Quint/Te Poel Bronnen van De verbintenis moet ‘hieruit’ voortvloeien (art. 6:1 BW). Indien de
verbintenissen wet geen regeling voor het geval kent, moet er een oplossing worden
gezocht die pas in het stelsel van de wet en die aansluit bij wel in de
wet geregelde gevallen. Dit brengt met zich mee dat bronnen van
verbintenissen ene half-open stelsen kennen.
Herbrechter/Hof Vertrouwensbeginsel ‘Goede trouw’ mag in het maatschappelijk verkeer niet worden
verondersteld. De koper had zelf beter moeten weten en had de
mededeling van de verkoper moeten wantrouwen.
Gerards/Vijverberg Vertrouwensbeginsel; Een exoneratiebeding in de overeenkomst met de tekst: ‘koper koopt
dwaling op eigen bate en schade’, sluit een beroep op dwaling niet uit.
Offringa/Vinck Vertrouwensbeginsel; Het enkele feit dat de ene partij haar onderzoeksplicht naar bepaalde
mededelingsplicht; relevante gegevens verzaakt, sluit niet uit dat de andere partij ten
onderzoeksplicht. aanzien van diezelfde gegevens een mededelingsplicht heeft. Het
Hof had zich de vraag moeten stellen of de verkopers naar de in het
verkeer geldende opvattingen gehouden waren de koper mededeling
te doen van de hun bekende ernstige scheurvorming van structurele
aard toen zij constateerden dat de koper zo onvoorzichtig was geen
nadere vragen te stellen hoewel hem was medegedeeld dat er
scheurvorming was en hij ook scheurvorming had geconstateerd. Het
antwoord op deze vraag zal afhangen van de aangenomen feiten en
de andere omstandigheden van het geval.
Eelman/Hin Wilsvertrouwensleer Rechtshandelingen van handelingsonbekwamen zijn vernietigbaar
indien duidelijk sprake is van wilsontbreken krachtens art. 3:33 BW.
Hierbij is van belang of de wederpartij van de handelingsonbekwame
er gerechtvaardigd op heeft kunnen vertrouwen dat de onbekwame
wel handelingsbekwaam was. Als dit het geval is, is de overeenkomst
,Arrest Onderwerp Rechtsregel
geldig.
Hajziani/Van Wilsvertrouwensleer Wanneer een werkgever aan een buitenlandse werknemer een
Woerden verklaring, die tevens een afrekening bevat, ter tekening voorlegt
met het doel aldus tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met
wederzijds goedvinden te geraken, dan is het, wil hij de werknemer
aan een zodanig beëindiging kunnen houden, niet voldoende dat hij
uit de bereidheid van de werknemer tot het plaatsen van zijn
handtekening onder de afrekening, in de gegeven omstandigheden,
niet heeft kunnen afleiden dat deze niet akkoord ging met de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
De werkgever zal er zich niet met redelijke zorgvuldigheid van
moeten vergewissen of de werknemer heeft begrepen dat zijn
instemming met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt
gevraagd.
Gelet op het nadeel dat voor de werknemer uit het ontslag kan
voortvloeien, kan de werkgever hem alleen dan aan zijn, met zijn
werkelijke wil niet overeenstemmende wilsverklaring (de opzegging)
houden, wanneer hij in gerechtvaardigd vertrouwen op die
verklaring, en dus op de daardoor bij hem opgewekte schijn van
ontslagneming, iets heeft gedaan waardoor hij bij ongedaanmaking
van het ontslag in een ongunstiger positie zou zijn gekomen dan
waarin hij zonder die ontslagneming zou hebben verkeerd, zoals zich
bijvoorbeeld voordoet ingeval hij al een andere werknemer ter
vervanging van degene die heeft opgezegd in dienst heeft genomen.
Westhoff/Spronsen Wilsvertrouwensleer Een werkgever mag een werknemer slechts dan aan een
ontslagneming houden, wanneer zij in gerechtvaardigd vertrouwen
, Arrest Onderwerp Rechtsregel
op de bij haar gewekte schijn iets heeft gedaan of nagelaten
waardoor zij bij ongedaanmaking van de ontslagneming in een
ongunstiger toestand zou komen dan waarin zij zonder die
ontslagneming zou hebben verkeerd. De eisen van de goede trouw,
in verband met de ingrijpende gevolgen die een eenzijdige
ontslagneming op staande voet in beginsel voor de werknemer heeft,
kunnen meebrengen dat de werkgever, hoezeer zij de betreffende
uitlatingen als een ontslagneming heeft opgevat en mocht opvatten,
de werknemer toch niet aan die ontslagneming mag houden indien
er aan de zijde van de werkgever geen sprake is van nadeel in de zin
van een ongunstiger toestand.
S/MS Wilsvertrouwensleer Geestelijk gestoorde werknemer neemt ontslag. Later vernietigt zijn
gemachtigde het ontslag, stellende dat de werknemer ten tijde van
zijn ontslag niet in staat was zijn wil te bepalen. In de onderhavige
procedure vordert werknemer onder meer een verklaring voor recht
dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt. De rechtbank heeft op
grond van het wettelijke vermoeden van art. 3:34 lid 1 BW
aangenomen dat de verklaring van werknemer onder invloed van de
stoornis is gedaan. Naar aanleiding van het verweer van werkgever
dat voor haar niet kenbaar was dat werknemer ten tijde van zijn
ontslag niet in staat was zijn wil te bepalen, heeft de Rechtbank
overwogen dat de juistheid van die stelling in het midden kan blijven,
omdat de ingrijpende gevolgen die een eenzijdige ontslagname in
beginsel voor de werknemer heeft kunnen meebrengen dat de
werkgever, hoezeer zij ook mocht menen dat werknemer welbewust
ontslag nam, werknemer toch niet aan die ontslagname mag
houden, indien er niet aan haar zijde sprake is van nadeel.