H1 – Wat is Sociologie?
Contingent: Alles in de samenleving had anders kunnen zijn, maar niet
willekeurig. Er zijn redenen voor patronen.
Arbitrair vs. Contingent: Arbitrair = puur toevallig, Contingent =
historisch/cultureel bepaald.
Verlichting: Geloof in rede, wetenschap, autonomie van individu.
Tegen-verlichting: Nadruk op traditie, religie, sociale orde.
Auguste Comte: Grondlegger sociologie; drie stadia:
o Theologisch (bovennatuurlijke verklaringen),
o Metafysisch (abstracte begrippen),
o Positief (wetenschappelijke observatie).
Habermas: Consensus via rationele discussie.
Luhmann: Mensen moeten leren leven met arbitraire regels.
Voorspelbaarheid & Berekenbaarheid: Basis voor sociale orde.
Legitimerende derde: Autoriteit die sociale orde rechtvaardigt.
H2 – Taak van de Socioloog
Empirisch-analytisch: Feiten verzamelen, theorie → hypothese → observatie
→ analyse.
Kritische taak (Mythejager): ideologieën in vraag stellen (Marx: belangen
dominante klasse; Freud: onderbewuste).
Praktische taak (Levenskunstenaar): Sociologie als levenskunst
(Nietzsche, Maffesoli).
Samenhang (Mauss): Sociale verschijnselen als geheel; gifteconomie
(geven, ontvangen, teruggeven).
Afstandelijke betrokkenheid (Weber): Kritisch observeren én begrijpen.
Empirische gezindheid (Durkheim): Feiten vóór morele oordelen.
H3 – Ontdekking van de samenleving
Utilitarisme: Maximaliseren van plezier, minimaliseren van pijn.
Empiricisme: Observatie van gewone mensen (Le Play, Quetelet).
Self-fulfilling voorspelling (Merton): Voorspelling die zichzelf waarmaakt.
Self-denying voorspelling: Voorspelling die zichzelf ontkracht.
Mattheus-effect: Wie veel heeft, krijgt meer.
Collectieve actie probleem: Moeilijkheden om samen te werken voor
gemeenschappelijk doel.
Rational choice theory: Individuen handelen rationeel voor eigenbelang.