1
Literatuursamenvatting behandelingsmethodiek
Hoorcollege 1 – Behandelingscyclus, doelen formuleren, evalueren van behandelingen
Ruijssenaars (2014)
In problematische situaties is op momenten van reflectie meer kennis nodig over de aard van de
problemen en over de wijze van aanpakken. Hierbij gaat het om kennis die wetenschappelijk
verantwoord is en ontleend is aan controleerbaar en herhaalbaar empirisch onderzoek. Op
verschillende momenten in het proces van hulpverlening kan deze kennis worden ingezet. Deze
momenten worden omschreven als stappen in de diagnostiek en behandeling. Hierbij wordt
gesproken over de klinische cyclus.
Kenmerkend in elke stap van de klinische cyclus is de nadruk die ligt op de planmatigheid in de
besluitvorming van de professional. Goede kennis kan verkeerd gebruikt worden en met onjuiste
kennis kan op een methodologisch correcte wijze worden omgegaan. Beide gevallen leiden tot
fouten. Belangrijk bij het uitvoeren van de klinische cyclus is de terugkoppeling, zowel binnen
deelcycli als in de totale cyclus. De cyclus is namelijk geen statische richtlijn voor het doorlopen van
de hulpverlening, maar slechts een grondfiguur die bruikbaar is in een dynamisch proces.
De diagnostische cyclus en de behandeling van leerstoornissen
Bij leerproblemen is diagnostiek zonder behandeling wel mogelijk, echter
is behandeling zonder diagnostiek ongewenst. Het probleem en de ernst
van de leerstoornis, de rol van de individu gebonden factoren en de
indicaties voor de best passende behandeling moeten in kaart worden
gebracht. Informatie kan zowel verkregen worden gedurende de
diagnostiek als gedurende de behandeling. Hierbij vindt vanuit de
behandeling terugkoppeling plaats naar de diagnostiek.
De diagnostische cyclus wordt in stappen ingedeeld:
Klachtanalyse: klachten worden verhelderd en de vraagstelling wordt vastgesteld.
Probleemanalyse (onderkennende diagnose): de stoornis wordt benoemd volgens
vooropgestelde criteria die vanuit de vakliteratuur bekend zijn.
Verklaringsanalyse (verklarende diagnose): onderzocht wordt welke individugebonden
factoren/processen een rol spelen bij het ontstaan of in stand houden van de stoornis.
Indicatieanalyse (handelingsgerichte diagnose): nagegaan wordt welke van de
behandelingsmogelijkheden de meest verantwoorde is.
De behandelingscyclus
De behandelingscyclus is geen precieze afspiegeling van de werkelijkheid, maar betreft een
onderscheid tussen de belangrijkste fasen. Leerstoornissen worden gekenmerkt door hun
hardnekkigheid en door de invloed van individugebonden factoren. Een standaard aanpak werkt vaak
niet en hier zijn daarom voortdurend nieuwe keuzes nodig. In dit proces van beslissen en toetsen
worden verschillende momenten onderscheiden:
Analyseren van alles wat van invloed kan zijn op een beoogde ingreep.
Opstellen van een verwachting over het effect van een aanpak.
Nagaan of deze hypothese klopt door zorgvuldige toetsing.
Bepalen of het bereikte effect nog overeenkomt met het beoogde doel.
De nadruk ligt dus niet op uitvoeren, maar op een dynamisch, veranderingsgericht
probleemoplossingsproces. Net zoals de diagnostische cyclus heeft de behandelingscyclus zowel
methodologische als professionele voorwaarden.
, 2
De overgang van diagnostiek naar behandeling
Diagnostiek van leerstoornissen hoeft niet altijd te leiden tot behandeling, maar andersom is een
behandeling zonder diagnostiek ongewenst. In de indicatieanalyse dient de diagnostische informatie
uit voorgaande stappen om te kunnen zetten in een globaal einddoel van de behandeling. Het is dus
niet de taak van de diagnosticus om de behandeling volledig in te vullen, maar wel om aan te geven
met welk type interventie een globaal doel bereikt kan worden. De behandelaar kiest later een
concrete invulling en stelt de specifieke tussendoelen vast. Het behoort tot de professionele taak van
de behandelaar om in de overgang van diagnostiek naar behandeling een beredeneerde, optimale
afstemming te bereiken tussen casus-specifieke informatie en de beschikbare wetenschappelijke
kennis over de behandeling van leerstoornissen. Vanaf de start van de behandeling komt hier
informatie over de betrokkenen en de inhoud van het probleem bij. Afstemming tussen diagnostische
informatie verkleint de kans op het volgen van dwaalwegen.
Tussen het advies (als eindresultaat van de diagnostische cyclus) en de start van de
behandelingscyclus zit dus nog een soort tussenfase. Uit het advies volgen globale doelen van de
behandeling, daaruit komt de verantwoording van de eerste keuze van aanpak. Dan worden indicaties
en contra-indicaties voor behandeling gegeven. Hierna begint de behandelingscyclus pas.
De verkennende behandelingsanalyse (VBA)
Voorafgaand aan de behandeling moet zo nauwkeurig mogelijk in kaart worden gebracht welke
factoren een rol kunnen spelen als het echt op verandering aankomt. In de indicatieanalyse wordt
een inschatting gemaakt wat de indicaties en contra-indicaties betreft. Een optimale interventie kan
dus toch falen in situaties die belast zijn met een negatieve ontwikkelingsgeschiedenis. De
verkennende behandelingsanalyse is handelingsgericht én diagnostisch van aard. De nadruk ligt niet
op verklaring, maar op factoren die het probleem ook tijdens de interventie in stand kunnen houden.
Hierbij is het belangrijk om aandacht te hebben voor de interactie die tussen verschillende factoren
kan optreden. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar dat bij een cliënt die weinig autonomie vertoont en
een behandelaar die directief optreedt een grote afhankelijkheid wordt gecreëerd.
Er zijn verschillende belemmerende en faciliterende factoren die behandeling kunnen beïnvloeden:
Gegevens uit de diagnostische cyclus: deze informatie bevat individuele subjectkenmerken,
mogelijkheden en contra-indicaties en bestaat uit verschillende niveaus:
o Cognitief: bijvoorbeeld de snelheid van informatieverwerking of de taalvaardigheid.
o Emotioneel: bijvoorbeeld gevoelens van competentie, motivatie en faalangst.
o Relationeel: bijvoorbeeld de openheid voor relaties en mate van autonomie.
o Lichamelijk/zintuiglijk: bijvoorbeeld gezondheid en uitgerust zijn.
Aanvullende gegevens: deze informatie bevat kenmerken van het individuele leerproces en
van reacties/contact bij hulp. Dit betreft verschillende betrokkenen:
o Kenmerken en mogelijkheden van het gezin: bijvoorbeeld het pedagogische klimaat,
de gezinssamenstelling en gezinsomstandigheden.
o Kenmerken en mogelijkheden van de opvoeders: bijvoorbeeld cognitief, emotioneel
en relationeel.
o Kenmerken en mogelijkheden van de school: bijvoorbeeld pedagogisch klimaat,
organisatie en schoolomstandigheden.
o Kenmerken en mogelijkheden van de leerkracht: bijvoorbeeld professionele kennis
en vaardigheden en inbedding in organisatie en persoonlijkheid.
o Kenmerken en mogelijkheden van de behandelaar: bijvoorbeeld professionele kennis
en vaardigheden en inbedding in de organisatie en persoonlijkheid.
, 3
Het voorspellen van reacties (VR)
In deze fase draait het niet om kennis van behandelprogramma’s, maar om het voorspellen van
reacties op instructies en interventies (“Als ik dit doe, dan gebeurt dat” : “Als hij/zij zo reageert,
dan zal ik…”.). Het gaat om het verschil tussen directe effecten en sluipende of uitgestelde effecten,
en om bewust nadenken over de invloed van het eigen handelen. Bij stagnaties is het belangrijk stil te
staan bij de effecten van het eigen handelen en de manier waarop deze bij te sturen zijn.
Met bewust gekozen acties wordt geprobeerd cognitieve en/of emotionele gedragsveranderingen te
bewerkstelligen. Hiervoor is kennis nodig van effectiviteitsonderzoek én van individuele en
omgevingsfactoren. Effectiviteitsonderzoek kijkt naar de invloed van interventies, maar effecten
kunnen vertraagd optreden. Ook kunnen schijneffecten optreden, zoals regression to the mean.
Omdat onderzoek meestal op groepsniveau gebeurt, moet bij individuele cliënten altijd gekeken
worden naar persoonlijke kenmerken en aansluiting van de behandeling.
Hypothesen en voorspellingen over de invloed van behandelingen kunnen op de korte en lange
termijn gesteld worden: Op de korte termijn, interacties per sessie voorspellen van reactie van het
kind op de actie van de behandelaar en voorspellen de actie van de behandelaar op de (re-)actie van
het kind. Op de lange termijn, per reeks sessies voorspellen op basis van kennis over het
effectiviteitsonderzoek en voorspellen op basis van empirische kennis over de individuele kenmerken.
Toetsende behandeling (TB)
Bij hardnekkige problemen is het niet verantwoord om zomaar iets uit te proberen. De behandelaar
kiest interventies bewust en formuleert vooraf verwachtingen over de effecten. Deze moeten
toetsbaar zijn, net als diagnostische hypothesen. Er gelden twee belangrijke voorwaarden:
Methodologisch: Effecten moeten meetbaar zijn met duidelijke, betrouwbare en valide
criteria.
Professioneel: De behandelaar moet alert zijn op denkfouten en actief zoeken naar zowel
bevestigende als ontkrachtende informatie.
Belangrijke valkuilen zijn onder andere confirmation bias (alleen bevestiging zoeken), vasthouden
aan de eigen mening, alternatieve verklaringen negeren, exotische oplossingen overwaarderen en het
eigen voorspellend vermogen overschatten. Professionele reflectie betekent dus kritisch blijven en
durven twijfelen. In de behandeling vinden twee vormen van toetsing plaats:
Voortdurende (formatieve) toetsing: Nagaan of de aanpak werkt op korte en lange termijn,
bijvoorbeeld via voormeting–interventie–nameting–follow-up en N=1-onderzoek met een
basislijn.
Toetsing van diagnostische conclusies: Controleren of eerdere conclusies uit de
diagnostische cyclus nog kloppen.
Evaluatie ten opzichte van het globale doel (EGD)
Hierbij wordt steeds afgewogen of veranderingen op korte termijn bijdragen aan het uiteindelijke
doel. Kleine tussenstappen zijn vaak nodig, maar kunnen soms op lange termijn belemmerend
werken. De behandelaar moet daarom regelmatig beoordelen of de aanpak nog aansluit bij het
hoofddoel.
Binnen het onderwijs is veel kennis over doelstellingen beschikbaar. Bij leerstoornissen staan
cognitieve doelen centraal, maar vaak spelen andere problemen mee in de behandeling. Ook niet-/
minder specifieke cognitieve doelen zijn nodig. De behandelaar moet ook nagaan welke
, 4
doelstellingen de persoon met een leerstoornis zelf heeft. Globale doelen hebben betrekking op
kennis en vaardigheden, cognitief en niet-cognitief. Behandelaar en cliënt stemmen op elkaar af.
Ruijssenaars (2012)
Professionalisering in de hulpverlening betekent dat zowel
het resultaat als de werkwijze verbeterd en inzichtelijk
gemaakt worden. Transparantie is belangrijk, zodat
communicatie met cliënten en andere professionals
duidelijker wordt en het handelen geëvalueerd en
bekritiseerd kan worden. Daarom zijn instellingen wettelijk
verplicht om met zorgplannen te werken. Volgens Knorth en
Smit is er sprake van planmatig handelen wanneer hulpverlening doordacht, doelgericht en cyclisch
verloopt, met regelmatige reflectie op het handelen.
1. Analyse en beoordeling van de stand van zaken en de probleemsituatie (diagnostiek).
2. Bepaling van mogelijke interventies en keuze voor een bepaalde wijze/methode van
hulpverlening (besluitvorming).
3. Uitwerking van de gekozen wijze van hulpverlening in een hulpverleningsplan (planning).
4. Implementatie van het hulpverleningsplan (uitvoering).
5. Analyse en beoordeling van de stand van zaken en het verloop van de hulpverlening ten
opzichte van de probleemsituatie (evaluatie).
Specifieke hulpverleningsplannen zijn nodig naast algemene plannen voor de lange termijn. Het
stellen van concrete doelen maakt de effectiviteit van hulpverlening meetbaar. Het GAS-model (Goal
Attainment Scaling) is een methode waarbij doelen vooraf concreet worden geformuleerd en via een
vijfpuntsschaal wordt beoordeeld in hoeverre ze zijn behaald. Voordelen zijn dat het aantal doelen
beperkt blijft, ze meetbaar zijn en er per cliënt een eigen uitkomstmaat kan worden vastgesteld.
Belangrijk is dat de verwachte uitkomst vooraf wordt beschreven in waarneembaar gedrag; te smalle
formuleringen kunnen de geldigheid verminderen. Omdat doelen vaak te vaag zijn, wordt
aangeraden ze SMART te formuleren: specifiek, meetbaar, aanvaardbaar/acceptabel, realistisch en
tijdgebonden.
Hulpverleningsplannen kunnen door verschillende professionals worden opgesteld, zoals
gedragswetenschappers en groepsleiders. In dag- en residentiële hulpverlening staat het
beïnvloeden van de totale leefsituatie centraal om ontwikkeling en groei te stimuleren, waarbij de
groepsopvoeder zichzelf inzet als middel om doelen te bereiken. De plannen hebben een sturende
functie en worden in teamoverleg uitgewerkt tot concrete acties, geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
Besluitvorming binnen het team is daarbij essentieel. Een zorgvuldige en doordachte besluitvorming
verhoogt de kwaliteit van hulpverlening. De teambegeleider moet zorgen voor goede voorwaarden
voor kwalitatieve beslissingen en draagvlak binnen het team. Omdat het lastig is te voorspellen welke
interventie het beste werkt, verloopt besluitvorming cyclisch:
door steeds opnieuw hypothesen op te stellen en te toetsen
over vervolgstappen. Maak altijd onderscheid tussen wat
inhoudelijk klopt en wat het team daadwerkelijk kan en wil
uitvoeren. Beide bepalen samen de uiteindelijke kwaliteit.
Het algemeen behandelingsplan is een vertaling van de
onderzoeks- en diagnostische bevindingen over de
vormgeving van begeleiding en behandeling.
Literatuursamenvatting behandelingsmethodiek
Hoorcollege 1 – Behandelingscyclus, doelen formuleren, evalueren van behandelingen
Ruijssenaars (2014)
In problematische situaties is op momenten van reflectie meer kennis nodig over de aard van de
problemen en over de wijze van aanpakken. Hierbij gaat het om kennis die wetenschappelijk
verantwoord is en ontleend is aan controleerbaar en herhaalbaar empirisch onderzoek. Op
verschillende momenten in het proces van hulpverlening kan deze kennis worden ingezet. Deze
momenten worden omschreven als stappen in de diagnostiek en behandeling. Hierbij wordt
gesproken over de klinische cyclus.
Kenmerkend in elke stap van de klinische cyclus is de nadruk die ligt op de planmatigheid in de
besluitvorming van de professional. Goede kennis kan verkeerd gebruikt worden en met onjuiste
kennis kan op een methodologisch correcte wijze worden omgegaan. Beide gevallen leiden tot
fouten. Belangrijk bij het uitvoeren van de klinische cyclus is de terugkoppeling, zowel binnen
deelcycli als in de totale cyclus. De cyclus is namelijk geen statische richtlijn voor het doorlopen van
de hulpverlening, maar slechts een grondfiguur die bruikbaar is in een dynamisch proces.
De diagnostische cyclus en de behandeling van leerstoornissen
Bij leerproblemen is diagnostiek zonder behandeling wel mogelijk, echter
is behandeling zonder diagnostiek ongewenst. Het probleem en de ernst
van de leerstoornis, de rol van de individu gebonden factoren en de
indicaties voor de best passende behandeling moeten in kaart worden
gebracht. Informatie kan zowel verkregen worden gedurende de
diagnostiek als gedurende de behandeling. Hierbij vindt vanuit de
behandeling terugkoppeling plaats naar de diagnostiek.
De diagnostische cyclus wordt in stappen ingedeeld:
Klachtanalyse: klachten worden verhelderd en de vraagstelling wordt vastgesteld.
Probleemanalyse (onderkennende diagnose): de stoornis wordt benoemd volgens
vooropgestelde criteria die vanuit de vakliteratuur bekend zijn.
Verklaringsanalyse (verklarende diagnose): onderzocht wordt welke individugebonden
factoren/processen een rol spelen bij het ontstaan of in stand houden van de stoornis.
Indicatieanalyse (handelingsgerichte diagnose): nagegaan wordt welke van de
behandelingsmogelijkheden de meest verantwoorde is.
De behandelingscyclus
De behandelingscyclus is geen precieze afspiegeling van de werkelijkheid, maar betreft een
onderscheid tussen de belangrijkste fasen. Leerstoornissen worden gekenmerkt door hun
hardnekkigheid en door de invloed van individugebonden factoren. Een standaard aanpak werkt vaak
niet en hier zijn daarom voortdurend nieuwe keuzes nodig. In dit proces van beslissen en toetsen
worden verschillende momenten onderscheiden:
Analyseren van alles wat van invloed kan zijn op een beoogde ingreep.
Opstellen van een verwachting over het effect van een aanpak.
Nagaan of deze hypothese klopt door zorgvuldige toetsing.
Bepalen of het bereikte effect nog overeenkomt met het beoogde doel.
De nadruk ligt dus niet op uitvoeren, maar op een dynamisch, veranderingsgericht
probleemoplossingsproces. Net zoals de diagnostische cyclus heeft de behandelingscyclus zowel
methodologische als professionele voorwaarden.
, 2
De overgang van diagnostiek naar behandeling
Diagnostiek van leerstoornissen hoeft niet altijd te leiden tot behandeling, maar andersom is een
behandeling zonder diagnostiek ongewenst. In de indicatieanalyse dient de diagnostische informatie
uit voorgaande stappen om te kunnen zetten in een globaal einddoel van de behandeling. Het is dus
niet de taak van de diagnosticus om de behandeling volledig in te vullen, maar wel om aan te geven
met welk type interventie een globaal doel bereikt kan worden. De behandelaar kiest later een
concrete invulling en stelt de specifieke tussendoelen vast. Het behoort tot de professionele taak van
de behandelaar om in de overgang van diagnostiek naar behandeling een beredeneerde, optimale
afstemming te bereiken tussen casus-specifieke informatie en de beschikbare wetenschappelijke
kennis over de behandeling van leerstoornissen. Vanaf de start van de behandeling komt hier
informatie over de betrokkenen en de inhoud van het probleem bij. Afstemming tussen diagnostische
informatie verkleint de kans op het volgen van dwaalwegen.
Tussen het advies (als eindresultaat van de diagnostische cyclus) en de start van de
behandelingscyclus zit dus nog een soort tussenfase. Uit het advies volgen globale doelen van de
behandeling, daaruit komt de verantwoording van de eerste keuze van aanpak. Dan worden indicaties
en contra-indicaties voor behandeling gegeven. Hierna begint de behandelingscyclus pas.
De verkennende behandelingsanalyse (VBA)
Voorafgaand aan de behandeling moet zo nauwkeurig mogelijk in kaart worden gebracht welke
factoren een rol kunnen spelen als het echt op verandering aankomt. In de indicatieanalyse wordt
een inschatting gemaakt wat de indicaties en contra-indicaties betreft. Een optimale interventie kan
dus toch falen in situaties die belast zijn met een negatieve ontwikkelingsgeschiedenis. De
verkennende behandelingsanalyse is handelingsgericht én diagnostisch van aard. De nadruk ligt niet
op verklaring, maar op factoren die het probleem ook tijdens de interventie in stand kunnen houden.
Hierbij is het belangrijk om aandacht te hebben voor de interactie die tussen verschillende factoren
kan optreden. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar dat bij een cliënt die weinig autonomie vertoont en
een behandelaar die directief optreedt een grote afhankelijkheid wordt gecreëerd.
Er zijn verschillende belemmerende en faciliterende factoren die behandeling kunnen beïnvloeden:
Gegevens uit de diagnostische cyclus: deze informatie bevat individuele subjectkenmerken,
mogelijkheden en contra-indicaties en bestaat uit verschillende niveaus:
o Cognitief: bijvoorbeeld de snelheid van informatieverwerking of de taalvaardigheid.
o Emotioneel: bijvoorbeeld gevoelens van competentie, motivatie en faalangst.
o Relationeel: bijvoorbeeld de openheid voor relaties en mate van autonomie.
o Lichamelijk/zintuiglijk: bijvoorbeeld gezondheid en uitgerust zijn.
Aanvullende gegevens: deze informatie bevat kenmerken van het individuele leerproces en
van reacties/contact bij hulp. Dit betreft verschillende betrokkenen:
o Kenmerken en mogelijkheden van het gezin: bijvoorbeeld het pedagogische klimaat,
de gezinssamenstelling en gezinsomstandigheden.
o Kenmerken en mogelijkheden van de opvoeders: bijvoorbeeld cognitief, emotioneel
en relationeel.
o Kenmerken en mogelijkheden van de school: bijvoorbeeld pedagogisch klimaat,
organisatie en schoolomstandigheden.
o Kenmerken en mogelijkheden van de leerkracht: bijvoorbeeld professionele kennis
en vaardigheden en inbedding in organisatie en persoonlijkheid.
o Kenmerken en mogelijkheden van de behandelaar: bijvoorbeeld professionele kennis
en vaardigheden en inbedding in de organisatie en persoonlijkheid.
, 3
Het voorspellen van reacties (VR)
In deze fase draait het niet om kennis van behandelprogramma’s, maar om het voorspellen van
reacties op instructies en interventies (“Als ik dit doe, dan gebeurt dat” : “Als hij/zij zo reageert,
dan zal ik…”.). Het gaat om het verschil tussen directe effecten en sluipende of uitgestelde effecten,
en om bewust nadenken over de invloed van het eigen handelen. Bij stagnaties is het belangrijk stil te
staan bij de effecten van het eigen handelen en de manier waarop deze bij te sturen zijn.
Met bewust gekozen acties wordt geprobeerd cognitieve en/of emotionele gedragsveranderingen te
bewerkstelligen. Hiervoor is kennis nodig van effectiviteitsonderzoek én van individuele en
omgevingsfactoren. Effectiviteitsonderzoek kijkt naar de invloed van interventies, maar effecten
kunnen vertraagd optreden. Ook kunnen schijneffecten optreden, zoals regression to the mean.
Omdat onderzoek meestal op groepsniveau gebeurt, moet bij individuele cliënten altijd gekeken
worden naar persoonlijke kenmerken en aansluiting van de behandeling.
Hypothesen en voorspellingen over de invloed van behandelingen kunnen op de korte en lange
termijn gesteld worden: Op de korte termijn, interacties per sessie voorspellen van reactie van het
kind op de actie van de behandelaar en voorspellen de actie van de behandelaar op de (re-)actie van
het kind. Op de lange termijn, per reeks sessies voorspellen op basis van kennis over het
effectiviteitsonderzoek en voorspellen op basis van empirische kennis over de individuele kenmerken.
Toetsende behandeling (TB)
Bij hardnekkige problemen is het niet verantwoord om zomaar iets uit te proberen. De behandelaar
kiest interventies bewust en formuleert vooraf verwachtingen over de effecten. Deze moeten
toetsbaar zijn, net als diagnostische hypothesen. Er gelden twee belangrijke voorwaarden:
Methodologisch: Effecten moeten meetbaar zijn met duidelijke, betrouwbare en valide
criteria.
Professioneel: De behandelaar moet alert zijn op denkfouten en actief zoeken naar zowel
bevestigende als ontkrachtende informatie.
Belangrijke valkuilen zijn onder andere confirmation bias (alleen bevestiging zoeken), vasthouden
aan de eigen mening, alternatieve verklaringen negeren, exotische oplossingen overwaarderen en het
eigen voorspellend vermogen overschatten. Professionele reflectie betekent dus kritisch blijven en
durven twijfelen. In de behandeling vinden twee vormen van toetsing plaats:
Voortdurende (formatieve) toetsing: Nagaan of de aanpak werkt op korte en lange termijn,
bijvoorbeeld via voormeting–interventie–nameting–follow-up en N=1-onderzoek met een
basislijn.
Toetsing van diagnostische conclusies: Controleren of eerdere conclusies uit de
diagnostische cyclus nog kloppen.
Evaluatie ten opzichte van het globale doel (EGD)
Hierbij wordt steeds afgewogen of veranderingen op korte termijn bijdragen aan het uiteindelijke
doel. Kleine tussenstappen zijn vaak nodig, maar kunnen soms op lange termijn belemmerend
werken. De behandelaar moet daarom regelmatig beoordelen of de aanpak nog aansluit bij het
hoofddoel.
Binnen het onderwijs is veel kennis over doelstellingen beschikbaar. Bij leerstoornissen staan
cognitieve doelen centraal, maar vaak spelen andere problemen mee in de behandeling. Ook niet-/
minder specifieke cognitieve doelen zijn nodig. De behandelaar moet ook nagaan welke
, 4
doelstellingen de persoon met een leerstoornis zelf heeft. Globale doelen hebben betrekking op
kennis en vaardigheden, cognitief en niet-cognitief. Behandelaar en cliënt stemmen op elkaar af.
Ruijssenaars (2012)
Professionalisering in de hulpverlening betekent dat zowel
het resultaat als de werkwijze verbeterd en inzichtelijk
gemaakt worden. Transparantie is belangrijk, zodat
communicatie met cliënten en andere professionals
duidelijker wordt en het handelen geëvalueerd en
bekritiseerd kan worden. Daarom zijn instellingen wettelijk
verplicht om met zorgplannen te werken. Volgens Knorth en
Smit is er sprake van planmatig handelen wanneer hulpverlening doordacht, doelgericht en cyclisch
verloopt, met regelmatige reflectie op het handelen.
1. Analyse en beoordeling van de stand van zaken en de probleemsituatie (diagnostiek).
2. Bepaling van mogelijke interventies en keuze voor een bepaalde wijze/methode van
hulpverlening (besluitvorming).
3. Uitwerking van de gekozen wijze van hulpverlening in een hulpverleningsplan (planning).
4. Implementatie van het hulpverleningsplan (uitvoering).
5. Analyse en beoordeling van de stand van zaken en het verloop van de hulpverlening ten
opzichte van de probleemsituatie (evaluatie).
Specifieke hulpverleningsplannen zijn nodig naast algemene plannen voor de lange termijn. Het
stellen van concrete doelen maakt de effectiviteit van hulpverlening meetbaar. Het GAS-model (Goal
Attainment Scaling) is een methode waarbij doelen vooraf concreet worden geformuleerd en via een
vijfpuntsschaal wordt beoordeeld in hoeverre ze zijn behaald. Voordelen zijn dat het aantal doelen
beperkt blijft, ze meetbaar zijn en er per cliënt een eigen uitkomstmaat kan worden vastgesteld.
Belangrijk is dat de verwachte uitkomst vooraf wordt beschreven in waarneembaar gedrag; te smalle
formuleringen kunnen de geldigheid verminderen. Omdat doelen vaak te vaag zijn, wordt
aangeraden ze SMART te formuleren: specifiek, meetbaar, aanvaardbaar/acceptabel, realistisch en
tijdgebonden.
Hulpverleningsplannen kunnen door verschillende professionals worden opgesteld, zoals
gedragswetenschappers en groepsleiders. In dag- en residentiële hulpverlening staat het
beïnvloeden van de totale leefsituatie centraal om ontwikkeling en groei te stimuleren, waarbij de
groepsopvoeder zichzelf inzet als middel om doelen te bereiken. De plannen hebben een sturende
functie en worden in teamoverleg uitgewerkt tot concrete acties, geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
Besluitvorming binnen het team is daarbij essentieel. Een zorgvuldige en doordachte besluitvorming
verhoogt de kwaliteit van hulpverlening. De teambegeleider moet zorgen voor goede voorwaarden
voor kwalitatieve beslissingen en draagvlak binnen het team. Omdat het lastig is te voorspellen welke
interventie het beste werkt, verloopt besluitvorming cyclisch:
door steeds opnieuw hypothesen op te stellen en te toetsen
over vervolgstappen. Maak altijd onderscheid tussen wat
inhoudelijk klopt en wat het team daadwerkelijk kan en wil
uitvoeren. Beide bepalen samen de uiteindelijke kwaliteit.
Het algemeen behandelingsplan is een vertaling van de
onderzoeks- en diagnostische bevindingen over de
vormgeving van begeleiding en behandeling.