literatuursamenvattingen
Week 1
Plato De Ideale Staat (Boek II–III)
In het besproken deel van De Ideale Staat onderzoekt Plato, via de dialoog tussen
Socrates, Glaucon en Adeimantus, hoe een rechtvaardige samenleving ontstaat en hoe
deze georganiseerd moet worden. Omdat rechtvaardigheid volgens Plato gemakkelijker
zichtbaar is in een grote gemeenschap dan in één individu, besluit Socrates eerst een
ideale staat te construeren en vervolgens daarin te zoeken naar rechtvaardigheid.
Plato begint met de vraag waarom mensen samenleven. Volgens hem ontstaat een
staat omdat geen mens volledig zelfvoorzienend is. Iedereen heeft behoeften – voedsel,
onderdak, kleding en andere levensnoodzakelijke zaken – die hij niet alleen kan
vervullen. Mensen zijn daarom afhankelijk van elkaar en gaan samenwerken. Uit deze
wederzijdse afhankelijkheid ontstaat de samenleving. De eerste en eenvoudigste staat
bestaat uit enkele mensen die elk een specifieke taak uitvoeren: de boer produceert
voedsel, de bouwer zorgt voor huizen, de kleermaker maakt kleding en andere vaklieden
voorzien in bijkomende behoeften.
Een belangrijk uitgangspunt van Plato is dat mensen van nature verschillen in aanleg en
talenten. Daarom werkt een samenleving het best wanneer iedereen zich specialiseert
in één taak waarvoor hij geschikt is. Iemand die zich volledig toelegt op één beroep zal
betere resultaten behalen dan iemand die verschillende beroepen tegelijk probeert uit
te oefenen. Dit principe van arbeidsverdeling vormt de basis van de ideale staat. Elke
burger moet doen waarvoor zijn natuurlijke aanleg hem het meest geschikt maakt.
Naarmate de samenleving groeit, zijn meer beroepen nodig. Naast boeren, bouwers en
kleermakers verschijnen handelaars, zeelieden, transporteurs, marktverkopers en
allerlei andere vakmensen. Door de uitwisseling van goederen ontstaan markten en
wordt geld ingevoerd als ruilmiddel. Zo ontwikkelt de eenvoudige gemeenschap zich tot
een meer complexe economische samenleving.
Socrates beschrijft eerder een eenvoudige en sobere samenleving waarin mensen
bescheiden leven, gezond eten en enkel voorzien in hun noodzakelijke behoeften.
Glaucon reageert hierop kritisch en noemt deze samenleving spottend een "staat voor
varkens", omdat er volgens hem te weinig ruimte is voor comfort, luxe en verfijning.
Daardoor verschuift de discussie naar een luxere samenleving waarin mensen meer
verlangen dan alleen het noodzakelijke. Er ontstaan nieuwe behoeften aan kunst,
rijkdom, verfijnde voeding, meubels, decoratie, entertainment en allerlei vormen van
luxe.
Deze uitbreiding heeft volgens Plato belangrijke gevolgen. Doordat mensen meer
goederen willen bezitten, hebben zij meer grondstoffen en landbouwgrond nodig. De
staat zal daardoor gebieden van andere volkeren willen verwerven. Hieruit ontstaat
oorlog. Plato beschouwt oorlog dus niet als een toevallig verschijnsel, maar als een
gevolg van onbeperkte verlangens en de groei van luxe. De behoefte aan uitbreiding van
, grondgebied leidt onvermijdelijk tot conflicten tussen staten. Omdat oorlog een vast
onderdeel van de samenleving wordt, heeft de staat een gespecialiseerde groep
verdedigers nodig: de wachters of beschermers van de staat. Ook hier geldt het principe
van specialisatie. Oorlogvoering is volgens Plato een vak dat niet zomaar door iedereen
kan worden uitgevoerd. Net zoals een schoenmaker zich specialiseert in het maken van
schoenen, moeten soldaten zich volledig richten op de verdediging van de
gemeenschap. Een goed leger vereist opleiding, discipline en vakbekwaamheid.
Vervolgens onderzoekt Plato welke eigenschappen deze wachters moeten bezitten. Zij
moeten lichamelijk sterk, moedig en strijdvaardig zijn om vijanden te kunnen verslaan.
Tegelijk mogen zij niet agressief zijn tegenover hun eigen medeburgers. Daarom moeten
zij een bijzondere combinatie van eigenschappen bezitten: zachtmoedigheid tegenover
vrienden en felheid tegenover vijanden. Socrates vergelijkt hen met een goed waakhond,
die vriendelijk is tegenover bekenden maar wantrouwig tegenover vreemden. Naast
moed moeten wachters ook intelligent zijn, een liefde voor kennis bezitten en bereid zijn
te leren. Deze combinatie van kracht, moed en wijsheid vormt volgens Plato de ideale
aard van een beschermer van de staat.
Daarna komt de vraag aan bod hoe zulke wachters moeten worden opgevoed. Plato
vindt opvoeding van cruciaal belang omdat kinderen zeer beïnvloedbaar zijn. Wat zij op
jonge leeftijd horen en leren, vormt hun karakter voor de rest van hun leven. Daarom
moet de staat toezicht houden op de verhalen en ideeën waarmee kinderen worden
opgevoed. Verhalen zijn volgens Plato nooit onschuldig, omdat zij waarden en
overtuigingen overdragen. Wanneer kinderen verkeerde verhalen horen, ontwikkelen zij
verkeerde opvattingen over zichzelf, de samenleving en de goden. Om die reden pleit
Plato voor censuur van bepaalde mythen, verhalen en literaire werken. Niet alle
traditionele verhalen zijn volgens hem geschikt voor de opvoeding van toekomstige
burgers. Vooral religieuze en mythologische verhalen worden kritisch bekeken. Veel
Griekse mythen stellen de goden voor als jaloers, bedrieglijk, wraakzuchtig of
verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld. Volgens Plato geven zulke verhalen een
verkeerd beeld van de goddelijke werkelijkheid. Plato verdedigt daarom een aantal
principes waaraan verhalen over goden moeten voldoen. Ten eerste zijn goden volmaakt
goed. Daarom kunnen zij nooit de oorzaak zijn van kwaad of ongeluk. Slechte
gebeurtenissen hebben andere oorzaken en mogen niet aan de goden worden
toegeschreven. Ten tweede zijn goden volmaakt en onveranderlijk. Een volmaakt wezen
heeft geen reden om van vorm of karakter te veranderen. Verhalen waarin goden zich
vermommen of mensen misleiden, moeten daarom worden afgewezen. Ten derde
mogen goden nooit worden voorgesteld als leugenaars of bedriegers. Aangezien
waarheid en goedheid centraal staan in hun natuur, is het onmogelijk dat zij bewust
misleiding gebruiken.
Door deze censuur wil Plato voorkomen dat burgers verkeerde morele voorbeelden
krijgen. De opvoeding moet gericht zijn op waarheid, deugdzaamheid en respect voor
het goede. Kinderen moeten verhalen horen die moed, rechtvaardigheid, zelfbeheersing
en eerbied voor het goede bevorderen. Alleen zo kunnen zij uitgroeien tot burgers die de
staat op een rechtvaardige manier dienen.