Vraag 1
Welke uitspraak over antisociaal gedrag is volgens de definitie van Frick
(1998) het meest correct?
A. Antisociaal gedrag verwijst uitsluitend naar crimineel gedrag.
B. Antisociaal gedrag omvat gedrag dat maatschappelijke normen, rechten
van anderen, wetten of verwachtingen van autoriteitsfiguren schendt.
C. Antisociaal gedrag is altijd agressief van aard.
D. Antisociaal gedrag wordt uitsluitend veroorzaakt door genetische
factoren.
Antwoord: B
Vraag 2
Welke bevinding ondersteunt het sterkst een genetische invloed op
antisociaal gedrag?
A. Kinderen vertonen meer antisociaal gedrag wanneer hun ouders veel
stress ervaren.
B. Eeneiige tweelingen lijken sterker op elkaar in antisociaal gedrag dan
twee-eiige tweelingen.
C. Antisociaal gedrag neemt af wanneer kinderen sociale
vaardigheidstraining krijgen.
D. Agressie komt vaker voor in buurten met veel criminaliteit.
Antwoord: B
Vraag 3
Waarom waren genetische verklaringen van antisociaal gedrag lange tijd
minder populair?
A. Ze konden niet worden onderzocht met tweelingstudies.
B. Ze bleken minder voorspellend dan sociale modellen.
C. Ze werden geassocieerd met de eugenetische beweging.
D. Ze konden alleen worden toegepast op volwassenen.
Antwoord: C
Vraag 4
,Welke bevinding past het best bij een evolutionaire verklaring van
antisociaal gedrag?
A. Agressie ontstaat uitsluitend door observatie van rolmodellen.
B. Antisociale eigenschappen kunnen zijn blijven bestaan omdat ze
evolutionaire voordelen boden.
C. Antisociaal gedrag ontstaat alleen wanneer een specifiek gen aanwezig
is.
D. Agressie is volledig cultureel bepaald.
Antwoord: B
Vraag 5
Welke situatie illustreert het best een actieve gen-omgevingscorrelatie
(active rGE)?
A. Een impulsief kind lokt vaker strenge reacties van ouders uit.
B. Ouders met antisociale trekken creëren een instabiele thuissituatie voor
hun kind.
C. Een sensatiezoekende adolescent zoekt bewust risicovolle
vriendengroepen op.
D. Een genetische aanleg voor agressie komt alleen tot uiting onder
stressvolle omstandigheden.
Antwoord: C
Passief = B, evocatief = A, actief = C. Antwoord D gaat over gen-
omgevingsinteractie.
Vraag 6
Welke situatie is het beste voorbeeld van een gen-omgevingsinteractie
(GxE)?
A. Ouders geven zowel hun genen als hun opvoedstijl door aan hun
kinderen.
B. Een agressief kind roept vaker negatieve reacties van anderen op.
C. Een genetische kwetsbaarheid leidt alleen tot agressie wanneer iemand
opgroeit in een risicovolle omgeving.
D. Een adolescent kiest vrienden die lijken op zijn persoonlijkheid.
Antwoord: C
Vraag 7
,Welke uitspraak over epigenetica is correct?
A. Genen bepalen volledig of antisociaal gedrag ontstaat.
B. Omgevingsinvloeden kunnen de expressie van genen beïnvloeden.
C. Epigenetica verwijst naar verschillen tussen eeneiige en twee-eiige
tweelingen.
D. Epigenetica verklaart waarom agressie alleen erfelijk is.
Antwoord: B
Vraag 8
Welke conclusie volgt het best uit longitudinaal onderzoek naar antisociaal
gedrag?
A. Omgevingsfactoren zijn belangrijker dan genetische factoren.
B. Genetische factoren zijn belangrijker dan omgevingsfactoren.
C. Antisociaal gedrag wordt ongeveer even sterk beïnvloed door
genetische als omgevingsfactoren.
D. Antisociaal gedrag wordt vrijwel volledig bepaald door prenatale
factoren.
Antwoord: C
Vraag 9
Welke situatie voldoet aan de definitie van agressie van Bushman en
Anderson?
A. Een chirurg veroorzaakt pijn tijdens een noodzakelijke operatie.
B. Een voetballer tackelt een tegenstander binnen de regels van het spel.
C. Een leerling verspreidt bewust kwetsende geruchten om een klasgenoot
verdrietig te maken.
D. Iemand stoot per ongeluk een ander omver.
Antwoord: C
Vraag 10
Wat onderscheidt geweld van agressie?
A. Geweld is altijd verbaal.
B. Geweld is een extreme vorm van agressie waarbij ernstige schade het
doel is.
, C. Geweld is per definitie illegaal.
D. Geweld is altijd reactief.
Antwoord: B
Vraag 11
Welke ontwikkelingsgroep heeft het grootste risico op langdurige
agressieproblemen?
A. Kinderen die nooit agressief gedrag vertonen.
B. Kinderen met gemiddeld agressieniveau dat afneemt met de leeftijd.
C. Kinderen met een hoog en stabiel agressieniveau vanaf jonge leeftijd.
D. Kinderen die pas in de late adolescentie agressief worden.
Antwoord: C
Vraag 12
Een jongen slaat een klasgenoot direct nadat hij denkt uitgelachen te
worden. Dit is een voorbeeld van:
A. Proactieve agressie
B. Indirecte agressie
C. Reactieve agressie
D. Instrumentele agressie zonder emotie
Antwoord: C
Vraag 13
Een leerling bedreigt anderen om hun lunchgeld af te pakken. Welke vorm
van agressie past hier het best bij?
A. Reactieve agressie
B. Proactieve agressie
C. Indirecte agressie
D. Niet-interpersoonlijke agressie
Antwoord: B
Vraag 14
Welke factor hangt volgens onderzoek relatief sterker samen met
reactieve dan met proactieve agressie?