Goederen- en zekerhedenrecht van W.H. van Boom, verplichte arresten en
verschillende kennisclips en hoorcolleges
Gemaakt door: -
Jaar: 2025-2026
Module: RS0132-252644S
,hoorcollege 1 – leereenheden 1 t/m 3
Vermogensrecht: verbintenissenrecht en goederenrecht
Het vermogensrecht bestaat uit het verbintenissenrecht en het goederenrecht. Het verbintenissenrecht regelt
de rechtsverhouding tussen personen onderling. De rechten die daaruit voortvloeien zijn relatieve rechten: zij
kunnen alleen worden ingeroepen tegenover één of enkele specifieke personen. Het goederenrecht ziet op de
rechtsverhouding tussen een persoon en een goed. De rechten die iemand op een goed heeft, zijn absolute
rechten. Deze rechten kunnen tegenover iedereen worden ingeroepen en moeten door iedereen worden
gerespecteerd. Hoewel verbintenissenrecht en goederenrecht van elkaar verschillen, zijn zij sterk met elkaar
verbonden en vullen zij elkaar voortdurend aan. Het goederenrecht is vooral geregeld in Boek 3 BW
(vermogensrecht in het algemeen) en Boek 5 BW (zakelijke rechten). Boek 3 bevat algemene regels die gelden
voor alle goederen, terwijl Boek 5 de rechten behandelt die op zaken kunnen rusten, zoals eigendom.
Goederen, zaken en vermogensrechten
Art. 3:1 BW – Goederen
Volgens artikel 3:1 BW zijn goederen alle zaken en alle vermogensrechten. Een goed kan dus een tastbaar
object zijn, maar ook een recht met economische waarde.
Art. 3:6 BW – Vermogensrechten
Een vermogensrecht is een juridisch recht dat een economische waarde vertegenwoordigt en op geld
waardeerbaar is. Volgens artikel 3:6 BW zijn vermogensrechten rechten die overdraagbaar zijn, stoffelijk
voordeel verschaffen of zijn verkregen in ruil voor stoffelijk voordeel.
Belangrijke voorbeelden van vermogensrechten zijn:
• beperkte rechten zoals pandrecht, hypotheekrecht, vruchtgebruik, erfpacht en opstal;
• het eigendomsrecht;
• vorderingen op naam;
• auteursrechten en octrooirechten;
• aandelen en lidmaatschapsrechten.
Een praktisch ezelsbruggetje is dat vermogensrechten rechten zijn die een economische waarde
vertegenwoordigen.
Art. 3:2 BW – Zaken
Volgens artikel 3:2 BW zijn zaken de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten.
Een zaak is dus een tastbaar object. Voor het goederenrecht is vooral van belang welk recht iemand op die
zaak heeft. De definitie van onroerende zaken staat in artikel 3:3 lid 1 BW. Onroerend zijn de grond, nog niet
gewonnen delfstoffen, met de grond verenigde beplantingen, en gebouwen en werken die duurzaam met de
grond zijn verbonden. De kern van onroerendheid is de duurzame verbondenheid met de grond.
Onroerende zaken vormen in beginsel altijd registergoederen, omdat overdracht inschrijving in de openbare
registers vereist op grond van artikel 3:89 BW. Volgens artikel 3:3 lid 2 BW zijn roerende zaken alle zaken die
niet onroerend zijn. Dit is dus een restcategorie.
Art. 5:1 BW – Eigendom
Volgens artikel 5:1 BW is eigendom het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben.
Eigendom kan alleen bestaan op een zaak. Daarom kan iemand geen eigenaar zijn van een vermogensrecht.
Bij een vermogensrecht spreken we van een rechthebbende.
Het eigendomsrecht omvat alle bevoegdheden die iemand ten aanzien van een zaak kan hebben. Daarom
wordt het gezien als het uitgangspunt van het goederenrecht. Andere rechten, zoals hypotheek, erfpacht of
opstal, zijn afgeleid van dit eigendomsrecht. Veel goederenrechtelijke vragen draaien uiteindelijk om de vraag:
wie is eigenaar van de zaak?
Wijzen van eigendomsverkrijging
Bij eigendomsverkrijging wordt onderscheid gemaakt tussen derivatieve en originaire verkrijging.
Derivatieve eigendomsverkrijging: verkrijgt iemand hetzelfde recht dat zijn voorganger had. De nieuwe
eigenaar volgt de vorige eigenaar als het ware op in diens recht. Hier geldt het nemo plus-beginsel: niemand
,kan meer rechten overdragen dan hij zelf heeft. Wanneer bijvoorbeeld een schilderij wordt overgedragen
waarop een pandrecht rust, verkrijgt de nieuwe eigenaar het eigendomsrecht inclusief dat pandrecht. Het
recht gaat dus over zoals het bij de vorige eigenaar bestond, tenzij sprake is van bijzondere bescherming van
derden.
Het bekendste voorbeeld van derivatieve eigendomsverkrijging is overdracht. Hierbij draagt de ene persoon
een zaak in eigendom over aan een ander. De verkrijger krijgt hetzelfde recht als de vervreemder had. Daarom
speelt overdracht een centrale rol binnen het goederenrecht. De aankoop van een woning is bijvoorbeeld
vrijwel altijd een vorm van derivatieve eigendomsverkrijging. De verkoper is eigenaar van de grond en draagt
deze eigendom over aan de koper. Ook wanneer een gemeente grond uitgeeft aan een particulier, gebeurt dit
doorgaans door overdracht en is er dus sprake van een derivatieve verkrijging.
Originaire eigendomsverkrijging: Vindt geen opvolging in een bestaand recht plaats. Er ontstaat een geheel
nieuw eigendomsrecht. Dit nieuwe recht is in beginsel onbezwaard, waardoor bestaande beperkte rechten
niet mee overgaan. Juist daarom is het onderscheid tussen beide vormen van eigendomsverkrijging van groot
belang. Dit verschil is belangrijk omdat bij originaire verkrijging het nemo plus-beginsel niet geldt.
Voorbeelden van originaire eigendomsverkrijging zijn:
• vruchttrekking;
• inbezitneming van een res nullius;
• vinderschap;
• schatvinding;
• natrekking;
• vermenging;
• zaaksvorming.
Wanneer iemand bijvoorbeeld van klei een nieuwe vaas maakt, ontstaat een nieuwe zaak. De eigendom van
die vaas ontstaat dan originaire. Ook wanneer iemand eigenaar is van grond en daarop een huis bouwt, wordt
hij eigenaar van het huis door natrekking, wat eveneens een originaire wijze van eigendomsverkrijging is.
Belang van arresten
Voor het tentamen zijn arresten zeer belangrijk. De wettelijke regels zijn vaak algemeen geformuleerd, terwijl
de rechtspraak verduidelijkt hoe deze regels in concrete situaties moeten worden toegepast.Belangrijke
arresten zijn onder andere:
- Woonark-arrest en Havenkraan-arrest, die betrekking hebben op het onderscheid tussen roerende
en onroerende zaken.
- Dépex/Curatoren en Zalco II, die belangrijk zijn voor de leer van de bestanddeelvorming.
- Teixeira de Mattos en Zalco I, die relevant zijn voor vermenging en pandrechten.
- (love/love) Hinck/Van der Werff, dat van belang is voor zaaksvorming.
,!! Natrekking
Het Burgerlijk Wetboek kent twee vormen van natrekking:
• De eerste vorm is bestanddeelvorming art. 3:4 en 5:14 BW: Hierbij wordt een zaak onderdeel van
een andere zaak.
• De tweede vorm is natrekking door de grond art. 5:20 BW: Hierbij wordt een onroerende zaak in
beginsel nagetrokken door de eigendom van de grond.
Bestanddeelvorming art. 3:4 BW
Bij natrekking door andere zaken dan de grond staat de vraag centraal of een zaak een bestanddeel is
geworden van een andere zaak. De beoordeling hiervan vindt plaats aan de hand van artikel 3:4 BW dit heet
bestanddeelvorming. Pas wanneer vaststaat dat sprake is van een bestanddeel, kan worden bepaald wie
eigenaar is geworden op grond van artikel 5:3 BW en artikel 5:14 BW.
Volgens artikel 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens de verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak,
bestanddeel van die zaak. Daarnaast bepaalt artikel 3:4 lid 2 BW dat een zaak eveneens bestanddeel wordt
wanneer zij zodanig met een hoofdzaak is verbonden dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat
aan één van beide zaken beschadiging van betekenis wordt toegebracht.
• Verkeersopvattingen onderdeel uitmaakt van een zaak
• Of als niet van de hoofdzaak afgescheiden kan worden zonder beschadiging toe te brengen
Art. 5:3 BW De eigendomsrechtelijke gevolgen van bestanddeelvorming volgen uit artikel 5:3 BW. Dit artikel
bevat het eenheidsbeginsel: de eigenaar van een zaak is ook eigenaar van haar bestanddelen, tenzij de wet
anders bepaalt.
Art. 5:14 BW
Wanneer twee roerende zaken van verschillende eigenaren door bestanddeelvorming één geheel gaan
vormen, bepaalt artikel 5:14 BW aan wie de eigendom van de nieuwe zaak toekomt. Indien één van de zaken
als hoofdzaak kan worden aangemerkt, gaat de eigendom van het bestanddeel over op de eigenaar van de
hoofdzaak. Is geen van beide zaken als hoofdzaak aan te merken, dan worden de voormalige eigenaars
gezamenlijk mede-eigenaar van de nieuwe zaak, ieder voor een aandeel dat evenredig is aan de waarde van
de oorspronkelijke zaak. Volgens lid 3 van artikel 5:14 BW is sprake van een hoofdzaak wanneer:
• de waarde van één zaak die van de andere aanzienlijk overtreft; of
• de verkeersopvatting die zaak als hoofdzaak aanwijst.
Het belang van Dépex/Curatoren en Zalco II
Bij de toepassing van artikel 3:4 BW speelt de rechtspraak een belangrijke rol.
In het arrest Dépex/Curatoren heeft de Hoge Raad belangrijke aanwijzingen gegeven voor de beoordeling van
de vraag wanneer sprake is van een bestanddeel volgens de verkeersopvatting.
,In Zalco II stond de vraag centraal of iets ook als bestanddeel moet worden beschouwd wanneer afscheiding
technisch mogelijk is, maar de kosten daarvan zo hoog zijn dat afscheiding feitelijk onrealistisch is.
Deze arresten geven richting aan de uitleg van artikel 3:4 BW en zijn daarom tentamenstof van groot belang.
1. Eerst moet worden onderzocht of sprake is van een bestanddeel in de zin van artikel 3:4 BW.
2. de eigendomstoewijzing op grond van artikel 5:3 BW en, indien relevant, artikel 5:14 BW.
Kort samengevat: artikel 3:4 BW bepaalt wanneer sprake is van een bestanddeel, terwijl artikel 5:14 BW
bepaalt wie eigenaar wordt wanneer bestanddeelvorming plaatsvindt.
Natrekking door de grond
De tweede vorm van natrekking in het Burgerlijk Wetboek is natrekking door de grond. Hierbij ontstaat
eigendomsverkrijging doordat een zaak onroerend is en daardoor automatisch onderdeel wordt van de
eigendom van de grond. Ook hier is sprake van een samenhang tussen Boek 3 en Boek 5 BW.
De vraag of een zaak roerend of onroerend is, wordt beantwoord aan de hand van artikel 3:3 BW. Volgens
artikel 3:3 lid 1 BW zijn onroerend: de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde
beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij
door vereniging met een ander gebouw of werk. Op grond van artikel 3:3 lid 2 BW zijn alle andere zaken
roerend. Wanneer een zaak onroerend is in de zin van artikel 3:3 BW, bepaalt artikel 5:20 lid 1 BW dat deze
zaak behoort tot de eigendom van de grondeigenaar. De eigendom van de grond omvat namelijk de gebouwen
en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Hierdoor vindt natrekking door de grond plaats.
Het centrale criterium is daarom de vraag of een gebouw of werk duurzaam met de grond is verenigd.
Wanneer sprake is van een fundering levert dit doorgaans geen problemen op: het gebouw is dan onroerend.
Moeilijker zijn gevallen waarin een object los op de grond staat, zoals een tiny house, stacaravan, woonwagen
of gebouw opgebouwd uit portacabins. Voor deze situaties is het Portacabin-arrest van groot belang. De
Hoge Raad heeft daarin bepaald dat een gebouw of werk ook zonder fundering onroerend kan zijn wanneer
het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij is niet doorslaggevend of
het object technisch eenvoudig verplaatst kan worden. De Hoge Raad heeft twee belangrijke aanwijzingen
gegeven voor de beoordeling van dit criterium.
1. Ten eerste moet worden gekeken naar de bedoeling van de bouwer.
2. Ten tweede moet deze bedoeling naar buiten kenbaar zijn. Het gaat dus niet om de innerlijke
bedoeling van de bouwer, maar om wat objectief uit het gebouw of werk kan worden afgeleid.
Hieruit volgt dat een tiny house, woonwagen of stacaravan onroerend kan zijn wanneer het er voor een
gemiddelde waarnemer uitziet alsof het duurzaam op die plaats zal blijven staan. Omgekeerd kan een object
roerend zijn, ook al is afgesproken dat het jarenlang op dezelfde plek blijft staan, wanneer het uiterlijk juist
wijst op een tijdelijke plaatsing. Belangrijk is dat de feitelijke duur van de plaatsing niet doorslaggevend is. De
,beoordeling vindt plaats aan de hand van de objectieve indruk die het gebouw wekt. De vraag luidt steeds:
ziet het object eruit alsof het duurzaam ter plaatse blijft of slechts tijdelijk aanwezig is?
Ook het Havenkraan-arrest is van belang. De Hoge Raad oordeelde daarin dat havenkranen die zich over rails
kunnen verplaatsen toch onroerend kunnen zijn. Het feit dat een object kan bewegen betekent dus niet
automatisch dat het roerend is.
Daarnaast is het Woonark-arrest relevant. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat objecten die kwalificeren als
een schip in beginsel roerend zijn. Het Burgerlijk Wetboek hanteert daarbij een ruime definitie van een schip:
iedere constructie, anders dan een luchtvaartuig, die bestemd is om te drijven en daadwerkelijk drijft of heeft
gedreven. Hierdoor zijn woonarken en watervilla's in beginsel roerende zaken.
Bij een casus over natrekking door de grond moet steeds de volgende systematiek worden gevolgd:
Stap 1: Beoordeel op grond van artikel 3:3 BW of de zaak roerend of onroerend is.
Stap 2: Onderzoek of sprake is van een gebouw of werk dat duurzaam met de grond is verenigd. Gebruik
hierbij de criteria uit het Portacabin-arrest:
• Is het object naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven?
• Is die bestemming naar buiten kenbaar?
Stap 3: Indien de zaak onroerend is, volgt uit artikel 5:20 lid 1 BW dat deze door de eigendom van de grond
wordt nagetrokken.
Vermenging art. 5:15 BW
Vermenging is een vorm van originaire eigendomsverkrijging en kan worden gezien als een bijzondere vorm
van natrekking. Waar bij natrekking een zaak bestanddeel wordt van een andere zaak, gaat het bij vermenging
om situaties waarin verschillende roerende zaken zodanig worden samengevoegd dat één nieuwe
hoeveelheid ontstaat.
De regeling van vermenging is opgenomen in artikel 5:15 BW. Dit artikel is van toepassing wanneer roerende
zaken die aan verschillende eigenaars toebehoren, door vermenging tot één zaak worden verenigd.
Vermenging doet zich vooral voor bij stoffen of zaken die niet meer individueel te onderscheiden zijn nadat zij
zijn samengevoegd. Het gaat niet alleen om vloeistoffen, maar ook om zaken die naar hoeveelheid worden
,verhandeld, zoals zand, grind, graan of meel. Zodra deze zaken worden samengevoegd en niet meer
afzonderlijk kunnen worden aangewezen, is sprake van vermenging.
Een klassiek voorbeeld is een gin-tonic. Wanneer gin van de ene eigenaar wordt gemengd met tonic van een
andere eigenaar, ontstaat één nieuwe drank. De afzonderlijke bestanddelen kunnen daarna niet meer van
elkaar worden gescheiden. De gin en tonic zijn dan vermengd tot één zaak.
Voor de eigendomsvraag verwijst artikel 5:15 BW naar artikel 5:14 BW. Dat betekent dat moet worden
onderzocht of sprake is van een hoofdzaak. Indien één van de vermengde zaken als hoofdzaak kan worden
aangemerkt, wordt de eigenaar van die hoofdzaak eigenaar van het geheel. Wanneer geen hoofdzaak
aanwezig is, worden de oorspronkelijke eigenaars gezamenlijk mede-eigenaar van de nieuwe zaak naar
verhouding van hun aandeel.
Bij vermenging moet daarom steeds de volgende volgorde worden aangehouden:
Stap 1: Vaststellen of sprake is van roerende zaken van verschillende eigenaars.
Stap 2: Beoordelen of deze zaken door vermenging één nieuwe zaak zijn geworden.
Stap 3: Toepassen van artikel 5:15 BW, dat verwijst naar artikel 5:14 BW.
Stap 4: Onderzoeken of sprake is van een hoofdzaak.
Stap 5: Concluderen wie eigenaar wordt van de vermengde zaak.
De kern van vermenging is dus dat meerdere roerende zaken van verschillende eigenaars opgaan in één niet
meer te onderscheiden geheel, waarna de eigendom wordt bepaald volgens de regels van artikel 5:14 BW.
Hoofdzaak art. 5:14 lid 3 BW
Artikel 5:15 BW regelt wie eigenaar wordt wanneer roerende zaken van verschillende eigenaars door
vermenging tot één nieuwe zaak worden verenigd. Als aan de vereisten voor vermenging is voldaan, verklaart
art. 5:15 BW artikel 5:14 BW van overeenkomstige toepassing.
Om te bepalen wie eigenaar wordt van de nieuwe zaak, moet daarom eerst worden gekeken naar artikel 5:14
BW. Volgens dit artikel wordt de eigenaar van de hoofdzaak eigenaar van de gehele nieuwe zaak. Wanneer
geen hoofdzaak kan worden aangewezen, worden de voormalige eigenaars mede-eigenaar van de nieuwe
zaak.
De vraag wat als hoofdzaak moet worden beschouwd, wordt beantwoord door artikel 5:14 lid 3 BW. Een zaak
is een hoofdzaak wanneer haar waarde die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft, of wanneer zij volgens
de verkeersopvatting als hoofdzaak wordt gezien.
Een belangrijk arrest hierover is het Zalco-arrest. In de aluminiumfabriek Zalco werd aluinaarde gesmolten
tot vloeibaar aluminium. Tijdens het faillissement kwamen partijen aluinaarde met verschillende eigendoms-
en pandrechtelijke posities in dezelfde ovens terecht. De vraag was of de grotere hoeveelheid aluminium als
hoofdzaak kon worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat bij gelijksoortige vloeistoffen of stoffen de
enkele omstandigheid dat één partij groter is dan de andere, meestal onvoldoende is om van een hoofdzaak
te spreken. De verkeersopvatting biedt in zulke gevallen geen bruikbaar criterium. Daardoor ontstond geen
eigendom van één partij over het geheel, maar mede-eigendom naar rato van ieders aandeel. Dit betekent dat
wanneer bijvoorbeeld 75% van de oorspronkelijke stof van eigenaar A afkomstig is en 25% van eigenaar B, zij
na de vermenging mede-eigenaar worden van de gehele nieuwe zaak in dezelfde verhouding: A voor 3/4 en B
voor 1/4.
Het Zalco-arrest is vooral van belang voor de uitleg van het begrip hoofdzaak bij vermenging van gelijksoortige
stoffen. De Hoge Raad bevestigde dat in dergelijke gevallen vaak geen hoofdzaak kan worden aangewezen,
waardoor mede-eigendom naar rato van de oorspronkelijke aandelen ontstaat.
Onderscheid tussen eigenlijke en oneigenlijke vermenging
Bij vermenging moet onderscheid worden gemaakt tussen eigenlijke vermenging en oneigenlijke vermenging.
Dit onderscheid is belangrijk voor de vraag hoe eigendom wordt bepaald wanneer goederen met elkaar in
contact komen.
,Eigenlijke vermenging valt onder artikel 5:15 BW. Dit artikel ziet op situaties waarin roerende zaken die aan
verschillende eigenaars toebehoren zodanig worden vermengd dat zij één nieuwe zaak vormen en niet meer te
scheiden zijn. Wanneer aan deze vereisten is voldaan, bepaalt art. 5:15 BW dat artikel 5:14 BW van
overeenkomstige toepassing is. Vervolgens moet worden gekeken naar de hoofdzaak in de zin van art. 5:14 lid
3 BW. De hoofdzaak is de zaak waarvan de waarde die van de andere zaak aanmerkelijk overtreft of die
volgens de verkeersopvatting als hoofdzaak wordt gezien. De eigenaar van de hoofdzaak wordt eigenaar van
het geheel. Indien geen hoofdzaak kan worden aangewezen, ontstaat mede-eigendom naar rato van ieders
aandeel. Bij gelijksoortige stoffen, zoals in het Zalco-arrest, is het vaak moeilijk om een hoofdzaak aan te
wijzen. In dat arrest ging het om vermenging van grote hoeveelheden vloeibaar aluminium en aluinaarde in het
kader van een faillissement. De Hoge Raad oordeelde dat bij gelijksoortige vloeistoffen de verkeersopvatting
geen bruikbaar criterium biedt om een hoofdzaak te bepalen. Hierdoor ontstaat geen exclusieve eigendom
voor één partij, maar mede-eigendom naar evenredigheid van de oorspronkelijke aandelen.
Oneigenlijke vermenging valt niet onder art. 5:15 BW, maar lijkt daarop. Hiervan is sprake wanneer zaken wel
bij elkaar komen, maar nog steeds individualiseerbaar blijven, terwijl niet meer kan worden vastgesteld welke
zaak van wie is. De goederen zijn dus niet daadwerkelijk één nieuwe zaak geworden, maar raken feitelijk door
elkaar in bewijsrechtelijke zin.
Het De Texeira de Mattos-arrest illustreert dit. Bij een bank werden aandelenbewijzen van verschillende
cliënten in één depot bewaard. Na faillissement kon niet meer worden vastgesteld welke concrete stukken
van welke eigenaar waren, terwijl het nog steeds om afzonderlijke zaken ging. De Hoge Raad oordeelde dat de
eigenaar zijn eigendom alleen kan opeisen als hij kan bewijzen welke zaak van hem is. Lukt dat niet, dan geldt
het bezitsvermoeden van art. 3:119 BW, dat bepaalt dat de bezitter vermoed wordt rechthebbende te zijn.
Oneigenlijke vermenging is dus vooral een probleem van bewijs en toerekening van eigendom, niet van
goederenrechtelijke samenvoeging.
Zaaksvorming art. 5:16
Naast vermenging is er zaaksvorming (art. 5:16 BW). Hierbij ontstaat door menselijke arbeid een nieuwe
zaak uit één of meer roerende zaken. Dit is een vorm van originele eigendomsverkrijging. De hoofdregel is
dat de nieuwe zaak toekomt aan de eigenaar van de oorspronkelijke zaken. Wanneer die zaken aan
verschillende eigenaars toebehoren, is art. 5:16 lid 2 BW beslissend: degene die de zaak vormt of laat vormen
kan eigenaar worden van de nieuwe zaak, mits sprake is van het vormen van een nieuwe zaak en de kosten
van vorming niet onevenredig zijn.
Het kernbegrip bij zaaksvorming is dus het bestaan van een nieuwe zaak. Dit onderscheidt zaaksvorming van
vermenging en van natrekking. Bij natrekking blijft de zaak bestaan, maar wordt een bestanddeel toegevoegd
(bijvoorbeeld een knoop op een jas). Bij vermenging ontstaat één vermengde massa van gelijksoortige zaken.
Bij zaaksvorming ontstaat een nieuw zelfstandig object, bijvoorbeeld wanneer van losse materialen een jas of
bank wordt gemaakt.
Het verschil tussen vermenging en zaaksvorming zit dus in de aard van het resultaat: bij vermenging gaat het
om het samenvoegen van bestaande zaken tot één geheel zonder nieuwe identiteit, terwijl bij zaaksvorming
een nieuwe zaak ontstaat door arbeid. Dit heeft directe gevolgen voor de eigendomstoedeling op grond van
art. 5:15 BW en art. 5:16 BW.
Wanneer is sprake van een nieuwe zaak bij zaaksvorming (art. 5:16 BW)?
De vraag wanneer sprake is van een nieuwe zaak is essentieel voor het onderscheid tussen zaaksvorming (art.
5:16 BW) en natrekking (art. 5:3 BW e.v.). Dit is uitgewerkt in het Love Love / Henk van der Werf-arrest.
In dit arrest ging het om een casco schip waaraan diverse onderdelen werden toegevoegd, zoals
navigatieapparatuur, totdat het schip volledig af was. De kernvraag was of door deze toevoegingen een nieuwe
zaak was ontstaan in de zin van art. 5:16 BW, of dat slechts sprake was van natrekking.
De Hoge Raad oordeelde dat geen sprake was van zaaksvorming. Een schip blijft, ondanks alle toevoegingen,
naar zijn aard en identiteit een schip. De toevoegingen veranderen niet de oorspronkelijke identiteit van de
zaak. Daarmee ontbreekt een essentieel criterium voor zaaksvorming. Uit dit arrest volgt dat sprake is van een
,nieuwe zaak alleen wanneer de resulterende zaak een eigen zelfstandige identiteit heeft die objectief te
onderscheiden is van de oorspronkelijke zaak. Zolang de identiteit van de zaak behouden blijft, is er geen
sprake van een nieuwe zaak, maar van natrekking.
Het onderscheid is dus dat bij zaaksvorming een nieuwe entiteit ontstaat, terwijl bij natrekking de bestaande
zaak dezelfde blijft, maar wordt uitgebreid of verbeterd door toevoegingen.
Wanneer sprake van vormen of doen vormen?
Naast dit criterium is voor zaaksvorming ook van belang dat sprake is van vormen of doen vormen. Dit
betekent dat door menselijk handelen een nieuwe zaak tot stand moet komen.
In het Hollanders Kuikenbroederij-arrest werd geoordeeld dat ook het onder gecontroleerde
omstandigheden laten uitkomen van eieren als vormende arbeid kan gelden, omdat door menselijk ingrijpen
een nieuwe identiteit (ei → kuiken) ontstaat. Daaruit volgt dat vormen vereist dat er actief menselijk handelen
is dat leidt tot een nieuwe zaak met een eigen identiteit. Louter passief laten gebeuren is onvoldoende.
Voor toepassing van art. 5:16 lid 2 BW is daarnaast van belang of iemand de zaak voor zichzelf vormt of doet
vormen. In het Breda/Antonius-arrest wordt uitgewerkt dat dit afhangt van de feitelijke en juridische
verhoudingen tussen partijen. Relevant is onder meer wie de beslissende invloed heeft op productie en
vormgeving, en wie het economisch risico draagt bij tegenvallende resultaten. Indien de opdrachtgever de
productie volledig stuurt en het economische risico draagt, wordt aangenomen dat hij de zaak voor zichzelf
laat vormen (doen vormen). Indien de producent daarentegen zelfstandig beslist en risico draagt, kan juist
sprake zijn van zelf vormen voor eigen rekening, waardoor de producent eigenaar wordt.
Het Love Love-arrest maakt dus duidelijk dat niet elke bewerking of toevoeging leidt tot een nieuwe zaak.
Alleen wanneer een product een nieuwe, zelfstandige identiteit krijgt, kan sprake zijn van zaaksvorming.
Anders blijft het bij natrekking, ook al is de zaak ingrijpend gewijzigd of verbeterd.
, Leereenheid 1 “goederenrecht en goederen”
Kennisclip 1 natrekking
Natrekking is een goederenrechtelijk leerstuk waarbij een zaak automatisch eigendom wordt van een andere
zaak, meestal de hoofdzaak. Dit heeft directe gevolgen voor het eigendomsrecht: wat juridisch onderdeel
wordt van iets anders, volgt automatisch de eigenaar van die hoofdzaak.
Er bestaan twee vormen van natrekking:
1. Natrekking door de grond (art. 3:3 BW jo. art. 5:20 lid 1 BW)
2. Natrekking door bestanddeelvorming (art. 3:4 BW jo. art. 5:3 BW)
Natrekking door de grond
Bij natrekking door de grond bepaalt de wet dat bepaalde zaken automatisch eigendom worden van de
eigenaar van de grond. Volgens art. 5:20 lid 1 BW behoren onder meer gebouwen en werken die duurzaam
met de grond zijn verenigd tot de eigendom van de grondeigenaar, tenzij de wet anders bepaalt. Deze regel
sluit aan bij art. 3:3 BW, waarin wordt bepaald welke zaken onroerend zijn.
De beoordeling verloopt in twee stappen:
Stap 1: vaststellen of sprake is van een onroerende zaak op grond van art. 3:3 BW.
Stap 2: vaststellen wat dit betekent voor het eigendomsrecht op grond van art. 5:20 lid 1 BW. Is de zaak
onroerend, dan wordt zij nagetrokken door de eigenaar van de grond.
Art. 3:3 BW: onderscheid tussen roerende en onroerende zaken
Lid 1: onroerende zaken
Onroerend zijn:
• de grond;
• nog niet gewonnen delfstoffen;
• met de grond verenigde beplantingen;
• gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, rechtstreeks of via een ander gebouw
of werk.
Lid 2: roerende zaken
Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.
Let op: het onderscheid tussen roerend en onroerend geldt alleen voor zaken en niet voor alle goederen.
Wanneer is een gebouw duurzaam met de grond verenigd?
De vraag wanneer een gebouw of werk duurzaam met de grond is verenigd, is niet altijd eenvoudig te
beantwoorden. Bij gewone gebouwen bestaat hierover meestal geen twijfel, maar bij bijvoorbeeld een
stacaravan of tiny house wel.
In het arrest Portacabin-arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat een gebouw of werk duurzaam met de grond
is verenigd wanneer het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Dit wordt het
bestemmingscriterium genoemd. Bij de beoordeling moet worden gekeken naar:
• de bedoeling van de bouwer;
• voor zover die bedoeling naar buiten kenbaar is.
Het gaat er dus om of uit het uiterlijk en de inrichting van het bouwwerk blijkt dat het bedoeld is om blijvend
op die plaats te staan. Factoren zoals vergunningen of de mogelijkheid om het bouwwerk eenvoudig te
verplaatsen spelen hierbij geen rol. Doorslaggevend zijn de uiterlijke kenmerken en de kenbare bestemming
van het bouwwerk. Een portacabin of tiny house kan daarom zowel roerend als onroerend zijn, afhankelijk van
de omstandigheden. Is het onroerend, dan wordt het automatisch eigendom van de grondeigenaar door
natrekking.
Natrekking door bestanddeelvorming
De tweede vorm van natrekking betreft bestanddeelvorming. Hierbij gaat het niet om de grond, maar om de
vraag wanneer een zaak onderdeel wordt van een andere zaak.