Er zijn verschillende meetniveaus in de statistiek:
Nominale schalen zijn dus schalen waar alleen maar namen gebruikt worden.
Deze hebben geen andere betekenis.
‘Man’ - ‘Vrouw’ is een voorbeeld van een nominale schaal
Functie
Postcode
Land
Merk
Nominaal niveau > een indeling in categorieën zonder volgorde
Kenmerken:
- Geen logische volgorde
- Je kunt allen tellen of groeperen
- Niet geschikt voor berekeningen
Voorbeelden:
- Geslacht
- Automerken
- Afdelingen ( HR, ICT)
Bij ordinale schalen hebben de waardes ook nog een volgorde met betekenis.
‘Man’ - ‘Vrouw’ is dus GEEN ordinale schaal
‘Helemaal niet lekker’, ‘Niet lekker’, ‘Lekker’, ‘Heel lekker’ is een voorbeeld van
een ordinale schaal.
Ordinaal niveau> een indeling in categorieën met een duidelijke volgorde, maar
de afstanden tussen de categorieën zijn onbekend of ongelijk
Kenmerken:
- Wel volgorde, maar geen vaste schaal
- Je kunt rangordes vergelijken, maar niet hoeveel beter
- Geen optellen / m=gemiddelde berekenen
Voorbeelden:
- Opleidingsniveau
- Beoordeling (slecht, matig, goed, uitstekend)
- Plek op een ranglijst
Bij interval en ratioschalen zijn de verschillen tussen de waardes telkens gelijk.
Ergo rekenkundige berekeningen zijn mogelijk
Je kunt geen berekening uitvoeren bij de meetwaardes ‘Man’ - ‘Vrouw’. (uiteraard
kun je wel de verdeling bepalen)
Temperatuur
Gewicht
Lengte
Afstand
Uitgave in euro’s
Intervalniveau > numerieke gegevens met gelijke afstanden tussen waarden,
maar geen absoluut numpunt
Kenmerken: