1. Omgang met een paard
Lichaamstaal: Oren plat = dreiging, oren licht naar achter =
onderdanigheid, ontspannen oren opzij = rust.
Stemgebruik: Niet roepen, toon is belangrijk, korte woorden (max.
twee lettergrepen).
Gebaren: Paarden voelen emoties aan. Stress bij de mens leidt tot
stress bij het paard.
Paard uit de weide halen: Niet nerveus zijn, belonen bij vangen,
panoramisch zicht gebruiken.
Paard in stal benaderen: Rustig benaderen, halster correct
aandoen, altijd links van het paard staan.
Paard loslaten in de weide: Halve draai maken zodat het paard met
de voorkant naar de begeleider staat.
Dwangmiddelen: Neusnijper, oor- en neknijpen (liever niet),
Mexicaanse greep voor injecties.
2. Poetsen en verzorging
Waarom poetsen?: Vuil en dode huidcellen verwijderen,
bloedsomloop stimuleren, controle op gezondheid.
Soorten borstels:
o Harde borstel: Voor grof vuil, niet op benen en hoofd.
o Zachte borstel: Voor gevoelige zones, zoals hoofd en benen.
o Rosborstel: Voor grof vuil, cirkelvormige bewegingen, niet op
uitstekende botten.
o Hoevenkrabber: Hoefzool en straalgroeven schoonmaken.
Poetsvolgorde: Paard vastzetten → grof vuil verwijderen → harde
borstel → zachte borstel → manen en staart → hoeven uitkrabben →
ogen/neus schoonmaken.
3. Hoefverzorging
“No hoof, no horse”: Dagelijks uitkrabben en regelmatig
bekappen/beslaan.