(15 per lecture)
Vraag 1
Een cognitief gedragstherapeut vraagt een cliënt met sociale angst om tijdens de lunch een
beker water te laten vallen, deze te laten liggen en zonder excuses door te lopen. Vooraf
noteert de cliënt wat hij verwacht dat er zal gebeuren. Achteraf wordt nagegaan of deze
voorspellingen uitkwamen.
Dit is een voorbeeld van:
a. Gedragsactivatie
b. Taakconcentratietraining
c. Een gedragsexperiment
Vraag 2
Jeroen is 30 jaar en volgt al enige tijd individuele Emotion Focused Therapy (EFT). Hij
vertelt regelmatig dat hij een hekel heeft aan zichzelf en voortdurend baalt van zijn eigen
gedrag.
Binnen EFT wordt dit gezien als een marker voor:
a. Zelfkritische splitsing
b. Een onduidelijk gevoelde ervaring (felt sense)
c. Onopgeloste zaken (unfinished business)
Vraag 3
Volgens Van den Hout en Engelhard (2012) profiteren bepaalde mensen sterker van EMDR
dan anderen.
Welke groep profiteert het meest?
a. Mensen die snellere oogbewegingen kunnen maken
b. Mensen met een lagere werkgeheugencapaciteit
c. Mensen die minder afgeleid raken door oogbewegingen
Vraag 4
Amy is 44 jaar en heeft een paniekstoornis. Ze is bang om buitenshuis een paniekaanval te
krijgen en gaat daarom steeds minder naar buiten. Haar leefwereld wordt hierdoor steeds
kleiner.
Binnen ACT wordt dit vooral gezien als:
,a. Destructieve normaliteit
b. Experiëntiële vermijding
c. Schone pijn
Vraag 5
Wampold (2015) beschrijft drie componenten van de therapeutische relatie.
Welke combinatie is correct?
a. Hechtingsstijl van de cliënt, verwachtingen over therapie-uitkomsten en specifieke
technieken
b. Empathie van de therapeut, kwaliteit van de relatie en authenticiteit van de therapeut
c. Therapeutische band, overeenstemming over doelen en overeenstemming over taken
Vraag 6
Judith werkt al 25 jaar als administratief medewerker. Vroeger twijfelde ze of ze haar werk
wel aankon. Tegenwoordig doet ze haar werk goed, maar ze verveelt zich. Wanneer haar
leidinggevende een uitdagendere functie aanbiedt, wijst Judith deze af.
Welk schema en welke dysfunctionele copingstijl zijn hier het meest waarschijnlijk
aanwezig?
a. Goedkeuring/erkenning zoeken – Onderwerping
b. Tekortschieten/schaamte – Overcompensatie
c. Mislukking – Vermijding
Vraag 7
Volgens Carl Rogers is de therapeutische relatie gebaseerd op drie kernvoorwaarden:
congruentie, empathie en...
a. Acceptatie / onvoorwaardelijke positieve waardering
b. Limited reparenting
c. Niet-directiviteit
Vraag 8
Het einde van welke fase binnen het groepsfasenmodel van Levine wordt gekenmerkt door de
intimiteitscrisis?
a. Parallelfase
,b. Opnemingsfase
c. Wederkerigheidsfase
Vraag 9
Wat zijn de drie centrale behandelprincipes van dialectische gedragstherapie (DGT)?
a. Verandering, acceptatie en synthese van tegenstellingen
b. Mindfulness, gedragsoptimalisatie en vaardigheidstraining
c. Emotionele balans, Zen-theorie en validatie
Vraag 10
Wat staat centraal binnen eudaimonisch welzijn?
a. Het vermijden van negatieve emoties
b. Leven in overeenstemming met waarden en streven naar persoonlijke groei
c. Het ervaren van plezier op korte termijn
1c 2a 3b 4b 5c 6c 7a 8b 9a 10b
Lecture 1: common factors
Vraag 1
Tom start therapie voor depressieve klachten. Tijdens de eerste sessie ervaart hij de therapeut
als warm, oprecht en geïnteresseerd. Hij vertelt later dat hij zich voor het eerst in jaren echt
begrepen voelt.
Volgens Wampolds contextuele model is hier vooral sprake van:
a. Het creëren van een healing rationale
b. Het versterken van de therapeutische relatie
c. Het vergroten van self-efficacy
Vraag 2
Een cliënt met een angstig-vermijdende hechtingsstijl reageert terughoudend op persoonlijke
vragen van de therapeut en wil liever praktische tips dan praten over gevoelens.
Welke therapeutische houding sluit hier het beste bij aan?
a. Direct confronteren van vermijdingsgedrag
b. Veel geruststelling geven en intensief contact aanbieden
, c. Geduldig vertrouwen opbouwen en aansluiten bij de behoefte aan structuur
Vraag 3
Een cliënt verwacht dat therapie niets zal opleveren omdat drie eerdere behandelingen niet
succesvol waren.
Welke common factor wordt hierdoor het meest bedreigd?
a. Verwachtingen
b. Therapeutische alliantie
c. Gedragsverandering
Vraag 4
Sanne merkt dat haar therapeut nooit boos wordt wanneer zij kritiek uit. Langzaam ontdekt ze
dat niet iedereen reageert zoals haar vader vroeger deed.
Dit is het beste voorbeeld van:
a. Tegenoverdracht
b. Een corrigerende emotionele ervaring
c. Een healing rationale
Vraag 5
Een onderzoek vindt dat cliënten met een sterkere therapeutische alliantie meer vooruitgang
boeken.
Welke conclusie mag je volgens de literatuur NIET direct trekken?
a. Een goede alliantie hangt samen met betere behandeluitkomsten
b. Een goede alliantie veroorzaakt noodzakelijk betere behandeluitkomsten
c. Een sterke alliantie is een belangrijke voorspeller van behandelresultaat
Vraag 6
Een therapeut legt uit dat paniekaanvallen niet gevaarlijk zijn, hoe angst werkt in het lichaam
en waarom exposure kan helpen.
Deze interventie is vooral gericht op:
a. Het vergroten van epistemisch vertrouwen
b. Het bevorderen van een healing rationale
c. Het verminderen van overdracht