SYSTEEM WEEK 11 – RECHTSHANDELINGEN, DE OVEREENKOMST EN
WILSONTBREKEN
Een rechtshandeling is een handeling die iemand verricht met de bedoeling een bepaald
rechtsgevolg tot stand te brengen. Een feitelijke handeling is daarentegen niet gericht op het
creëren van een bepaald juridisch gevolg. Uit deze handelingen ontstaan, indien dit uit de wet
voortvloeit, verbintenissen (art 6:1 BW). Voorheen ontstonden verbintenissen enkel en alleen als
het specifiek in de wet stond, maar sinds HR Quint/Te Poel werd dit uitgebreid tot ‘voortvloeien’.
De handelingen moeten bij de systematiek van de wet passen om tot een verbintenis te leiden;
dit creëert wat ruimte.
Verbintenissen zijn vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen tussen 2 partijen – schuldeiser
(vordering) en schuldenaar (schuld) – met wederzijdse verplichtingen tegenover elkaar.
Nakoming van een verbintenis is afdwingbaar bij de rechter. Er bestaan verschillende bronnen
van verbintenissen, verdeeld onder rechtshandelingen en feitelijke handelingen:
- Rechtshandelingen – meerzijdige handelingen (overeenkomst), eenzijdig gerichte (bijv.
opzegging van een huurcontract) en eenzijdig niet-gerichte (bijv. testament);
- Feitelijke handelingen – onrechtmatige daad (art 6:162 BW), onverschuldigde betaling
(art 6:203 BW), onrechtvaardige verrijking (art 6:212 BW) en zaakswaarneming (art 6:198
BW).
Aan rechtshandelingen hangen verder nog een aantal constitutieve vereisten. De handelende
persoon moet (1) de wil hebben om (2) een bepaald rechtsgevolg te bewerkstelligen en (3) deze
wil moet zich door een verklaring hebben geopenbaard (art 3:33 BW).
Overeenkomsten
Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens
elkaar een verbintenis aangaan (art 6:213 BW). Het komt tot stand door een aanbod van de ene
partij en de aanvaarding van de wederpartij (art 6:217 BW). Dit zijn beide eenzijdig gerichte
rechtshandelingen; er moet dan ook voor zowel het aanbod als de aanvaarding aan de vereisten
van rechtshandelingen zijn voldaan.
Een aanbod mag op elk tijdstip worden herroepen, voordat deze is aanvaard, tenzij er een
tijdsbepaling is gegeven (art 6:219 BW). Een vrijblijvend aanbod mag daarentegen ook nog
onverwijld (zonder onnodige vertraging) na de aanvaarding worden herroepen (lid 2). Een
mondeling aanbod vervalt, wanneer deze niet direct wordt aanvaard en een schriftelijke,
wanneer deze niet binnen redelijke termijn wordt aanvaard (art 6:221 lid 1 BW). Een verklaring
heeft pas werking wanneer deze de wederpartij heeft bereikt (art 3:37 lid 3 BW). Voor de
verklaring de wederpartij heeft bereikt, kun je hem nog intrekken (lid 5); herroepen mag dan nog
wel. In HR Hofland/Hennis werd bepaald dat niet alles direct een aanbod is. Zo is een
advertentie van een huis in de krant niet direct een aanbod, maar slechts een uitnodiging om in
onderhandeling te gaan. Dit betreft individueel bepaalbare zaken met speciale kenmerken, dus
geen massaproducten zoals een televisie.
1
,Het overeenkomstenrecht kent verder nog een aantal beginselen:
- Contractsvrijheid – in beginsel hebben partijen de vrijheid om te bepalen met wie zij een
contract sluiten, wat de inhoud is en wanneer ze dit doen. De begrenzing ligt hier echter
wel in de goede zeden, openbare orde en dwingende wetsbepalingen (art 3:40 BW);
- Vormvrijheid – overeenkomsten zijn vormvrij (art 3:37 lid 1 BW). Een verklaring kan in
beginsel in elke vorm geschieden en kan zelfs in een gedraging besloten liggen. Voor
sommige overeenkomsten eist de wet echter specifiek een geschrift, zoals bij de koop
van een woning (art 7:2 BW);
- Verbindende kracht (pacta sunt servanda) – overeenkomsten moeten worden
nagekomen, tenzij dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
zou zijn (art 6:248 lid 2 BW, beperkende werking).
Wilsontbreken
Indien er een discrepantie bestaat tussen de interne wil en de uiterlijke verklaring (bijv. door een
verspreking of andere onjuiste overbrenging), spreekt men van wilsontbreken en is niet aan de
voorwaarden van art 3:33 BW voldaan. In beginsel komt er dan geen rechtshandeling tot stand;
de verklaring is van rechtswege nietig.
Ook een geestelijke stoornis in de zin van art 3:34 BW kan tot wilsontbreken leiden. Dit artikel
omvat alle vormen van stoornissen van geestvermogens, ongeacht de oorzaak of duur ervan (het
hoeft geen ziektebeeld te zijn). Denk hiervoor aan blijvende stoornissen zoals psychische
aandoeningen, tijdelijke stoornissen zoals verstrooidheid en angsten, maar ook toestanden van
intoxicatie door alcohol of drugs. Indien er ten tijde van een geestelijke stoornis een verklaring is
afgelegd, omschrijft het artikel 2 situaties waarin de wil van de handelende persoon wordt
geacht te ontbreken:
(1) De stoornis heeft een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen
(risico’s en gevolgen) belet. Handelende persoon moet dit zien te bewijzen;
(2) De verklaring is onder invloed van de stoornis gedaan. Omdat dit lastiger te bewijzen is,
heeft de wet hier een bewijsvermoeden toegevoegd: al was de rechtshandeling nadelig
voor de handelende persoon, wordt deze vermoed onder invloed van de stoornis te zijn
gedaan. Let op: handelingen om baat zijn vaak niet nadelig, omdat je er iets voor terug
hebt gekregen. Het gaat hier eerder om schenkingen. Tegen het bewijsvermoeden staat
tegenbewijs open voor de wederpartij, maar al is dit er niet of onvoldoende wordt het
bewijsvermoeden geactiveerd en wordt de wil geacht te ontbreken.
Handelende persoon moet dus zien te bewijzen dat hij/zij een stoornis heeft en zijn wil ontbrak
bij het handelen. Indien een dergelijk beroep slaagt, is de rechtshandeling vernietigbaar (of bij
een eenzijdige ongerichte rechtshandeling nietig) (art 3:34 lid 2 BW).
Indien de wederpartij van de rechtshandeling echter vertrouwde op de aanwezigheid van de wil,
kan de wilsvertrouwensleer van art 3:35 BW het wilsontbreken repareren (HR Eelman/Hin). Dit
gebeurd niet automatisch, maar je kunt je hier als wederpartij op beroepen. Het vertrouwen van
de wederpartij moet hiervoor gerechtvaardigd zijn, wat wordt getoetst aan de feiten en
omstandigheden van het geval. Hij/zij moet te goeder trouw zijn (art 3:11 BW) en bij reden van
twijfel, verplichten bepaalde situaties hem tot nader onderzoek:
- Plaats/context van de handeling – aan een borreltafel mag je minder snel op er ernst van
een verklaring vertrouwen dan in een zakelijke setting;
2
, - Deskundigheid van de wederpartij – bij een taalbarrière (HR Hajziani/Van Woerden) of
gebrek aan deskundigheid van de verklarende partij, rust op de professionele partij een
zwaardere onderzoeksplicht;
- Aanmerkelijk nadeel – als een verklaring grote negatieve gevolgen heeft voor de
handelende persoon, is het minder aannemelijk dat een verklaring gemeend is;
- Bedenktijd – hoe lager handelende persoon nadenkt over een beslissing, hoe
aannemelijker dat een verklaring gemeend is.
Zelfs als aan de vereisten van art 3:35 BW is voldaan, kan de beperkende werking van de
redelijkheid en billijkheid toch verhinderen dat iemand aan zijn verklaring wordt gehouden (art
6:248 lid 2 BW). In HR Westhoff/Spronsen werden hier de volgende voorwaarden voor
genoemd:
- De verklaring moet zijn afgelegd onder een hevige gemoedsbeweging of geestelijke
toestand;
- De verklaring moet ingrijpende gevolgen hebben voor de handelende partij;
- Het niet doorgaan van de rechtshandeling mag geen nadeel opleveren voor de
wederpartij.
Mocht hieraan zijn voldaan, komt de rechtsverhouding voortvloeiende uit de overeenkomst niet
tot stand. De rechter toetst dit echter terughoudend. In HR S/MS ging een dergelijk beroep wel
op.
Nolents zijn degenen die zich beroepen op een wilsontbreken en fidents beroepen zich op 3:35
BW.
Stappenplan bij geestelijke stoornis (art 3:34 BW)
(1) Is er sprake van een geestelijke stoornis volgens art 3:34 BW en wat voor een?
(2) Heeft de gestoorde iets verklaard wat hij/zij achteraf niet wilde?
(3) Wordt de wil geacht te ontbreken?
a. Is er een beletting in de redelijke waardering van de bij de handeling betrokken
belangen of;
b. Is de verklaring afgelegd onder invloed (bewijsvermoeden)?
Zo ja, is er sprake van wilsontbreken en dus is de rechtshandeling vernietigbaar met
terugwerkende kracht;
(4) Is er sprake van gerechtvaardigd vertrouwen volgens art 3:35 BW? Zo ja, blijft de
rechtshandeling in stand;
(5) Kan het wilsontbreken worden gerepareerd met de redelijkheid en billijkheid?
SYSTEEM WEEK 12.1 – HANDELINGSONBEKWAAMHEID , WILSGEBREKEN EN
VERNIETIGING
Handelings(on)bekwaamheid
Het al dan niet kunnen verrichten van rechtshandelingen, wordt handelings(on)bekwaamheid
genoemd. In beginsel is iedereen handelingsbekwaam en mag dus rechtshandelingen aangaan,
voor zover de wet niet anders bepaalt (art 3:32 lid 1 BW). De wet kent twee categorieën van
handelingsonbekwamen:
- Minderjarigen (art 1:234 BW) – kinderen onder de 18 zijn handelingsonbekwaam, tenzij
hij voor een specifieke rechtshandeling expliciet toestemming heeft gekregen van zijn
wettelijk vertegenwoordiger (lid 1 en 2) of het een rechtshandeling betreft die volgens de
3