Vraag 1: Welke factor behoort NIET tot de drie pathways van het conceptueel model?
A. De echte relatie
B. Promoten gezonde acties
C. Vertrouwen, begrip en kunde
Vraag 2: Wat is de beste uitleg van common factors?
A. Elementen die samen een theoretisch model vormen van therapie
B. Elementen die terugkomen bij sommige therapieën en hier een grote invloed op hebben
C. Elementen binnen een therapie die samenwerken om tot een gunstige uitkomst te
komen
Vraag 3: Welke bron van self-efficacy betreft het zien van succes bij anderen?
A. Remoralisatie
B. Mastery experiences
C. Vicarious experiences
Vraag 4: Welke bevinding kwam uit de BeMind studie?
A. Therapeutische competentie is een voorspeller van een reductie in psychologische
distress
B. Therapeutische alliantie is een voorspeller van een reductie in psychologische distress
C. Therapeutische alliantie en competentie zijn voorspellers van een reductie in
psychologische distress
Vraag 5: Welke uitspraak over dismantling studies klopt?
A. Therapieën vergelijken en kijken hoe effectief ze zijn
B. Onderzoeken wat er gebeurt als je een essentieel onderdeel van een therapie weghaalt
C. Technieken vergelijken en kijken hoe effectief ze zijn
Vraag 6: Een cliënt met een sterke hechtingsvermijding zal waarschijnlijk…
A. Te afhankelijke worden van de therapeut
B. Moeite hebben hulp te accepteren
C. Een hoog niveau van hulpeloosheid hebben
Vraag 7: Wat is een belangrijke factor bij het in aanmerking komen voor schematherapie?
A. Cognitieve gedragstherapie werkt niet, schematherapie wordt een vervanging
B. Cognitieve gedragstherapie heeft gewerkt, schematherapie wordt een aanvulling
C. Dialectische gedragstherapie heeft gewerkt, schematherapie wordt een aanvulling
Vraag 8: Waarom werd schematherapie ontwikkeld en door wie?
A. Cognitieve gedragstherapie was niet effectief genoeg bij stemmingsproblematiek,
Linehan
B. Cognitieve gedragstherapie was niet effectief genoeg bij stemmingsproblematiek, Young
C. Cognitieve gedragstherapie was niet effectief genoeg bij persoonlijkheidsproblematiek,
Young
Vraag 9: Een vroeg maladaptief schema bestaat uit…
, A. Gedachten, emoties en gedrag
B. Gedachten, herinneringen en lichamelijke sensaties
C. Gedachten, emoties, herinneringen en lichamelijke sensaties
Vraag 10: Welk schemadomein past bij een persoon die een gebrek heeft aan onafhankelijkheid,
een angst heeft voor gevaar en regelmatig een faalgevoel heeft?
A. Grenzen
B. Autonomie en functioneren
C. Other-directedness
Vraag 11: Het steeds misinterpreteren van situaties waardoor een schema wordt bevestigd is
een voorbeeld van…
A. Cognitieve distortion
B. Overcompensatie
C. Zelfverwoestende levenspatronen
Vraag 12: Wat is een voorbeeld van schema-chemie?
A. Een persoon praat minder, omdat zij thuis altijd te horen kreeg dat ze te veel praatte. Nu
gaat ze ervanuit dat dit klopt en praat ze minder in alle sociale situaties.
B. Een persoon met afstandelijke ouders kiest later steeds emotioneel afstandelijke
partners
C. Een persoon heeft vroeger in haar gezin geen ruimte gehad voor intimiteit. Nu gaat ze alle
intieme relaties uit de weg.
Vraag 13: Een persoon gaat helemaal op in een ervaring en wordt hier blij van. Welke kindmodi
toont dit kind?
A. Vermijding
B. Impulsief
C. Blij
Vraag 14: Een diepgewortelde opvatting over jezelf, anderen en de wereld is een…
A. Automatische gedachte
B. Regel en assumptie
C. Kernovertuiging
Vraag 15: Een persoon is in gesprek met een ander en denkt ‘de ander zal mij vast irritant vinden,
ik ben wel heel veel aan het klagen.’ Welke cognitieve vertekening wordt hier beschreven?
A. Gedachten lezen
B. Catestroferen
C. Alles-of-niets
Vraag 16: Wat is het doel van graded tasks?
A. Een makkelijke taak steeds moeilijker maken
B. Een moeilijke taak opdelen in kleine stappen
C. Een moeilijke taak steeds makkelijker maken
Vraag 17: Exposuretherapie werkt volgens het klassieke model vooral via…
A. Zelfreflectie