Hoofdstuk 1
Sinds de 19e eeuw is er toenemende eenvormigheid in de wereld. Steden nemen dingen van elkaar
over, grote ketens (Ikea, Mc Donalds) vind je in elke stad. Er is sprake van nivellering, steden gaan
steeds meer op elkaar lijken en verschillen worden kleiner.
Globalisering en regionalisering lijken hand in hand te gaan. Toch worden verschillen in sommige
regio’s eerder groter dan kleiner. Globalisering en regionalisering kennen beide hun voorstanders. In
sommige regio’s is er sterke sprake van regionalisering en hebben mensen naast de gewone
munteenheid een eigen munt. Er zijn veel mensen die protesteren tegen de globalisering.
Niet alleen in de economie maar ook in het persoonlijk leven zijn regio’s belangrijk. De moderne
mens is emotioneel verbonden aan zijn eigen regio. Elke provincie heeft zijn eigen volkslied, dialect
en tradities, wat de laatste jaren steeds populairder wordt. Emotionele verbondenheid met de
provincie of regio is sterker buiten de randstad. Er zijn soms ook regio’s binnen de provincie, zoals de
achterhoek, waar mensen geen emotionele band hebben met Overijssel.
De regio blijft ook zichtbaar in politiek en bestuur. Zo zijn ruimtelijke plannen een zaak van
provincies en gemeenten geworden en niet meer van de overheid. Er is ook geen steun meer voor
het tegengaan van regionale verschillen vanuit Den Haag. Endogene regionale ontwikkelingen
(initiatieven vanuit regio zelf) is nu het motto. Er wordt niet meer gewacht op exogene (van
buitenaf) ontwikkelingsplannen.
Behalve Nederland regionaliseert ook Europa. Naarmate de Europese integratie, en de economische
globalisering sterker wordt, lijkt ook het regionalisme kracht te winnen. De EU heeft upscaling
(overhevelen van besluitvorming naar Brussel) en downscaling, het principe van subsidiariteit. Men
wil besluitvorming op zo laag mogelijk niveau. In het verdrag van Maastricht in 1992 is plaats
gemaakt voor Europa van de regio’s met het Comité van de regio’s, waarin 344 regio’s er een
vertegenwoordiger in heeft zitten. Niet alleen de EU maar ook nationale overheden kunnen vorming
van bestuurlijke regio’s op subnationaal niveau bevorderen. De belofte dat subsidies mogelijk zijn,
mits gemeenten samenwerken, wat niet altijd succesvol is. Tussen regio’s wordt er steeds meer
geconcurreerd om investeringen binnen te halen. Er wordt daarom veel aan regio- en citymarketing
gedaan, slagzinnen om mensen en bedrijven naar een bepaalde regio te lokken.
Het feit dat regio’s nog steeds belangrijk zijn, is goed nieuws voor de geografie, wat is gespecialiseerd
in studie van regio’s en verschillen tussen regio’s. Dit was niet altijd zo, in de jaren 60 en 70 was er
minder aandacht voor regio’s. Sociaalgeografische boeken uit die tijd bespraken geen bepaalde
landen, regio’s of steden maar ruimtelijke patronen. Die patronen zouden gevormd worden door
wetmatigheden. Volgens Morrel (1970) zijn er een paar principes:
1. Noodzaak om plaatsen zo te gebruiken dat ze maximale opbrengsten leveren met minimale
kosten.
2. De ruimtelijk rangschikking van grondstof zo te kiezen waarbij transportkosten minimaal zijn.
Die principes zijn net altijd meer relevant. In die tijd waren regionale overeenkomsten interessanter
dan verschillen.
De Duitse geograaf W Christaller had een centrale-plaatsentheorie, waarin nederzettingen worden
opgevat als plaatsen die voorzieningen aanbieden voor het ommeland en op de grond daarvan
kunnen bestaan. Dit werd pas later bekend toen zijn boek ook in het Engels vertaald werd.
, Pas eind van de 20e eeuw werd duidelijk dat er geen universele wetten bestaan in regio’s, elke regio
is anders. Er zijn overeenkomsten, maar die beperken zich tot een bepaalde hoeveelheid. Gedrag van
mensen in regio’s voldoen niet aan de principes van Morrel.
Kortom, een combinatie van het besef dat harde ruimtelijke wetten niet gevonden kunnen worden
(want ze bestaan niet) en het besef dat de specifieke context van plaats en tijd waarin verschijnselen
zich voordoen relevant is bij de verklaring van de verschijnselen, heeft geleid tot een herwaardering
van de regionale dimensie in de sociaalgeografische wetenschappen. Ook de opkomst van
postmoderne denkwijze heeft bijgedragen aan denkwijzen in de sociale geografie.
Postmodernisme is reactie op het modernisme wat lang van toepassing was op de sociale
wetenschappen. Postmoderne denkwijze legt meer nadruk op het gefragmenteerde, het
onoverzichtelijke in de werkelijkheid en in het denken over werkelijkheid. Hierdoor is in de sociale
geografie het bewustzijn verscherpt dat geografische kennis een geconstrueerd karakter heeft. In het
regionale denken heeft het bijgedragen aan de aan het feit dat regio’s niet onafhankelijk bestaan.
Hoofdstuk 2
Wetenschappers worden altijd geacht om de waarheid te vertellen, en een objectief beeld te
schetsen. Legendre schetste echter een te veel te negatief beeld over een Spaans platteland dorpje,
wat vervolgens verfilmd werd door Buñuel, en dus heel anders was als de realiteit. Kunstenaars
daarentegen mogen wel dingen creëren wat niet echt is.
Ook worden regio’s soms gestereotypeerd, er wordt een overdreven beeld geschetst. Ze krijgen een
bepaald imago.
Niet alleen regio’s maar ook landen kunnen een imago krijgen. Ierland wordt gezien als welvarende,
moderne stad terwijl er veel armoede heerst. Ook wordt het door andere reisgidsen weer
bestempeld als een stap terug in de tijd.
In Nederland zijn er soortgelijke voorbeelden, van zeeland wordt er een ouderwets beeld geschetst
om het toerisme te bevorderen, maar de economische sector vindt het minder, welke ondernemer
vestigt zich nou in een ‘ouderwetse’ provincie. Beeldvorming is dus maar hoe je het bekijkt. Nog een
voorbeeld is Twente, wat geprezen wordt als ondernemersregio van de toekomst met goede
samenwerking met Almelo en Enschede. Terwijl in de realiteit grote rivaliteit is tussen de steden.
In de 19e eeuw was het echter wel geacht dat romans en kunst de realiteit weergaf. Romans uit die
tijd geven weer hoe noord en zuid Engeland destijds werd beleefd. In Noord-Engeland waren de
mensen betrouwbaar, stug en rechtdoorzee. De economie liep er wat achter en dorpjes waren nog
zoals vroeger. In het zuiden daarentegen waren de economische ontwikkelingen vol aan de gang, de
mensen waren er makkelijk in de omgang maar ietwat onbetrouwbaar. Er was veel rook, veel
mensen en veel drukte.
In de 20e beeld werden andere dingen vergeleken, het noorden liep toen achter en was vervuild door
de zware fabrieken en mijnen, het landschap was minder dan vroeger. Het zuiden gaf een verzorgd
beeld weer, ook qua landschap.
Voorbeeld van de Noord-Engelse stad Hul:
Mensen hebben teveel een stereotype beeld van Noord-Engeland, door respondenten die niet uit
Hul kwamen werd het bestempeld als een typische Noord-Engelse stad met veel werkloosheid,