Literatuur bij colleges: concentreer je op de hoofdlijnen, begrippen worden in de
hoorcolleges uitgelegd en veel begrippen en onderwerpen worden herhaald
- Tentamen 50 MC vragen
Stabiliteitsdenkers (determinisme): intelligentie is erfelijk bepaald en verandert nauwelijks
gedurende je leven
Groeidenkers: intelligentie is voornamelijk afhankelijk van de omgeving waarin je opgroeit
Nature vs. nurture:
- Aangeboren, rijping, biologisch, evolutie, genetisch (19 e eeuw, ’80, ’90, nog steeds
belangrijk) vs.
- Aangeleerd, omgeving, opvoeding, ervaring, belonen en straffen (’50, ’60, nog steeds
belangrijk)
Eerste 1001 dagen: conceptie tot 2 jaar cruciaal voor hersenontwikkeling en ontwikkeling
van cognitieve, emotionele, sociale en fysieke vaardigheden
- Grote plasticiteit - Grote kansen - Grote kwetsbaarheid
- Maar ook periode daarna is belangrijk: hersenontwikkeling gaat door tot ±25 jaar
Ontwikkeling = groei, ontplooiing, wasdom
- Hoe verandert een persoon gedurende de levensloop?
- In hoeverre zijn deze veranderingen vergelijkbaar of verschillend tussen personen
Niet alle verandering in gedrag zijn ontwikkeling!!!
- Cyclische veranderingen (bijvoorbeeld slaap-waakritme)
- Tijdelijke veranderingen die gemakkelijk ongedaan kunnen worden gemaakt
(bijvoorbeeld iets opslaan in je geheugen en daarna weer vergeten)
- Regressieve veranderingen (bijvoorbeeld het verlies van vaardigheden)
o Uitzondering: verlies van synaptische verbindingen gedurende de ontwikkeling
5 kenmerken van de ontwikkeling:
1. Organisatie van de processen: eenvoudig complex
2. Volgorde en sequentie: latere vormen komen voort uit eerdere vormen die zijn
ingebouwd in het proces (ontwikkeling verloopt in stadia)
3. Richting: ontwikkeling voltrekt zich in meerdere richtingen (eerdere ontwikkelde
vaardigheden kunnen verloren gaan en plaatsmaken voor nieuwe, meer adaptieve
vaardigheden)
4. Epigenese en emergentie
a. Epigenese: wederzijdse interacties tussen verschillende niveaus van het organisme en
de omgeving
b. Emergentie: het proces waarin de interacties met de omgeving zorgt voor het
ontstaan van nieuwe systeemeigenschappen. Deze eigenschappen zijn niet terug te
voeren tot de oorspronkelijke situatie (= kwalitatieve verandering)
5. Relatieve permanentie en onomkeerbaarheid: ontwikkeling leidt tot een (min of meer)
blijvende toestand. Terugkeer naar oorspronkelijke toestand gebeurt niet (m.u.v.
kortdurende regressies)
,Gottlieb’s probablistic epigenesis:
- Epigenese: interactie tussen genen en omgeving
- Probabilistisch: mogelijk of waarschijnlijk, niet gedetermineerd
- Dynamisch: alle factoren beïnvloeden elkaar continu maar wisselend
Key findings Cantor et al. (2018):
- Human development depends upon the ongoing, reciprocal relations between
individuals’ genetics, biology, relationships, and cultural and contextual influences.
- Each individual’s development is a dynamic progression over time.
- The human relationship is a primary process through which biological and contextual
factors mutually reinforce each other.
- All children are vulnerable. In addition to risks and adversities, micro- and macro-
ecologies provide assets that foster resilience and accelerate healthy development.
- Children are active agents in their own learning, with multiple neural, relational, and
contextual processes converging to produce their unique developmental range and
performance. The holistic, dynamic understanding of learning has important implications
for the design of personalize teaching and learning environments that can support the
development of the whole child.
Grand Theories:
Evolutiepsychologie (nature)
- Darwin: gedrag van ouder en kind zijn het product van een evolutionair proces (=
natuurlijke selectie)
- Welk doel dient opvoeden?
o Direct: kind tot volwassenheid brengen
o Ultiem: overleving genetisch materiaal via volgende generaties
Hechtingstheorie (nature (en nurture))
- Bolwby: baby heeft een natuurlijke neiging tot hechting (= stabiele emotionele relatie
tusen kind en ouder/verzorger)
- Ainsworth: kwaliteit van relatie hangt af van sensitiviteit van de ouders
Sociale leertheorie en sociaal cognitieve theorieën (nurture)
- Bandura (sociale leertheorie): kinderen ontwikkelen zich via interacties met hun
omgeving waardoor een gevoel van controle ontstaat (= self-efficacy)
- Vygotsky (sociale cognitieve theorie): kinderen ontwikkelen zich in een sociaal-culturele
context met anderen die meer ontwikkeld zijn. Volwassenen bieden taken aan die in de
‘zone van de naaste ontwikkeling liggen (= taken die het kind zonder hulp nog niet kan =
scaffolding)
Genetische theorieën (nature (en nurture))
- Plomin: ontwikkeling is het resultaat van genetische en omgevingsfactoren
o Klassieke kwantitatieve methode: hoeveel variantie wordt verklaard door genetische
factoren (H2) en hoeveel door omgevingsfactoren (gedeelde C2 en
niet-gedeelde/unieke E2)
o Nu: gen * omgeving interacties, DNA-methylering
, Kritiek:
- Evolutiepsychologie onderschat invloed van cultuur
- Hechtingstheorie verklaart niet hoe kinderen leren
- Sociale leertheorie houdt geen rekening met individuele kenmerken en negeert de
actieve rol van individuen
- Gedragsgenetica overschat invloed genetische factoren
Developmental system theories (DST):
Basisprincipes:
1. Multiple characteristics of individuals and context collaborate to produce all aspects of
behavior
2. Variability as well as stability in performance provide important information for
understanding human development
Variabiliteit: normen, inzicht wat ontwikkeling is, wat zijn de oorzaken (drivers) van variaties
Stabiliteit: identificeren van patronen die ontstaan en blijven over de tijd
Complexe relaties tussen systemen: biologische en fysiologische systemen, sociale
omgevingen, interpretaties, waarderingen en internaliseren van onze ervaringen bepalen in
welke richting wij ons ontwikkelen en mogelijkheden om de ontwikkeling te optimaliseren
Relationeel: geen dichotomie maar alle verklaringen zijn complementair (ene verklaring is
niet meer funderend dan de andere verklaring)
Holistisch: het geheel is meer dan de delen. Elk deel van een systeem wordt bepaald door de
andere delen en hun onderlinge relatie
Dynamic system models: er is geen enkele factor of element in het kind-omgeving systeem
dat gedrag of ontwikkeling stuurt
- Gedrag zit in de interactie tussen brein-lichaam-taak-en omgeving
- Ontwikkeling is geen lineair proces maar dynamisch: fasen van stabiliteit worden
afgewisseld door sprongen en tijdelijke regressies
Embodiment: belichaming. Er bestaat een dynamische wisselwerking tussen het
zenuwstelsel, het lichaam en de omgeving. Het ene element is niet belangrijker dan het
andere
- Cognitie ontstaat in de interactie tussen persoon en omgeving
- Geen onderscheid tussen gedrag en cognitie
Ecologische psychologie (Gibson): informatie zit niet in iemands hoofd maar in de omgeving
- Kinderen leren door perceptie-actie koppelingen
- Kinderen leren de affordances (actiemogelijkheden) van hun omgeving kennen
Constraints: beperkingen of begrenzing.
- Developmental constraints: begrenzing van de groeipotentie/ variatie van het fenotype