Inleiding
Het strafprocesrecht regelt de wijze waarop de overheid reageert op strafbare feiten. Het vormt de
juridische spelregels voor het gehele strafproces: van de eerste opsporingshandelingen tot en met de
tenuitvoerlegging van een straf. Het strafproces raakt fundamentele belangen — zowel van de
samenleving die bescherming zoekt, als van de individuele verdachte die recht heeft op een eerlijke
behandeling. Die spanning staat centraal in deze leereenheid.
Kernbegrippen
Waarheidsvinding Het strafproces heeft als eerste hoofddoel te achterhalen wat er werkelijk is
gebeurd. De rechter moet op basis van het beschikbare bewijs vaststellen of de verdachte het ten
laste gelegde feit heeft begaan. Waarheidsvinding is echter nooit absoluut: de waarheid moet
worden vastgesteld binnen de grenzen van het recht.
Rechtsbescherming Het tweede hoofddoel is de bescherming van de verdachte tegen willekeurig of
onrechtmatig overheidsoptreden. De verdachte heeft rechten, ook al wordt hij verdacht van een
ernstig misdrijf. Dit vloeit voort uit de rechtsstaat gedachte: ook de overheid is gebonden aan regels.
Bijkomende doelen Naast de twee hoofddoelen kent het strafproces ook bijkomende doelen, zoals:
• Efficiëntie en snelheid van de rechtspleging
• Herstel voor het slachtoffer
• Generale en speciale preventie
• Handhaving van de rechtsorde
Het legaliteitsbeginsel Een van de meest fundamentele beginselen: elk overheidsoptreden in het
strafproces moet een wettelijke grondslag hebben. De overheid mag niet zomaar ingrijpen in de
rechten van burgers zonder dat de wet daartoe de bevoegdheid geeft. Dit beschermt burgers tegen
willekeur.
Beginselen van een behoorlijke procesorde Naast het legaliteitsbeginsel gelden er ongeschreven
rechtsbeginselen die het strafproces normeren, zoals het vertrouwensbeginsel, het
gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.
Belangrijkste wetsartikelen
Wetboek van Strafvordering (Sv) Het Wetboek van Strafvordering is de belangrijkste bron van het
strafprocesrecht in Nederland. Het regelt de bevoegdheden van politie en OM, de rechten van de
verdachte, de procedure bij de rechter en de rechtsmiddelen. Artikel 1 Sv verankert het
legaliteitsbeginsel expliciet: strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.
EVRM Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is een centrale bron van het
strafprocesrecht. Vooral artikel 5 (vrijheid), artikel 6 (eerlijk proces) en artikel 8 (privéleven) zijn van
groot belang. Nederland is als verdragsstaat gebonden aan de uitspraken van het Europees Hof voor
de Rechten van de Mens (EHRM).
Pagina 1 van 74
,Overige bronnen Naast wetgeving en het EVRM zijn ook beleidsregels van het OM (zoals de
Aanwijzingen), jurisprudentie van de Hoge Raad en ongeschreven rechtsbeginselen belangrijke
bronnen.
Relevante jurisprudentie
De Hoge Raad heeft in diverse arresten de beginselen van een behoorlijke procesorde verder
uitgewerkt. Schending van deze beginselen kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM of
strafvermindering. Ook het EHRM heeft via talrijke uitspraken de minimumnormen voor een eerlijk
strafproces nader ingevuld, waaraan Nederlandse rechters zich dienen te houden.
Praktijkvoorbeeld
Stel: de politie doorzoekt zonder enige wettelijke grondslag de woning van een verdachte en vindt
daarbij belastend bewijs. Op grond van het legaliteitsbeginsel (art. 1 Sv) was deze doorzoeking
onrechtmatig, want er ontbrak een wettelijke bevoegdheid. De rechter moet dan beoordelen wat de
gevolgen zijn van deze onrechtmatigheid — dit kan variëren van bewijsuitsluiting tot niet-
ontvankelijkheid van het OM, afhankelijk van de ernst van de schending.
Samenvatting als geheugensteun
Het strafprocesrecht draait om twee hoofddoelen die voortdurend met elkaar in spanning staan:
waarheidsvinding en rechtsbescherming. De spelregels voor het strafproces zijn vastgelegd in het
Wetboek van Strafvordering, aangevuld door het EVRM, jurisprudentie en rechtsbeginselen. Het
legaliteitsbeginsel (art. 1 Sv) is de hoeksteen: geen strafvordering zonder wettelijke grondslag.
Nederland werkt aan een volledig nieuw Wetboek van Strafvordering dat deze uitgangspunten
moderniseert.
Leereenheid 2 – Hoofdstuk 2: Karakter en gang van het
Nederlandse strafproces
Inleiding
Het Nederlandse strafproces heeft een eigen karakter dat niet eenvoudig in één model te vatten is.
Het is historisch gegroeid uit het inquisitoire procesmodel, maar heeft in de loop der tijd steeds meer
accusatoire elementen gekregen, mede onder invloed van het EVRM. Om het strafproces te begrijpen
is het essentieel te weten hoe het proces is opgebouwd, wie de hoofdrolspelers zijn en welke fasen
worden doorlopen van misdrijf tot einduitspraak.
Kernbegrippen
Het inquisitoire procesmodel In een puur inquisitoir systeem is de rechter actief: hij leidt het
onderzoek, ondervraagt de verdachte en verzamelt zelf bewijs. De verdachte is meer object van
onderzoek dan procespartij. Het historische Nederlandse strafproces kende sterk inquisitoire trekken,
met een dominante rol voor de rechter-commissaris en een passievere verdachte.
Het accusatoire procesmodel In een puur accusatoir systeem staan twee gelijke partijen tegenover
elkaar — de aanklager en de verdachte — terwijl een neutrale rechter als scheidsrechter optreedt. De
partijen bepalen zelf wat er aan de rechter wordt voorgelegd. Het Angelsaksische systeem (zoals in de
VS en het VK) is hier een voorbeeld van.
Pagina 2 van 74
,Het Nederlandse gemengde model Nederland kent een gemengd stelsel. De rechter is actief maar
niet almachtig; het OM en de verdediging spelen een steeds grotere rol. Onder invloed van art. 6
EVRM zijn de rechten van de verdachte als procespartij sterk versterkt. Er is sprake van een
voortdurende verschuiving richting een meer accusatoir evenwicht.
De hoofdrolspelers De drie centrale actoren in het strafproces zijn:
• Het Openbaar Ministerie (OM): belast met de opsporing (in samenwerking met de politie) en
de vervolging. Het OM heeft een monopolie op de vervolging (opportuniteitsbeginsel).
• De verdachte en zijn raadsman: de verdachte heeft rechten en is geen object maar subject
van het proces.
• De rechter: onafhankelijk en onpartijdig, beoordeelt de zaak en spreekt recht.
Het opportuniteitsbeginsel Het OM is niet verplicht om elk strafbaar feit te vervolgen. Op grond van
het opportuniteitsbeginsel kan het OM besluiten van vervolging af te zien als dat niet in het algemeen
belang is. Dit onderscheidt Nederland van landen met een legaliteitsbeginsel voor vervolging.
Verschillen in afdoening Niet elke zaak eindigt bij de rechter. Mogelijkheden zijn:
• Sepot: het OM ziet af van vervolging
• Transactie: de verdachte betaalt een geldbedrag om vervolging te voorkomen
• Strafbeschikking: het OM legt zelf een sanctie op (art. 257a Sv)
• Berechting: de zaak komt voor de rechter
De fasen van het strafproces
1. Opsporing De eerste fase: politie en opsporingsdiensten verzamelen bewijs en stellen vast of er
een strafbaar feit is gepleegd en wie daarvoor verantwoordelijk is. De rechter-commissaris houdt
toezicht op ingrijpende opsporingsbevoegdheden.
2. Vervolging Het OM beslist of de zaak wordt vervolgd. Dit kan via dagvaarding (oproeping voor de
rechter) of via een strafbeschikking. Het OM heeft hierin een grote beleidsvrijheid.
3. Berechting in eerste aanleg De zaak wordt behandeld door de politierechter (enkelvoudige kamer,
voor lichtere feiten) of de meervoudige kamer (voor zwaardere feiten). De rechter beantwoordt de
formele vragen van art. 348 Sv en de materiële vragen van art. 350 Sv.
4. Hoger beroep Als een van de partijen het niet eens is met de uitspraak, kan hoger beroep worden
ingesteld bij het gerechtshof. De zaak wordt opnieuw volledig behandeld.
5. Cassatie De Hoge Raad toetst of het recht correct is toegepast. Feitelijke vragen worden in cassatie
niet opnieuw beoordeeld.
Belangrijkste wetsartikelen
Art. 1 Sv — legaliteitsbeginsel: strafvordering vindt alleen plaats op de wijze bij wet voorzien.
Art. 167 Sv — het opportuniteitsbeginsel: het OM kan van vervolging afzien op gronden aan het
algemeen belang ontleend.
Art. 257a Sv — de strafbeschikking: het OM kan zelf een sanctie opleggen zonder tussenkomst van de
rechter.
Pagina 3 van 74
, Art. 348 en 350 Sv — de formele en materiële vragen die de rechter ter terechtzitting moet
beantwoorden.
Relevante jurisprudentie
De Hoge Raad heeft in diverse arresten de grenzen van het opportuniteitsbeginsel verduidelijkt. Ook
het EHRM heeft via art. 6 EVRM de positie van de verdachte als volwaardige procespartij versterkt,
wat heeft geleid tot aanpassingen in de Nederlandse praktijk, onder meer bij het recht op
rechtsbijstand en het ondervragingsrecht.
Praktijkvoorbeeld
Stel: iemand wordt aangehouden voor winkeldiefstal van een klein bedrag. Het OM beoordeelt de
zaak en besluit op grond van het opportuniteitsbeginsel te seponeren, omdat vervolging niet in het
algemeen belang is. De zaak komt nooit voor de rechter. Had het OM geoordeeld dat vervolging wel
aangewezen was, dan had het een strafbeschikking kunnen uitvaardigen of de verdachte kunnen
dagvaarden. Dit illustreert de grote beleidsvrijheid die het OM heeft in de vervolgingsbeslissing.
Samenvatting als geheugensteun
Het Nederlandse strafproces is een gemengd stelsel: inquisitoir van oorsprong, maar met
toenemende accusatoire elementen door de invloed van het EVRM. De drie hoofdrolspelers zijn het
OM, de verdachte/raadsman en de rechter. Het proces verloopt in vijf fasen: opsporing, vervolging,
berechting, hoger beroep en cassatie. Het OM heeft op grond van het opportuniteitsbeginsel grote
vrijheid in de vervolgingsbeslissing en kan zaken ook buitengerechtelijk afdoen via sepot of
strafbeschikking.
Leereenheid 3 – Paragraaf 3.1 t/m 3.3: Kennismaking
met het EVRM
Inleiding
Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) is onmisbaar voor het
begrip van het moderne Nederlandse strafprocesrecht. Sinds de inwerkingtreding van het verdrag in
1953 heeft het EHRM in Straatsburg door zijn jurisprudentie de minimumnormen voor een eerlijk
strafproces in alle lidstaten ingrijpend beïnvloed. Voor de Nederlandse strafrechtspraktijk geldt: wie
het strafprocesrecht wil begrijpen, moet het EVRM kennen. Deze leereenheid biedt een eerste
kennismaking met het verdrag, zijn karakter en de belangrijkste verdragsrechten in hoofdlijnen.
Kernbegrippen
Doel en karakter van het EVRM Het EVRM is een internationaal verdrag dat fundamentele rechten en
vrijheden beschermt van iedereen die zich bevindt op het grondgebied van de verdragsstaten. Het
verdrag heeft een subsidiair karakter: in de eerste plaats zijn de nationale autoriteiten
verantwoordelijk voor de naleving. Pas als nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, kan een klacht
worden ingediend bij het EHRM in Straatsburg. Dit heet de uitputtingsregel.
Het EHRM Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het internationale toezichthoudende
orgaan dat klachten beoordeelt over schendingen van het EVRM door verdragsstaten. De uitspraken
van het EHRM zijn bindend voor de betrokken staat en hebben via de jurisprudentie grote invloed op
de rechtsontwikkeling in alle lidstaten, ook als ze over een ander land gaan.
Pagina 4 van 74