Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Toetsdoelen Diversiteit | Social Work | Hogeschool Viaa

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
40
Geüpload op
15-06-2026
Geschreven in
2025/2026

Dit document bevat de toetsdoelen voor het vak Diversiteit in de opleiding Social Work aan Hogeschool Viaa. De toetsdoelen heb ik beantwoord a.d.h.v. de college-aantekeningen, de bijbehorende artikelen en de volgende boeken: - Diversiteit in de samenleving - Psychiatrie voor de sociaal werker (Hst 1) - Kan ik daar wat aan doen (Hst 8-10).

Meer zien Lees minder

Voorbeeld van de inhoud

Toetsdoelen Diversiteit
Algemene introductie over diversiteit

De student kan uitleggen wat (super) diversiteit inhoud en welke betekenis het heeft voor professionals.
Diversiteit: de verscheidenheid van mensen. De term gaat uit van een verschil, van het andere, of van het niet
een eenheid zijn van een bepaalde verzameling of cultuur.
Superdiversiteit: het gaat niet meer alleen over de verscheidenheid aan afkomst, maar dat er een grote
diversiteit binnen de diversiteit is. Deze complexiteit dwingt ons om onze eigen fundamenten en
vanzelfsprekendheden telkens opnieuw te bevragen en met andere ogen te leren kijken naar de sociale realiteit
om ons heen.

“Het is niet langer voldoende om diversiteit alleen te bekijken vanuit etniciteit. Er zijn aanvullende variabelen
nodig, zoals verschillen in immigratiestatus en de rechten en restricties die daaraan verbonden zijn, verschillen
in ervaringen op de arbeidsmarkt, verschillen in leeftijd en geslacht, patronen van geografische spreiding, en de
verdeelde lokale reacties van instanties en bewoners. De interactie van al deze factoren kunnen we aanduiden
met de term ‘superdiversiteit’.”

Voor onderzoek betekent het dat we niet langer uit kunnen gaan van alleen land van herkomst en/of etniciteit
als manier om diversiteit te bekijken en analyseren. We moeten ook de andere dimensies zo veel mogelijk in
beeld brengen. Door zicht te houden op superdiversiteit, en de invloed die dit kan hebben op individuen en
groepen, kunnen we de zorg veel beter afstemmen op de noden en vragen van individuen. Dit vraagt om een
open en transparante houding, met voldoende ruimte voor dialoog. Ook moet de professional in het sociale
domein oog hebben voor superdiversiteit, en de kennis en (gespreks)vaardigheden hebben om de verschillende
aspecten en dimensies van superdiversiteit bespreekbaar te maken in gesprekken. Ook voor vooroordelen en
discriminatie geldt dat de complexiteit toeneemt, en dit kan het moeilijker maken om patronen van
ongelijkheid en uitsluiting te herkennen en tegen te gaan. Door de toenemende diversiteit binnen de diversiteit
ontstaan er ook nieuwe patronen in de manier waarop mensen met elkaar in contact komen, en in de mate
waarin minderheidsgroepen wel of niet afgezonderd leven. Het is belangrijk om de ontwikkeling op dit gebied
goed te volgen.

De student weet hoe G. Wekker intersectioneel-denken of kruispuntdenken uitlegt en hoe zich dat verhoudt
tot dynamisch denken, inclusiviteit, verwevenheid en gelijktijdigheid en meervoudigheid en
diversiteitsbewuste communicatie.
Intersectionaliteit verwijst naar de intersecties (kruisingen) van de verschillende ordeningsprincipes die
gelijktijdig en met elkaar verweven zijn in het snijpunt. Iemand is bijv. niet alleen een man, maar een man met
tegelijkertijd een bepaalde ethische achtergrond, klasse, seksuele identiteit en religie. Bijv: Turkse, rijke, hetero
moslimman. Wekker benadrukt dat het gangbare denken het denken is zoals we het geleerd hebben; dat is
vanuit het of-of perspectief, zoals: man óf vrouw.

Wekker geeft de voorkeur aan een benadering waarbij de combinatie van diverse ordeningsprincipes, bijv.
gender en identiteit, gelijktijdig, en in wisselwerking met elkaar tot stand komen. Zij noemt dit
kruispunt/intersectioneel denken. Bij een intersectionele benadering bestaat iemand uit verschillende
deelidentiteiten samen (meervoudige identiteit), die maken wie hij/zij in zijn/haar totaliteit is.

Het uitgangspunt bij intersectioneel denken is dat iedereen zich bevindt op een kruispunt/snijpunt van assen
van betekenis, waar combinaties van maatschappelijke positioneringen gelijktijdig en verweven met elkaar
samenkomen. Intersectionaliteit gaat in tegen het wij-zij-denken, dat verbinding in de weg staat. Het staat voor
‘ons’-denken: meervoudig en inclusief denken.



Intersectionaliteit is een manier van denken, handelen en kijken die gekenmerkt wordt door:

, Dynamisch denken: geen vaste hokjes. Er is ruimte voor ‘anders zijn’.
 Inclusiviteit: het gevoel van ‘erbij horen’/belonging. Belangrijke kernwaarde is waardigheid.
 Verwevenheid en gelijktijdigheid: identiteitskenmerken zijn er tegelijk en beïnvloeden elkaar. Bijv. de
negatieve beeldvorming van de domme zwarte maakt dat zwart zijn en hoogopgeleid elkaar uitsluiten.
 Meervoudigheid: iedereen heeft een meervoudig samengestelde identiteit, een identiteit die uit meerdere
deelidentiteiten bestaat. Je bent vrouw én hoogopgeleid én jong. (en-enperspectief)

Diversiteitsbewuste communicatie: betekent allereerst inclusief denken en handelen: het zich bewust zijn van
overeenkomsten en openstaan voor verschillen in de communicatie. Benader mensen met een andere ethische,
nationale of religieuze afkomst als unieke personen en niet als afgeleide van hun cultuur of religie. Ook is het
van belang verschillen, misverstanden en conflicten te deculturaliseren. Ten slotte is de professioneel in zekere
mate competentieloos: laat zich verassen, verwondert zich en is zich ervan bewust dat er in de ontmoeting met
de ander altijd een onzekerheid en niet-weten blijft wie de andere persoon is en hoe hij/zij zal reageren.

De student begrijpt de werking van in- en uitsluiting door de kennis van verschillende aspecten van
beeldvorming: Normativiteit, attitude, socialisatie, identiteit, stereotypen, vooroordelen, discriminatie,
referentiekader en sociaal constructivisme
Beeldvorming: het ontstaansproces van een beeld over een onderwerp, thema of een groep mensen. Dit beeld
wordt gevormd door de informatie die je krijgt via bijv. het internet, maar ook van onze directe omgeving.

 Normativiteit: wat als ‘normaal’ wordt gezien in de samenleving. Wie afwijkt van de norm, loopt kans om
buitengesloten te worden.
 Attitude: het geheel aan opvattingen, gevoelens en geneigdheid tot handelen t.o.v. iets of iemand. Een
negatieve attitude tegenover een groep kan leiden tot afstand nemen of uitsluiting.
 Socialisatie: proces waarbij een individu bewust en onbewust de waarden, normen, gedragingen en
cultuurelementen van hun samenleving aanleert. Als je gedrag overneemt --> insluiting. Maar als je
daarvan afwijkt word je sneller buitengesloten.
 Identiteit: het beeld of gevoel van persoonlijke eenheid dat je over jezelf hebt. Het niet erkennen van
iemands identiteit kan zorgen voor uitsluiting. Belangrijke anderen bepalen in belangrijke mate hoe wij de
werkelijkheid ervaren en hoe wij ons zelf zien. Mensen zijn hierbij steeds uit op het bewaken en verstevigen
van hun identiteit.
 Stereotypen: veronderstellingen over personen of groepen mensen die een vals, vervormd of simplistisch
beeld van de werkelijkheid geven. Stereotypen zijn vaak negatief en projecteren een imago op een groep
die een basis kan vormen voor sociale uitsluiting en discriminerend gedrag.
 Vooroordeel: een negatieve attitude bij een persoon die behoort tot een bepaalde sociale groep. De 3
componenten van de attitude (cognitief, emotioneel en conatief) vormen de basis voor het gedrag en
handelen t.o.v. die persoon of bij het nadenken en spreken over die persoon.
 Discriminatie: het maken van ongeoorloofd onderscheid. ‘Het ongelijk behandelen, achterstellen of
uitsluiten van mensen op basis van (persoonlijke) kenmerken.’
 Referentiekader: de wijze waarop jij de ander, de samenleving, de wereld om je heen waarneemt en hoe je
daar betekenis aan geeft. Gevormd door je socialisatie. Vanuit een eigen referentiekader denken heeft het
gevaar van (ver)oordelen van de ander in zich.
 Sociaal constructivisme: mensen construeren hun eigen (sociale) werkelijkheid door te interacteren met
medemensen. Er is niet één waarheid, maar er zijn er vele naast elkaar. De subjectiviteit van menselijke
waarneming en oordelen wordt tot uitgangspunt genomen. Niet dat er geen gemeenschappelijke
betekenisconstructie mogelijk is, deze is echter niet vanzelfsprekend. Mensen gaan in de omgang met de
werkelijkheid vooral af op de interpretatie ervan door de (sub)cultuur waar zij deel van uit maken.

Zowel je socialisatieproces als je referentiekader spelen een grote rol in jouw beeldvorming: stukjes informatie
uit de mediaberichten en uit jouw directe omgeving worden in je hersenen opgeslagen. Deze ideeën en beelden
beïnvloeden vervolgens (onbewust) hoe je naar een bepaald onderwerp kijkt.

,De student kent de betekenis van de begrippen Sociaal Kapitaal en Bonding en Bridging van R. Putman.
Putman beschrijft sociaal kapitaal als ‘kenmerken van sociale organisaties zoals netwerken, normen en sociaal
vertrouwen dat de coördinatie en samenwerking vergemakkelijken voor wederzijds voordeel.’ Hij stelt dat
globalisering heeft geleid tot afname van sociaal kapitaal. Putman concludeert dat als leden van een
gemeenschap elkaar vertrouwen, de handel en de democratie bloeien. Sociaal kapitaal heeft waarde voor
mensen die direct en actief aan het netwerk deelnemen, maar ook voor de mensen die minder direct betrokken
zijn.

Putman maakt onderscheidt in 2 soorten sociaal kapitaal:
Bonding: verbroederen binnen de homogene groep. Een naar binnen gekeerde vorm van sociaal kapitaal. Het
vormen van sterke banden tussen mensen van dezelfde gemeenschap of achtergrond.
Bridging: bruggen bouwen naar andere groepen. Een naar buiten gekeerde vorm van sociaal kapitaal. Bridging
is sociale contacten bouwen met andere groepen die niet hetzelfde zijn als jij. Door bridging ontstaan sterkere
netwerken die klasse, status en achtergrond overstijgen. Dit zorgt voor een andersoortige wederkerigheid:
vernieuwing en versteviging.

 In een diverse samenleving zijn beide vormen nodig. Door de combinatie van bonding en bridging neemt
het sociaal kapitaal alleen maar toe.



Culturele diversiteit

De student kent de definitie van cultuur en hoe deze gevormd wordt door verschillende cultuurelementen.
Definitie cultuur: “Een cultuur bestaat uit zichtbare uitingen (de materiële cultuur) en de onzichtbare
opvattingen of ideeën die daaraan ten grondslag liggen (de immateriële cultuur).” (Schermer)
Cultuur kleurt onze gedachten, gevoelens en gedrag, maar kleurt ook hoe wij de bedoelingen van anderen
interpreteren. Cultuur vormt de bril waarmee wij naar de wereld kijken.
Hofstede definieert cultuur als ‘de collectieve mentale programmering die de leden van een groep, of een
categorie mensen, onderscheidt van die van een andere’

Cultuurelementen – Klaas Schermer

1. Instituties: vaste samenlevingspatronen.
2. Waarden: maatstaven om gedrag te beoordelen.
3. Levensovertuigingen: religies en filosofische systemen; levensovertuigingen zijn een systematisch geheel
van opvattingen over de mensen, zijn omgeving; medemensen, planten en dieren en kosmos.
4. Normen: gedragsvoorschriften; hoe hoor je je te gedragen?
5. Gebruiken: terugkerende gewoontes, ingeburgerde handelingen. Zoals vieringen van bijzondere
gebeurtenissen in het leven, vieringen van veranderingen in tijd, religieuze gebruiken van zondag, zaterdag,
vrijdag, voorschriften over voedsel, omgang met cadeautjes en gebruiken in dagelijks leven (wassen, eten,
schoenen uitdoen).
6. Rituelen: gestandaardiseerde gebruiken. Waar rituelen hun oorspronkelijke betekenis grotendeels verloren
hebben is een vrije invulling toegestaan. In Nederland bijv.: sinterklaasfeest, Kerstmis, jaarwisseling.
7. Symbolen: tekens die een bepaalde waarde vertegenwoordigen (Vlaggen, Davidster, Kruis).
8. Helden: personen met een voorbeeldfunctie.
9. Taal: manieren om te communiceren (dominante taal – dialect/stamtaal, beleefde – grove taal, humor,
uitdrukkingen).
10. Kunsten en wetenschappen: subjectieve en objectieve beschrijvingen van de wereld.

De student kent de verschillende perspectieven op cultuur.
Cultuur als een ding: essentialistische visie op cultuur.

,  Cultuur is het eigendom (bezit) van de individuele leden van die cultuur.
 Cultuur bestaat uit verschillende lagen, waarvan de meest verborgen laag bestaat uit diep verankerde
normen en waarden. Blijven door de tijd heen hetzelfde; statisch, onveranderlijk.
 Mensen worden geprogrammeerd door hun cultuur.
 Culturen zijn net als biljartballen: als mensen uit verschillende culturen met elkaar in contact komen,
botsen ze op elkaar, maar ze zullen elkaar niet wezenlijk veranderen.
 (Het zet aan om opvattingen of gedragingen van de ander waar je het niet mee eens bent te verklaren door
de cultuur als oorzaak aan te wijzen.

Cultuur als een omgeving: contextualistische visie op cultuur.

 Cultuur is de context die mensen vormt, zonder dat ze zich daar echt van bewust zijn.
 Cultuur bevat veel verschillende componenten, maar er is niet 1 vaste kern.
 Mensen worden beïnvloed door hun cultuur, maar kunnen die cultuur zelf ook beïnvloeden en veranderen.
 Mensen van verschillende culturen kunnen, als ze met elkaar in contact komen, op elkaar botsen, maar ze
kunnen ook zaken van elkaar overnemen en met elkaar mengen.

Cultuur als een levensvorm: de constructivistische visie.

 Door mensen gevormd (geconstrueerd) en waardoor mensen zelf ook zijn gevormd. Erkent dat cultuur
enerzijds een ding is waar mensen over kunnen beschikken (wat ze hebben), maar anderzijds fungeert als
een omgeving waar ze iets aan kunnen veranderen (waar ze iets van kunnen maken).
 Een levensvorm is als een stijl: aan de ene kant ongrijpbaar, aan de andere kant direct herkenbaar. (Bv: je
herkent op vakantie een Nederlander, zonder dat je precies kan uitleggen waaraan je hen herkent.)

De essentialistische visie legt uit hoe je aankijkt tegen andere culturen, tegen culturen die je niet kent
(outsider), terwijl de contextualistische visie duidelijk maakt hoe wij onze eigen cultuur ervaren, waarmee we
vertrouwd zijn (insider).

De student weet hoe cultuuroverdracht plaats vindt.
Cultuuroverdracht = een leerproces
- Een proces van belonen en straffen --> het sociale construct wordt gebouwd.
- Een proces van verinnerlijking --> de betekenisgeving voelt als werkelijkheid.
- Een proces van verstarring --> het koesteren van de betekenisgeving van onze wekelijkheid. Daarom kunnen
we deze heftig verdedigen en roept een andere definitie weerstand op. Niemand ruilt zomaar zijn
betekenisgeving in voor een andere.

- Socialisatie: aanpassingen aan een bepaalde cultuur door lid te zijn van een kleiner subsysteem.
- Enculturatie: het (onbewust) zich eigen maken van een cultuur door erin op te groeien.
- Acculturatie: het (bewuste) proces waarin je een (sub)cultuur eigen maakt. Het resultaat van het proces (dat)
plaatsvindt wanneer volken met verschillende culturele achtergrond langdurig met elkaar in contact blijven. Er
worden elementen overgenomen van een andere cultuur dan die waarin een persoon of groep geboren is.

Gevolgen van cultuuroverdracht: enculturatie werkt vaak zo sterk dat we de volgende effecten zien:

1. Het individu is zich niet of nauwelijks bewust van het feit, dat zijn opvattingen cultuurgebonden zijn, en dat
er dus ook groepen bestaan met andere opvattingen (etnocentrisme).
2. Het individu ervaart de waarden en normen als iets wat een hogere macht hem heeft ingeprent; hij moet
zo handelen om zichzelf recht in de ogen te kunnen blijven kijken (geweten).
3. Het individu gaat andere opvattingen als onjuist ervaren en veroordelen (discriminatie).

De student kent de grove indeling van Warm-klimaat versus koud-klimaat culturen van Lanier.
Typering 1 – Sarah Lanier

Warm-klimaat cultuur Koud-klimaat cultuur
Relatiegericht Taakgericht

- Relatie als basiswaarde. - Efficiëntie als basiswaarde.
- Beslissingen op basis van hun subjectieve - Beslissingen o.b.v. hun objectieve logica,
gevoelens, ‘gevoelspersoon’. ‘denker’.

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Nee
Wat is er van het boek samengevat?
Hoofdstuk 3-7
Geüpload op
15 juni 2026
Aantal pagina's
40
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

€6,96
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
NP2008

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
NP2008 Hogeschool Viaa
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
-
Lid sinds
8 maanden
Aantal volgers
0
Documenten
6
Laatst verkocht
-

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen