Actieniveau – gedragingen zoals acting out, apathische terugtrekking, hulp-afwijzend
gedrag en passieve agressie
Contextuele risicofactoren
De relatie tussen ouder en kind in de vroege levensjaren – de mate van wederzijdse verbondenheid,
intellectuele stimulatie, controle en warmte beïnvloeden de psychologische ontwikkeling van een
kind
Hechting – hechtingspatronen kunnen worden geanalyseerd aan de hand van (1) angst en
zelfbeeld; (2) vermijding en het beeld van de ander
o Veilige hechting – het kind en de ouder zijn beiden autonoom. Er is sprake van een
responsief ouderschap en een adaptieve gezinsstructuur
o Angstig-ambivalente hechting – het kind vertoont boosheid en aanhankelijkheid,
terwijl de ouder moeilijk bereikbaar is
o Vermijdende hechting – het kind vermijdt de ouder die afstandelijk is
o Gedesoriënteerde hechting – het kind vertoont afwisselend vermijdend en
aanhankelijk gedrag, waarbij het ouderschap als mishandeld of afwezig wordt
ervaren.
, 3
Opvoedstijlen
Contextuele instandhoudende factoren
Familie-systeemfactoren
o Niet passende/consequente bekrachtiging –
kinderen leren gedrag aan door straffen
en/of beloningen, maar wanneer dit
inconsistent of verkeerd gebeurd, kunnen ze
in de war raken en/of ontstaat er een
onveilige hechting
o Coërcieve interactie – kinderen met
gedragsproblemen raken betrokken in
patronen van negatieve wederzijdse
interactie met ouders. Het kind reageert
steeds agressiever en de ouder trekt zich
steeds vaker terug, waardoor het agressieve gedrag van het kind wordt versterkt.
o Overbetrokkenheid en ouderlijke kritiek veroorzaken expressed emotion, wat wordt
geassocieerd met schizofrenie en de ontwikkeling van andere psychologische
stoornissen. Te weinig betrokkenheid kan leiden tot een achterstand in taal en/of
cognitieve ontwikkeling, dat weer kan leiden tot gedragsproblemen
o Inconsistente discipline – ouders reageren niet adequaat op regel overtredend
gedrag, waardoor het kind verkeerde gedragingen kan internaliseren. Er kunnen ook
verwarrende communicatiepatronen ontstaan wanneer ouder en kind elkaar niet
goed begrijpen. Triangulatie is een driepersoons interactie waarbij het kind tussen
conflicterende ouders in komt te staan
Overt triangulatie – ouders hebben openlijk kritiek op elkaar en vragen het
kind een kant te kiezen.
Covert triangulatie – ouders bespreken het conflict niet openlijk, maar de
angst voor separatie tussen kind en ouder zorgt voor overbescherming en
inadequate opvoeding
o Absentie van vader wordt geassocieerd met gedragsproblemen bij kinderen
Ouderfactoren – Wanneer ouders in criminele kringen verkeren of verkeerde
copingsstrategieën hebben, kunnen kinderen dit gedrag overnemen. Wanneer ouders
onvoldoende kennis hebben over de ontwikkeling van kinderen, kan dit leiden tot
misinterpretatie en het bemoeilijken van de communicatie
Sociale netwerk factoren – In stressvolle situaties (armoede en/of ziekte) is er vaak minder
aandacht voor de behoeften van het kind. Kinderen die opgroeien in geïsoleerde gezinnen
ontwikkelen vaak minder positieve sociale interacties, wat kan zorgen voor problematische
interacties die binnen het gezin blijven. Kinderen met leerproblemen kunnen niet verder
geholpen worden wanneer het onderwijs niet passend wordt gemaakt. Stoornissen kunnen
in stand gehouden worden door de houding van de familie ten opzichte van hulpverlening.
Het kan moeilijk zijn om de directe aanleiding voor de ontwikkeling van een stoornis te
onderscheiden. In sommige gevallen verschijnt een stoornis plotseling, terwijl deze in sommige
gevallen geleidelijk en zonder duidelijk beginpunt ontstaat. Toch kan het handig zijn om uitlokkende
factoren te identificeren. Persoonlijke beschermende factoren kunnen worden onderverdeeld in
biologische factoren (bijv. gezondheid, gezonde baarmoeder, ongecompliceerde geboorte, etc.( en
psychologische factoren (bijv. gemakkelijk temperament, hoge intelligentie, etc.).
, 4
Er zijn ook contextuele beschermende factoren. Deze omvatten:
Beschermende behandelingssysteemfactoren: Wanneer ouders en kinderen positief
interacteren met behandelingssystemen, kunnen kinderen meer profiteren van de
behandeling.
Beschermende familiesystemen: Een veilige hechting en een duidelijke gezinsstructuur
bevorderen de ontwikkeling van kinderen.
Beschermende ouderlijke factoren: Ouders met een hoge eigenwaarde en voldoende kennis
over de opvoeding zorgen vaak voor een bevorderlijke omgeving voor de ontwikkeling van
hun kinderen.
Beschermende sociale netwerkfactoren: Hoe groter het sociale netwerk van een familie, hoe
meer sociale steun er is en hoe lager het stressniveau. Dit kan bijvoorbeeld betrekking
hebben op beschermende dagverblijven, waar de kwaliteit van de relatie tussen het kind en
de opvoeder, de responsiviteit van de medewerkers en een veilige speelruimte belangrijk zijn.
Ook voorschoolse interventies voor kinderen met een achterstand kunnen positieve effecten
hebben op hun algehele ontwikkeling.
Beschermende schoolfactoren: Een school met duidelijk autoritatief leiderschap, goede
keuzes, veel kansen voor kinderen om zich actief te ontwikkelen, academische doelen, goede
docenten en een ondersteunende omgeving kan bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen.
Beschermende leeftijdsgenoten: Vrienden spelen een belangrijke rol in de sociale en
emotionele stabiliteit van kinderen.
Hoofdstuk 3 – Classificatie, epidemiologie en effectiviteit van behandeling
Functies van classificatie
Classificatie speelt een belangrijke rol in de klinische psychologie en heeft drie hoofdfuncties:
1. Toegang tot kennis: Het biedt toegang tot informatie en expertise van professionals.
2. Epidemiologische informatie: Het maakt het mogelijk om gegevens te verzamelen over de
prevalentie en het verloop van psychologische problemen.
3. Communicatie: Het biedt een gemeenschappelijke taal waarmee professionals en
wetenschappers met elkaar kunnen communiceren.
De meest gebruikte systemen voor het classificeren van psychologische problemen zijn de ICD-10 en
de DSM-5. In de DSM-5 worden psychische stoornissen onderverdeeld in 18 categorieën.
Er zijn verschillende wetenschappelijke beperkingen bij het gebruik van psychiatrische classificaties,
waaronder:
- Subjectieve interpretatie die wordt gepresenteerd als objectief feit.
- Lage betrouwbaarheid: De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid is laag, wat komt door het
gebruik van afgeleide constructen in plaats van observeerbaar gedrag, het ontbreken van
expliciete criteria en niet-gestandaardiseerde interviews.
- Gebrek aan validiteit: Diagnostische criteria bevatten vaak overlappende kenmerken, wat
kan leiden tot onnauwkeurige diagnoses.
- Beperkte klinische bruikbaarheid: De beperkte betrouwbaarheid en validiteit beperken het
gebruik van de classificatie voor beleid, dienstontwikkeling, behandelingsrichtlijnen en
onderzoek.
- Te veel nadruk op biologische factoren: Er is beperkt bewijs dat de meeste psychologische
problemen veroorzaakt worden door ziektes in de hersenen, wat leidt tot onterecht
vertrouwen in medicatie.
Literatuursamenvatting psychopathologie
Hoorcollege 1 – Introductie
Hoofdstuk 2 – Invloeden op de ontwikkeling van problemen
De ontwikkeling van psychische problemen bij kinderen en jongeren wordt beïnvloedt door
persoonlijke en omgevingsfactoren. Binnen deze factoren kan er onderscheid gemaakt worden
tussen predisponerende factoren (factoren die je vatbaar maken voor psychologische problemen;
risicofactoren), uitlokkende factoren (factoren die psychologische problemen veroorzaken),
instandhoudende factoren en beschermende factoren (die verdere achteruitgang voorkomen).
Persoonlijke risicofactoren:
Persoonlijke risicofactoren – genetische factoren kunnen de ontwikkeling van psychologische
stoornissen beïnvloeden door bredere psychologische kenmerken zoals temperament,
hoewel uitzonderingen bestaan zoals bij sommige genetisch bepaalde stoornissen (bijv.
syndroom van Down)
Prenatale complicaties – factoren als bloedgroep, ondervoeding, roken, gebruik van alcohol
en/of drugs en de leeftijd van de moeder. Dit kan de baarmoederomgeving beïnvloeden en
leiden tot bijvoorbeeld het foetaal alcoholsyndroom, wat kan resulteren in microcefalie,
intellectuele achterstand en craniofaciale afwijkingen.
Perinatale complicaties – bijvoorbeeld zuurstofgebrek (anoxie) of hersenbeschadiging door
een moeilijke geboorte kunnen cognitieve problemen veroorzaken.
Fysieke beschadigingen – aan bijvoorbeeld het hoofd kunnen leiden tot cognitieve
achterstanden, gedragsproblemen en weinig inhibitie. Chronische ziektes (astma, diabetes,
kanker) kunnen leiden tot stress en kan psychische gevolgen hebben
Temperament en persoonlijkheidskenmerken – verschillende soorten temperament kunnen
kinderen vatbaarder maken voor psychologische problemen, afhankelijk van de sociale
context
Indeling Thomas en Chess
o Moeilijk temperament – ongeveer 10%; hebben moeite met routines, vermijden
nieuwe situaties en reageren negatief op veranderingen. Geeft hen meer risico op
psychologische problemen.
o Makkelijk temperament – Ongeveer 40%; passen zich gemakkelijk aan nieuwe
situaties aan en hebben en positieve reactie op verandering (beschermende factor)
o Slow to warm up – Ongeveer 15%; reageren langzaam op nieuwe situaties en
ontwikkelen routines in hun eigen tempo
Indeling Kagan
o Teruggetrokken karakter (inhibited) – zijn verlegen en rustig in nieuwe situaties.
Deze kinderen hebben meer kans op het ontwikkelen van angst- en
stemmingsstoornissen.
o Niet-teruggetrokken karakter (uninhibited) – zijn open en vrolijk en gaan nieuwe
situaties tegemoet.
Cognitieve vaardigheden, geloof in eigenwaarde en persoonlijke controle – deze
karakteristieken kunnen een kind gevoelig maken voor het ontwikkelen van psychologische
problemen. Laag IQ – ontwikkeling gedragsstoornis; lage zelfwaarde – emotionele
problemen; eetproblemen en controle – psychologische problemen
, 2
Persoonlijke instandhoudende factoren:
Biologische factoren – bijvoorbeeld fysiologische aandacht, verstoorde
neurotransmittersystemen en andere biologische problemen hebben invloed op het
voortduren van psychologische problemen.
Zelfregulatie van gevoelens – wanneer kinderen sociaal of academisch niet goed presteren,
kan dit leiden tot aangeleerde hulpeloosheid. Ontstaat doordat kinderen denken dat ze nooit
succesvol zullen zijn, hoe hard ze ook proberen
Coping strategieën helpen mensen omgaan met situaties waarin de eisen van een stressvolle
situatie niet in balans zijn met de beschikbare middelen om deze aan te pakken:
o Emotie-gefocuste coping – geschikt voor situaties die gepaard gaan met
oncontroleerbare stress, waarbij de focus ligt op het beheersen van de emoties die
de situatie oproepen
o Probleem-gefocuste coping – richt zich op het aanpakken van de oorzaak van de
stress zelf
o Vermijdende coping – iemand probeert de stressvolle situaties te vermijden
Er bestaan functionele copingsstrategieën die goed helpen om stress te beheersen en op een
gezonde manier aan te pakken. Ook bestaan er disfunctionele copingsstrategieën, die op
korte termijn verlichting bieden maar op lange termijn vaak meer problemen veroorzaken
Verdedigingsmechanismen – dit zijn onbewuste strategieën die mensen gebruiken om angst
te verminderen wanneer ze met een conflict worden geconfronteerd. Minder adaptieve
verdedigingsmechanismen hebben een groter potentieel om psychische problemen in stand
te houden dan meer volwassen afweermechanismen:
o Hoog adaptieve verdedigingsmechanismen – omvatten anticipatie, affiliatie,
altruïsme, humor, zelfassertie, zelfobservatie en sublimatie
o Compromisvorming (mentale inhibitie) – omvat verplaatsing, dissociatie,
intellectualisering en isolatie van affect
o Grote beeldverstoring – autistische fantasie, projectieve identificatie en splitsing van
het zelfbeeld of het beeld van anderen
o Actieniveau – gedragingen zoals acting out, apathische terugtrekking, hulp-afwijzend
gedrag en passieve agressie
Contextuele risicofactoren
De relatie tussen ouder en kind in de vroege levensjaren – de mate van wederzijdse verbondenheid,
intellectuele stimulatie, controle en warmte beïnvloeden de psychologische ontwikkeling van een
kind
Hechting – hechtingspatronen kunnen worden geanalyseerd aan de hand van (1) angst en
zelfbeeld; (2) vermijding en het beeld van de ander
o Veilige hechting – het kind en de ouder zijn beiden autonoom. Er is sprake van een
responsief ouderschap en een adaptieve gezinsstructuur
o Angstig-ambivalente hechting – het kind vertoont boosheid en aanhankelijkheid,
terwijl de ouder moeilijk bereikbaar is
o Vermijdende hechting – het kind vermijdt de ouder die afstandelijk is
o Gedesoriënteerde hechting – het kind vertoont afwisselend vermijdend en
aanhankelijk gedrag, waarbij het ouderschap als mishandeld of afwezig wordt
ervaren.
, 3
Opvoedstijlen
Contextuele instandhoudende factoren
Familie-systeemfactoren
o Niet passende/consequente bekrachtiging –
kinderen leren gedrag aan door straffen
en/of beloningen, maar wanneer dit
inconsistent of verkeerd gebeurd, kunnen ze
in de war raken en/of ontstaat er een
onveilige hechting
o Coërcieve interactie – kinderen met
gedragsproblemen raken betrokken in
patronen van negatieve wederzijdse
interactie met ouders. Het kind reageert
steeds agressiever en de ouder trekt zich
steeds vaker terug, waardoor het agressieve gedrag van het kind wordt versterkt.
o Overbetrokkenheid en ouderlijke kritiek veroorzaken expressed emotion, wat wordt
geassocieerd met schizofrenie en de ontwikkeling van andere psychologische
stoornissen. Te weinig betrokkenheid kan leiden tot een achterstand in taal en/of
cognitieve ontwikkeling, dat weer kan leiden tot gedragsproblemen
o Inconsistente discipline – ouders reageren niet adequaat op regel overtredend
gedrag, waardoor het kind verkeerde gedragingen kan internaliseren. Er kunnen ook
verwarrende communicatiepatronen ontstaan wanneer ouder en kind elkaar niet
goed begrijpen. Triangulatie is een driepersoons interactie waarbij het kind tussen
conflicterende ouders in komt te staan
Overt triangulatie – ouders hebben openlijk kritiek op elkaar en vragen het
kind een kant te kiezen.
Covert triangulatie – ouders bespreken het conflict niet openlijk, maar de
angst voor separatie tussen kind en ouder zorgt voor overbescherming en
inadequate opvoeding
o Absentie van vader wordt geassocieerd met gedragsproblemen bij kinderen
Ouderfactoren – Wanneer ouders in criminele kringen verkeren of verkeerde
copingsstrategieën hebben, kunnen kinderen dit gedrag overnemen. Wanneer ouders
onvoldoende kennis hebben over de ontwikkeling van kinderen, kan dit leiden tot
misinterpretatie en het bemoeilijken van de communicatie
Sociale netwerk factoren – In stressvolle situaties (armoede en/of ziekte) is er vaak minder
aandacht voor de behoeften van het kind. Kinderen die opgroeien in geïsoleerde gezinnen
ontwikkelen vaak minder positieve sociale interacties, wat kan zorgen voor problematische
interacties die binnen het gezin blijven. Kinderen met leerproblemen kunnen niet verder
geholpen worden wanneer het onderwijs niet passend wordt gemaakt. Stoornissen kunnen
in stand gehouden worden door de houding van de familie ten opzichte van hulpverlening.
Het kan moeilijk zijn om de directe aanleiding voor de ontwikkeling van een stoornis te
onderscheiden. In sommige gevallen verschijnt een stoornis plotseling, terwijl deze in sommige
gevallen geleidelijk en zonder duidelijk beginpunt ontstaat. Toch kan het handig zijn om uitlokkende
factoren te identificeren. Persoonlijke beschermende factoren kunnen worden onderverdeeld in
biologische factoren (bijv. gezondheid, gezonde baarmoeder, ongecompliceerde geboorte, etc.( en
psychologische factoren (bijv. gemakkelijk temperament, hoge intelligentie, etc.).
, 4
Er zijn ook contextuele beschermende factoren. Deze omvatten:
Beschermende behandelingssysteemfactoren: Wanneer ouders en kinderen positief
interacteren met behandelingssystemen, kunnen kinderen meer profiteren van de
behandeling.
Beschermende familiesystemen: Een veilige hechting en een duidelijke gezinsstructuur
bevorderen de ontwikkeling van kinderen.
Beschermende ouderlijke factoren: Ouders met een hoge eigenwaarde en voldoende kennis
over de opvoeding zorgen vaak voor een bevorderlijke omgeving voor de ontwikkeling van
hun kinderen.
Beschermende sociale netwerkfactoren: Hoe groter het sociale netwerk van een familie, hoe
meer sociale steun er is en hoe lager het stressniveau. Dit kan bijvoorbeeld betrekking
hebben op beschermende dagverblijven, waar de kwaliteit van de relatie tussen het kind en
de opvoeder, de responsiviteit van de medewerkers en een veilige speelruimte belangrijk zijn.
Ook voorschoolse interventies voor kinderen met een achterstand kunnen positieve effecten
hebben op hun algehele ontwikkeling.
Beschermende schoolfactoren: Een school met duidelijk autoritatief leiderschap, goede
keuzes, veel kansen voor kinderen om zich actief te ontwikkelen, academische doelen, goede
docenten en een ondersteunende omgeving kan bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen.
Beschermende leeftijdsgenoten: Vrienden spelen een belangrijke rol in de sociale en
emotionele stabiliteit van kinderen.
Hoofdstuk 3 – Classificatie, epidemiologie en effectiviteit van behandeling
Functies van classificatie
Classificatie speelt een belangrijke rol in de klinische psychologie en heeft drie hoofdfuncties:
1. Toegang tot kennis: Het biedt toegang tot informatie en expertise van professionals.
2. Epidemiologische informatie: Het maakt het mogelijk om gegevens te verzamelen over de
prevalentie en het verloop van psychologische problemen.
3. Communicatie: Het biedt een gemeenschappelijke taal waarmee professionals en
wetenschappers met elkaar kunnen communiceren.
De meest gebruikte systemen voor het classificeren van psychologische problemen zijn de ICD-10 en
de DSM-5. In de DSM-5 worden psychische stoornissen onderverdeeld in 18 categorieën.
Er zijn verschillende wetenschappelijke beperkingen bij het gebruik van psychiatrische classificaties,
waaronder:
- Subjectieve interpretatie die wordt gepresenteerd als objectief feit.
- Lage betrouwbaarheid: De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid is laag, wat komt door het
gebruik van afgeleide constructen in plaats van observeerbaar gedrag, het ontbreken van
expliciete criteria en niet-gestandaardiseerde interviews.
- Gebrek aan validiteit: Diagnostische criteria bevatten vaak overlappende kenmerken, wat
kan leiden tot onnauwkeurige diagnoses.
- Beperkte klinische bruikbaarheid: De beperkte betrouwbaarheid en validiteit beperken het
gebruik van de classificatie voor beleid, dienstontwikkeling, behandelingsrichtlijnen en
onderzoek.
- Te veel nadruk op biologische factoren: Er is beperkt bewijs dat de meeste psychologische
problemen veroorzaakt worden door ziektes in de hersenen, wat leidt tot onterecht
vertrouwen in medicatie.