HOORCOLLEGE & LITERATUUR WEEK 4
Opsporing (132a Sv): Onderzoek naar strafbare feiten, uitgevoerd onder gezag van de OvJ en gericht op het nemen
van strafvorderlijke beslissingen. Het kernpunt is dat de politie onder regie van het OM opereert.
Het is belangrijk dat bijzondere opsporingsmethoden een eigen wettelijke basis hebben. Drie redenen:
1. Ze maken meer dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van burgers.
2. Ze vormen een risico voor de integriteit en beheersbaarheid van het overheidsoptreden
3. De wettelijke regeling versterkt de gezagspositie van de OvJ over de opsporing.
Wet BOB in het Wetboek van Strafvordering
De Wet BOB is geen losse wet, maar is opgenomen in Sv, verdeeld over drie blokken:
1. Klassieke opsporing (Titel IVA): redelijk vermoeden van schuld (27 Sv).
2. Proactieve opsporing/ vroegsporing (Titel V): het beramen bij bepaalde zware misdrijven, waarvan wordt
vermoed dat deze in georganiseerd verband zullen worden gepleegd is de ondergrens.
3. Terroristische misdrijven (Titel VB-VC): al bij aanwijzingen van een terroristisch misdrijf mogen bijzondere
bevoegdheden worden ingezet.
De aanloop: waarom was de Wet BOB nodig?
1 | De IRT-affaire
Het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht was opgezet om de georganiseerde criminaliteit aan te
pakken. In de praktijk ging het mis, het team zette criminele burgerinformaten in en liet grote partijen drugs het land
binnenkomen, zogenaamd om zo de grote bazen in beeld te krijgen. Maar de OvJ had geen idee wat er gebeurde en
het bleek dat sommige politiemensen zelf betrokken waren bij de drugshandel.
2 | De Parlementaire Enquêtecommissie van Traa (1996)
Die commissie onderzocht de IRT-affaire en constateerde drie crises:
1. Normeringscrisis: geen duidelijke regels over wat de politie wel en niet mocht
2. Organisatiecrisis: chaos in de samenwerking
3. Gezagscrisis: het OM had geen grip op de politie.
Het Zwolsman-arrest (HR 1995)
Nog voor de Wet BOB werd dit arrest een belangrijke katalysator. In deze zaak hadden opsporingsambtenaren van
alles gedaan: mensen schaduwen, foto’s maken op de openbare weg, voorwerpen meenemen, vingerafdrukken
afnemen. Het probleem was dat geen van die handelingen gebaseerd was op een specifieke wettelijke basis. De politie
leunde op heel algemene bepalingen (3 Politiewet jo. 141 Sv).
à De HR oordeelde dat dit kon, maar alleen zolang het een beperkte inbreuk op grondrechten opleverde.
Een voorbeeld uit dezelfde zaak: de politie gebruikte de betredingsbevoegdheid uit de Opiumwet om loodsen binnen
te gaan en rond te kijken (zogenaamde inkijkoperaties). Maar die betredingsbevoegdheid was bedoeld om spullen in
beslag te nemen, niet om juist niets mee te nemen en alleen maar rond te kijken. De wetgever heeft dit later opgelost
door een specifieke wettelijke basis te creëren: 126 k voor inkijkoperaties.
Daarnaast ging de politie ook door vuilniszakken van verdachten zoeken. De HR zei als je een vuilniszak op straat zet,
geef je de inhoud eigenlijk prijs, dat is dan geen inbreuk op je privacy. Maar de HR benadrukte wel dat de politie alles
netjes moet opschrijven (de verbaliseringsplicht van 152 Sv), ook als er nog geen concrete verdenking is en je pas bezig
bent met het verzamelen van materieel dat tot een verdenking zou kunnen leiden.
Belangrijk: onrechtmatige opsporing leidt zelden tot uitsluiting van bewijs. Dat er iets fout is gegaan bij de opsporing
betekent lang niet altijd dat het gevonden bewijs ook daadwerkelijk terzijde wordt geschoven. Dit komt later terug.
Doelstellingen van de Wet BOB
1. Integriteit en beheersbaarheid van de opsporing (à oplossing normeringscrisis)
, Als de opsporing inbreuken op fundamentele rechten met zich meebrengt, dan moet daar een duidelijke en
specifieke wettelijke bevoegdheid voor bestaan. Geen opsporing meer op basis van vage algemene
bepalingen. Daarnaast blijven doelbinding, proportionaliteit en subsidiariteit van belang.
2. Hiërarchische controle
De OvJ wordt weer nadrukkelijk de leider van het opsporingsonderzoek. Voor de meest ingrijpende
bevoegdheden moet zelfde de rechter-commissaris eraan te pas komen.
Transparantie is essentieel: alles moet schriftelijk worden verantwoord, zodat achteraf zowel de rechter als
de verdediging kan controleren of de politie zich aan de regels heeft gehouden.
3. Effectieve opsporing van (georganiseerde) criminaliteit
Er worden nieuwe bevoegdheden gecreëerd, waaronder de mogelijkheid om burgers bij de opsporing te
betrekken.
Belangrijk: opsporing wordt ook mogelijk in proactieve fase (vroegsporing), dus voordat er een concrete
verdachte of een voltooid strafbaar feit is.
Vroegsporing (proactieve fase): 126o Sv e.v.
Dit is een van de grote vernieuwingen van de Wet BOB. Alleen mogelijk bij:
1. Redelijk vermoeden: geen concrete verdenking tegen een specifiek persoon)
2. Georganiseerd verband
3. Misdrijven worden beraamd of gepleegd
4. Misdrijven als omschreven in 67 lid 1 Sv (vierjaarsfeiten)
Let op: het gaat niet om één enkel misdrijf, maar om misdrijven in meervoud
5. Misdrijven moeten een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.
o Gezien hun aard of
o Door samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of
gepleegd.
Praktijk: vroegsporing wordt weinig gebruikt, omdat het materiele strafrecht voorbereidingshandelingen en poging
tot zelfstandig strafbaar stellen en gelden als een voltooid delict. Op dat moment heb je al een concrete verdenking
en kun je de klassieke opsporingsbevoegdheden uit Titel lVA gebruiken.
Proportionaliteit & subsidiariteit: het gradatiesysteem
De Wet BOB kent een systeem van gradaties. Hoe ingrijpender de bevoegdheid, hoe zwaarder de vereisten.
Stelselmatig iemand observeren is minder ingrijpend dan het afluisteren van gesprekken in iemand woning.
1 | Proportionaliteit: de verdenkingsdrempel
- Lichtste niveau: verdenking van een misdrijf
- Zwaarder: verdenking van een misdrijf als omschreven in 67 lid 1 Sv (vierjaarsfeiten)
- Nog zwaarder: verdenking van een misdrijf als omschreven in 67 lid 1 Sv, dat gezien zijn aard of samenhang
met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
- Zwaarste niveau: verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67 lid 1 Sv, waarop bovendien een
gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld.
à Bijvoorbeeld: het afluisteren in een woning (126l lid 2 Sv, OVC in woning) of de hackbevoegdheid (126nba
lid 1 sub d en e Sv).
Wat is een ‘ernstige inbreuk op de rechtsorde’?
De HR heeft geen hard criterium gegeven, maar laat zien dat ook minder ernstige misdrijven daaronder kunnen vallen
als de concrete feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. (HR Toetsing BOB-bevoegdheden).
- Voorbeelden: diefstal van een telefoon uit een brandweerauto of stropen in georganiseerd verband.
- Geen discussie: georganiseerde drugshandel, levensdelicten, zwaardere zedendelicten.
2 | Subsidiariteit: de noodzaak
Bij elke bevoegdheid staat een noodzakelijkheidseis, in twee varianten:
- ‘In belang van het onderzoek’
- ‘Indien het onderzoek het dringend vordert’
Wie controleert voorafgaand aan toepassing?
Ook hier een oplopend systeem van controle, gekoppeld aan de zwaarte van de bevoegdheid:
1. Opsporingsambtenaar
, 2. Hulpofficier van justitie
3. Na bevel OvJ: Met daarboven soms nog toestemming van het College van PG’s en Centrale
Toetsingscommissie.
4. Na machtiging RC: HR Post-prokuratuur en Post-Landeck.
De bevoegdheden zelf: overzicht
De bevoegdheden komen steeds in tweetallen: eerst voor de klassieke opsporing (Titel IVA), tweede voor de
vroegsporing (Titel V):
Stelselmatige observatie (126g / 126o) – Uit HR Intensieve surveillance volgt de vraag: wanneer is observatie nog niet
stelselmatig? Dat is relevant omdat niet-stelselmatige observatie geen BOB-bevel vereist.
Stelselmatig inwinnen van informatie (126j / 126qa) – het gericht en herhaaldelijk informatie verzamelen over een
persoon, zonder dat die persoon weet dat hij met een opsporingsambtenaar of informant te maken heeft. Dit artikel
vormt inmiddels ook de basis voor de zogeheten "Mr. Big"-methode, waarbij undercoveragenten een neporganisatie
opzetten om een verdachte een bekentenis te ontlokken.
- Het is geen infiltratie, omdat de participatie niet zover gaat dat er wordt deelgenomen of medewerking wordt
verleend. Het is ook geen observatie, omdat de activiteit wel verdergaat dan alleen waarnemen.
Pseudokoop of pseudodienstverlening (126i / 126q) – een opsporingsambtenaar doet zich voor als koper of
dienstverlener, bijvoorbeeld om drugs te kopen van een dealer.
à Door burgers: 126ij / 126z
Infiltratie (126h / 126p) – een opsporingsambtenaar of burgerinfiltrant wordt binnen een criminele organisatie
geplaatst.
- Voor infiltratie kan het nodig zijn dat de infiltrant zelf strafbare feiten moet plegen om niet op te vallen. Mocht
de infiltrant worden vervolgd, dan kan hij terugvallen op 43 Sr (strafuitsluitingsgrond ambtelijk bevel) en op
het vertrouwensbeginsel.
à Burgerinfiltratie: 126w / 126x.
Inkijkoperatie (126k / 126r) – het betreden van een besloten plaats om rond te kijken, zonder iets in beslag te nemen.
Opnemen vertrouwelijke communicatie; OVS (126l / 126s) – ook wel "direct afluisteren" genoemd.
- Vertrouwelijke communicatie: ‘de uitwisseling van berichten tussen twee of meer personen die in
beslotenheid plaatsvindt.’
Telefoontap (126m / 126t) – het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken.
Opvragen van verkeersgegevens (126n / 126u) – het opvragen van gegevens over wie wanneer met wie heeft gebeld,
hoe lang, en vanaf welke locatie (niet de inhoud van het gesprek zelf).
Bijstand aan de opsporing door burgers (Titel VA) – een apart kader voor de inzet van burgers bij
opsporingsactiviteiten.
Extra: Burgers kunnen ingezet worden, dan moet er een overeenkomst worden gesloten (126w lid 5, 126x lid 4, 126zu
lid 5, 126z lid 4 en 126zt lid 3). Het is alleen toegelaten wanneer er sprake is van het volgende:
- Voldaan aan proportionaliteit en subsidiariteit
- Moet onder streng regime van waarborgen
- Kan enkel bij zeer gesloten criminele groeperingen
- Alleen in korte trajecten
- Geen gebruik gemaakt worden van groei infiltranten
- Toestemming van minister is vereist
Latere aanvullingen in de loop der jaren
Opvragen gebruikersgegevens telecom (126na / 126ua) – wie is de houder van telefoonnummer? (2001)
Vorderen gegevens (126nc-126nh / 126uc-126uh) – verschillende mogelijkheden: (2006)
, - 126nc Sv: identificerende gegevens (naam, adres etc)
- 126nd Sv: inhoudsgegevens (bijv. betalingsgegevens, dienstverlening)
- 126ne Sv: toekomstige inhoudsgegevens
- 126nf Sv: gevoelige gegevens (godsdienst, ras, politieke gezindheid, gezondheid of seksuele leven)
Vorderen camerabeelden (126nda / 126uda) (2018)
Terroristische misdrijven (Titel Va en Vb) – alle bovengenoemden bevoegdheden worden ook mogelijk bij
aanwijzingen van terroristische misdrijven toegepast, met een lagere drempel dan bij klassieke of proactieve
opsporing. (2007)
Hackbevoegdheid (126nba / 126uba) – Ingevoerd met de Wet Computercriminaliteit III. (2019)
Belangrijke aandachtspunten: de Algemene regels (Titel VD)nc
- Vorderingen richten zich niet altijd tegen de verdachte: Een telefoontap of OVC kan juist gericht zijn op derde,
zoals familielid of zakenpartner. Die derde kan dan gedwongen worden om mee te werken.
- Verschoningsrecht ene bronbescherming: Bepaalde beroepsbeoefenaren, met name advocaten, kunnen niet
zomaar het object worden van een telefoontap.
- Notificatieplicht: Als er informatie wordt verzameld over een bepaald persoon, dan moet die persoon dat
uiteindelijk te horen krijgen.
- Vrijwillige medewerking
- Instigatieverbod (HR Uitlokkingsverbod): Dit speelt vooral bij undercoveroperaties. De politie mag een
verdachte niet verleiden tot het plegen van strafbare feiten die hij zonder niet zou hebben gepleegd.
- Aanvullende regelgeving OM: Naast de wet zelf zijn er aanwijzingen van het OM die nadere regels stellen.
à De Aanwijzing advisering door de Centrale Toetsingscommissie en de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden
bevatten aanvullende vereisten, waaronder de eis van toestemming van het College van Procureurs-Generaal
voor de zwaarste bevoegdheden en advies van de Centrale Toetsingscommissie.
Let op: de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden is per 1 mei 2026 grotendeels ingetrokken.
Het begrip ‘stelselmatig’:
Observeren en informatie inwinnen is gewoon politiewerk, maar zodra die observatie stelselmatige vormen
aanneemt, vindt de wetgever de inbreuk op de privacy zo groot dat er een specifieke wettelijke basis voor nodig is.
Observatie kan een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen (10 Gw, 8 EVRM en 17 IVBPR).
Deze inbreuken mogen bij wet in formele zin worden beperkt.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
1. Dynamische observatie: het volgen van een persoon
2. Statische observatie: het waarnemen van de aanwezigheid of het gedrag van een persoon.
Het kan ook de vorm aannemen van het stelselmatig volgen van de activiteiten.
HR Intensieve Surveillance
Observatie is niet stelselmatig zolang het een ‘niet meer dan beperkte’ inbreuk op de privacy oplevert. In dat geval
volstaat de algemene taakstelling van 3 Politiewet jo. 141/142 Sv en is er geen bevel nodig. Dat betekent dat niet-
stelselmatige observatie zelfs zonder verdenking kan plaatsvinden.
De observatie wordt wel stelselmatig als er “min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijke
leven van de betrokkene” wordt verkregen. Of dat het geval is, moet worden vastgesteld aan de hand van factoren
die de HR in het arrest heeft benoemd.
à Dan is er wel een bevel op grond van 126g Sv nodig.
De EVRM-toets: 8 EVRM
Boven alles hangt het recht op privacy, maar dat recht is niet absoluut. Een inmenging kan gerechtvaardigd zijn als aan
5 voorwaarden is voldaan:
1. Inmenging in de privacy
2. Door openbaar gezag
3. De inmenging moet bij wet voorzien zijn (in accordance with the law) à EHRM Dragojevic