Samenvatting GLV
Basiskennis Christendom
Hoofdstuk 1
Levensbeschouwing = een visie die iemand heeft op de diepere zin en betekenis van
het leven.
Religie = verwijzen naar iets wat er niet is, denken dat er wel een God is.
Godsdienst = gaan uit van het bestaan van een hogere, andere werkelijkheid, een
God.
5 soorten christenen:
Evangelisch: zij ontlenen hun inspiratie direct aan het Nieuwe Testament en zijn
minder gericht op kerkelijke dogma's en tradities. (Bidden of stilstaan bij
aanwezigheid God, aansluiten bij gemeente, bijbel lezen)
Katholiek: richt zich op Oude en Nieuwe Testament, leergezag Rome en katholieke
tradities. Traditie binnen het christendom is de overlevering die als bron staat voor
het verstaan van de openbaring van de waarheid door God aan de mensen. (bidden,
naar de kerk gaan en denken aan de te toekomst van de kerk en hier iets voor doen).
Protestants: betrokkenheid met God, elkaar en de wereld. (werk voor kinderen en
jongeren in de kerk, bidden voor eten, denken aan de medemens)
Reformatorisch: bidden, uit bijbel lezen (dagelijks), gebeden worden verhoord,
zondag naar de kerk en doen wat er in de bijbel staat.
Christelijk, maar niet naar de kerk gaan: geloof is een individuele zaak, bijbel
speelt een belangrijke rol en gebed.
Muziek en gebed zijn verbonden met christelijk geloof. Christenen geloven dat God
betrokken is bij hun leven en dat hij zich met hen verbonden voelt. Het internet
vervangt steeds meer kerkgebouwen en kerkelijke centra, waar mensen elkaar
vroeger ontmoetten, zoeken zij nu via websites contact. Vooral orthodoxen vinden
dat soort communicatielijnen niet bij de geloofsbeleving passen.
Gebouwen
Bouw kerken:
- Romaanse stijl: oud, ronde vormen, dikke muren en kleine ramen. (11e eeuw)
- Gotische stijl: verticale lijnen, spitse torens, hoge ramen, lichte kerken (door grote
ramen), rijk versierd met beelden etc. (13e eeuw) neogotiek = nieuwe gotiek (19e
eeuw).
- Renaissancestijl: verhoudingen tussen verschillende onderdelen, allemaal in
evenwicht Hendrik de Keyser (16e eeuw).
- 19e en 20e eeuw andere stijlen. 19e eeuw: Waterstaatkerken ontwerp moest
goedgekeurd worden door Rijkswaterstaat.
, 20e eeuw: functioneel meer gelet op functie i.p.v. uiterlijk. Kenmerkend voor
protestantse kerken: verschillende zalen/ruimtes achterin de kerk.
- moderne stijl: meerdere functies tegelijk zowel kerk als theater etc. (deze tijd).
Kapel: - kerkgebouw of kerkruimte die niet verbonden is aan een bepaalde
parochie, bijv. van ziekenhuis.
- klein gedeelte van een grote kerk (hoekje waar altaar staat, aparte vieringen
plaatsvonden).
Kathedraal = rooms-katholieke kerk die verbonden is aan de zetel van een bisschop
(kerkelijk leider).
Kruiskerk = van bovenaf ziet het eruit als een kruis.
Koepelkerk = kerk die een koepel heeft
Hallenkerk = meerdere ruimtes naast elkaar hallen (beuken).
Schuilkerk = ziet er niet uit als een kerk, de kerk zit erachter.
Klooster = gebouwen of complexen waar mannen en vrouwen wonen die hun leven
op een bijzondere manier in het teken stellen van hun geloof. Voor sommige is het
een leven gericht op inkeer, gebed en bezinning en voor een ander is het actief bezig
zijn in dienst aan de wereld.
Op andere gebouwen staan vaak nog restanten van een kerk, zoals een naam of een
kruis. Vroeger was het een kerk, maar nu is het bijvoorbeeld een ziekenhuis.
Kunst en Cultuur
Veel schrijvers laten zich inspireren door de bijbel. Zij vertellen de Bijbelverhalen,
maar geven er een nieuw jasje aan. Ook kom je veel sporen tegen van christelijke
gebruiken en gewoonten. Ook zijn er boeken waarin elementen van de christelijke
traditie zijn verwerkt.
In de muziek worden vaak ook op een theatrale manier Bijbelverhalen naverteld.
Ook zijn er veel muziekstukken bij liturgische teksten, dat zijn teksten die een
vaste plek hebben in vieringen. Veel klassieke muziek werd geschreven voor in de
kerk, maar wordt tegenwoordig gezongen in concertzalen (Bach). Ook in popmuziek
wordt er verwezen naar het christendom serieus/satirisch en kritisch.
Er is theater waarbij het christendom indirect een rol speelt, maar ook theater waar
het toneelstuk gebaseerd is op een Bijbelverhaal. Ook bij cabaret speelt het
christendom een rol. Vaak wordt er wel vanuit gegaan dat mensen een christelijke
voorkennis hebben.
Vroeger konden veel mensen niet lezen. Om toch wat te kunnen vertellen over de
Bijbelverhalen, werden er schilderijen gemaakt (middeleeuwen) = beeldverhaal.
Deze schilders zijn wel zeer vertrouwd met de bijbel. Ook geven schilders allemaal
een ander beeld aan Jezus, zij leggen een link tussen het bijbel verhaal en hun eigen
wereld.
Basiskennis Christendom
Hoofdstuk 1
Levensbeschouwing = een visie die iemand heeft op de diepere zin en betekenis van
het leven.
Religie = verwijzen naar iets wat er niet is, denken dat er wel een God is.
Godsdienst = gaan uit van het bestaan van een hogere, andere werkelijkheid, een
God.
5 soorten christenen:
Evangelisch: zij ontlenen hun inspiratie direct aan het Nieuwe Testament en zijn
minder gericht op kerkelijke dogma's en tradities. (Bidden of stilstaan bij
aanwezigheid God, aansluiten bij gemeente, bijbel lezen)
Katholiek: richt zich op Oude en Nieuwe Testament, leergezag Rome en katholieke
tradities. Traditie binnen het christendom is de overlevering die als bron staat voor
het verstaan van de openbaring van de waarheid door God aan de mensen. (bidden,
naar de kerk gaan en denken aan de te toekomst van de kerk en hier iets voor doen).
Protestants: betrokkenheid met God, elkaar en de wereld. (werk voor kinderen en
jongeren in de kerk, bidden voor eten, denken aan de medemens)
Reformatorisch: bidden, uit bijbel lezen (dagelijks), gebeden worden verhoord,
zondag naar de kerk en doen wat er in de bijbel staat.
Christelijk, maar niet naar de kerk gaan: geloof is een individuele zaak, bijbel
speelt een belangrijke rol en gebed.
Muziek en gebed zijn verbonden met christelijk geloof. Christenen geloven dat God
betrokken is bij hun leven en dat hij zich met hen verbonden voelt. Het internet
vervangt steeds meer kerkgebouwen en kerkelijke centra, waar mensen elkaar
vroeger ontmoetten, zoeken zij nu via websites contact. Vooral orthodoxen vinden
dat soort communicatielijnen niet bij de geloofsbeleving passen.
Gebouwen
Bouw kerken:
- Romaanse stijl: oud, ronde vormen, dikke muren en kleine ramen. (11e eeuw)
- Gotische stijl: verticale lijnen, spitse torens, hoge ramen, lichte kerken (door grote
ramen), rijk versierd met beelden etc. (13e eeuw) neogotiek = nieuwe gotiek (19e
eeuw).
- Renaissancestijl: verhoudingen tussen verschillende onderdelen, allemaal in
evenwicht Hendrik de Keyser (16e eeuw).
- 19e en 20e eeuw andere stijlen. 19e eeuw: Waterstaatkerken ontwerp moest
goedgekeurd worden door Rijkswaterstaat.
, 20e eeuw: functioneel meer gelet op functie i.p.v. uiterlijk. Kenmerkend voor
protestantse kerken: verschillende zalen/ruimtes achterin de kerk.
- moderne stijl: meerdere functies tegelijk zowel kerk als theater etc. (deze tijd).
Kapel: - kerkgebouw of kerkruimte die niet verbonden is aan een bepaalde
parochie, bijv. van ziekenhuis.
- klein gedeelte van een grote kerk (hoekje waar altaar staat, aparte vieringen
plaatsvonden).
Kathedraal = rooms-katholieke kerk die verbonden is aan de zetel van een bisschop
(kerkelijk leider).
Kruiskerk = van bovenaf ziet het eruit als een kruis.
Koepelkerk = kerk die een koepel heeft
Hallenkerk = meerdere ruimtes naast elkaar hallen (beuken).
Schuilkerk = ziet er niet uit als een kerk, de kerk zit erachter.
Klooster = gebouwen of complexen waar mannen en vrouwen wonen die hun leven
op een bijzondere manier in het teken stellen van hun geloof. Voor sommige is het
een leven gericht op inkeer, gebed en bezinning en voor een ander is het actief bezig
zijn in dienst aan de wereld.
Op andere gebouwen staan vaak nog restanten van een kerk, zoals een naam of een
kruis. Vroeger was het een kerk, maar nu is het bijvoorbeeld een ziekenhuis.
Kunst en Cultuur
Veel schrijvers laten zich inspireren door de bijbel. Zij vertellen de Bijbelverhalen,
maar geven er een nieuw jasje aan. Ook kom je veel sporen tegen van christelijke
gebruiken en gewoonten. Ook zijn er boeken waarin elementen van de christelijke
traditie zijn verwerkt.
In de muziek worden vaak ook op een theatrale manier Bijbelverhalen naverteld.
Ook zijn er veel muziekstukken bij liturgische teksten, dat zijn teksten die een
vaste plek hebben in vieringen. Veel klassieke muziek werd geschreven voor in de
kerk, maar wordt tegenwoordig gezongen in concertzalen (Bach). Ook in popmuziek
wordt er verwezen naar het christendom serieus/satirisch en kritisch.
Er is theater waarbij het christendom indirect een rol speelt, maar ook theater waar
het toneelstuk gebaseerd is op een Bijbelverhaal. Ook bij cabaret speelt het
christendom een rol. Vaak wordt er wel vanuit gegaan dat mensen een christelijke
voorkennis hebben.
Vroeger konden veel mensen niet lezen. Om toch wat te kunnen vertellen over de
Bijbelverhalen, werden er schilderijen gemaakt (middeleeuwen) = beeldverhaal.
Deze schilders zijn wel zeer vertrouwd met de bijbel. Ook geven schilders allemaal
een ander beeld aan Jezus, zij leggen een link tussen het bijbel verhaal en hun eigen
wereld.