Werkvorm MYSTERIE
Vakinhoud: Bron & vraagstelling
Bron & bewijsvoering
Ontwerpprinci Probleem oplossen
pes feedback
voorwaarden 1) sluit aan bij voorkennis leerlingen
2) ga uit van duidelijke leerdoelen
3) begin met ‘cognitieve wrijving’
4) stel een open vraag die je kunt
onderzoeken
5) gebruik bronnen met en zonder
aanwijzingen
6) voor leerlingen uitvoerbaar
7) feedback: reflecteer op stappen
werkvorm DIAMANT
Vakinhoud belang oorzaak & gevolg wegen op basis van
reikwijdte, frequentie, keerpunt en duur
ontwerprpinci Modelleren
pes zichtbaar maken
voorwaarden 1) formuleer leerdoelen van causaal
redeneren
2) formuleer een centrale vraag in relatie tot
die leerdoelen
3) neemt duidelijk onbelangrijke oorzaken in
de opdracht op
4) modelleer: doe het voor aan de hand van
een alledaags voorbeeld
5) laat leerlingen oefenen met een tweede
alledaags voorbeeld
6) leerlingen moeten actief handelen:
knippen en in de diamant leggen
7) leerlingen werken samen: maakt het
denken zichtbaar
8) leerlingen beoordelen elkaars werk:
maakt het denken zichtbaar
9) bespreek de diamantopdracht na:
reflecteer op de wegingscriteria
,werkvorm LEVENSLIJN
vakinhoud • chronologie &
periodiseren
• contextualiseren &
historische inleving
ontwerpprinci • visualiseren
pes • geleide oefening
voorwaarden 1) sluit aan bij voorkennis leerlingen
2) vaste reeks gebeurtenissen op een tijdlijn
3) bevat tegengestelde perspectieven
4) is gericht op inleving
(standplaatsgebondenheid)
5) is stapsgewijs (geleidelijk) opgebouwd
6) Visualisatie: grafiek tekenen met
verschillende kleurtjes
7) opdrachtblad voor beargumenteerde
interpretaties
8) samenwerkend leren met reflectie
Werkvorm VELDWERK
vakinhoud • betekenisgeving
•erfgoededucatie
Ontwerpprinci •Omgevingsonderwijs
pes
Voorwaarden 1) stelt de leefomgeving van leerlingen
centraal
2) prikkelt de zintuigen (kijken, luisteren,
voelen, ruiken)
3) laat zien dat het bestempelen van
erfgoed een kwestie van
betekenisgeving is
4) maakt verschillende perspectieven (en
belangen) zichtbaar
5) zet erfgoed in als didactisch middel om
historisch denken te stimuleren
6) bevordert actief en samenwerkend leren
,Theorie Havekes, Hoe leren leerlingen geschiedenis?
Wat is historisch contextualiseren?
Historisch contextualiseren betekent dat je informatie uit het verleden plaatst in
de juiste: tijd, plaats, historische ontwikkelingen, gebeurtenissen.Zo kun je
begrijpen waarom mensen vroeger dachten en handelden zoals ze deden. Dit is
een belangrijk onderdeel van historisch denken en redeneren.
Het artikel bespreekt hoe leerlingen denken over historische kennis. Dat noemt
men epistemologie: hoe je kennis verkrijgt en wat je met die kennis doet. De
manier waarop leerlingen geschiedenis begrijpen hangt sterk af van hun
epistemologische houding. Docenten zouden leerlingen moeten helpen groeien
van:
Volgens Maggioni zijn er drie houdingen (stances):
1. Copier stance (laagste niveau)
Deze leerlingen denken dat geschiedenis bestaat uit feiten die je zo
nauwkeurig mogelijk moet reproduceren. Kenmerken: Veel feiten en
jaartallen onthouden, leggen weinig verbanden tussen feiten en denken
vaak dat er maar één juist antwoord bestaat. Op de vraag "Wie was Karel
de Grote?" geven ze vooral feiten zoals geboortejaar, sterfjaar en kroning.
2. Borrower stance (middenniveau)
Deze leerlingen begrijpen dat geschiedenis interpretatie is en gebaseerd is
op bronnen. Kenmerken: Gebruiken bronnen om antwoorden te formuleren.
Zien geschiedenis als meningen gebaseerd op bronnen. Zien experts,
docenten en schoolboeken vaak als autoriteiten die het "echte" antwoord
kennen.
Risico: Ze begrijpen dat er interpretaties zijn, maar weten nog niet goed
hoe historici bepalen welke interpretatie sterker is.
3. Criterialist stance (hoogste niveau)
Dit is de houding die historici zelf gebruiken. Kenmerken: Geschiedenis is
een constructie van het verleden. Interpretaties moeten worden
onderbouwd met argumenten en bronnen. Historisch redeneren gebeurt
volgens vakspecifieke regels. Leerlingen begrijpen dat perioden discutabel
zijn en begrippen verschillende betekenissen kunnen hebben.
Voorbeeld: Bij de vraag "Wie was Karel de Grote?" vragen ze eerst: In
welke context? Voor zijn eigen tijd?
, Kirschner, Claessens & Raaijmakers, Op de schouders van reuzen.
Blz 34 – 37, 76 – 90, 130 – 136,
5. Spreek tot de verbeelding
Dual Coding Theory (DCT) stelt dat mensen informatie verwerken via twee
geheugensystemen:
een verbaal systeem (woorden → logogens)
een non-verbaal systeem (beelden/ervaringen → imagens)
Ons geheugen bevat twee verwerkingssystemen: een verbaal en een non-verbaal
systeem. Wanneer beide systemen tegelijk worden aangesproken, onthouden
leerlingen informatie significant beter.
Waarom beelden zo krachtig zijn
Beelden sluiten direct aan op de echte wereld.
Woorden zijn abstracte symbolen; beelden zijn concreet en roepen sneller
associaties op.
Door woorden én beelden te combineren, ontstaan sterkere
geheugensporen.
Voorbeeld: Het woord tennisbal roept minder op dan het beeld, gevoel en geluid
van een tennisbal.
Iedereen gebruikt beide systemen Het idee dat er “beelddenkers” en
“taaldenkers” bestaan, klopt niet. Iedereen leert het beste wanneer beide
systemen samenwerken.
Wat werkt volgens DCT?
Gebruik beelden én woorden samen.
Gebruik concrete voorbeelden om abstracte begrippen uit te leggen.
Laat leerlingen zelf tekenen, visualiseren of beschrijven.
Zorg voor echte ervaringen (excursies, materialen, objecten).
1.2 Beter leren in context
Leren vindt altijd plaats in een context, en dat die context bepaalt wat en hoe
leerlingen leren. Op school leren kinderen vaak abstract en los van de echte
wereld, terwijl leren in het dagelijks leven juist plaatsvindt in betekenisvolle
situaties. Daardoor ontstaat een kloof tussen schoolse kennis en toepassing in
het echte leven.
Waarom schoolse kennis niet vaak blijft hangen:
Leerlingen leren op school vooral regels, algoritmes en vaste opdrachten.