Week 1 - Hoofdstuk 1
1. Foundations of Child Neuropsychology modellen van Byron
Rourke en Maureen Dennis.
Wat is child neuropsychology? Child neuropsychology bestudeert de relatie tussen hersenen,
cognitie en gedrag in de context van ontwikkeling
Kernverschillen met volwassen neuropsychologie:
Hersenen zijn nog in ontwikkeling
o Structuur en functie veranderen continu
o Functies zijn nog niet volledig gespecialiseerd
Ontwikkeling is dynamisch
o Vaardigheden ontstaan, verdwijnen of reorganiseren
o Problemen kunnen later pas zichtbaar worden
Tijd (ontwikkeling) is cruciaal
o Wanneer iets gebeurt (bijv. hersenschade) bepaalt de uitkomst
Belangrijke basisprincipes
1. Developmental perspective
Je moet gedrag altijd interpreteren in relatie tot leeftijd en ontwikkelingsfase. Bijvoorbeeld: slechte
planning bij een peuter = normaal. Slechte planning bij een tiener = mogelijk probleem
2. Brain-behavior relationship is niet statisch
De relatie tussen hersenen en gedrag verandert over tijd. Bij kinderen kunnen functies verschuiven
naar andere hersengebieden en/of netwerken reorganiseren (plasticiteit)
3. “Growing into deficit”
Problemen worden soms pas zichtbaar wanneer een vaardigheid zich normaal gesproken zou
moeten ontwikkelen. Bijvoorbeeld executieve functies worden pas later belangrijk → probleem
wordt dan zichtbaar
Model van Rourke Byron Rourke ontwikkelde een neuropsychologisch profielmodel.
Kernidee: Hersenstoornissen leiden tot specifieke patronen van sterke en zwakke functies
Twee hoofdsystemen:
1. Verbaal systeem
Taalvaardigheid
Auditieve verwerking
Verbale geheugenprocessen
2. Non-verbaal systeem
Visuospatiële vaardigheden
Motoriek
Sociale perceptie
Nonverbal Learning Disability (NLD)
,Belangrijk voorbeeld uit Rourke’s werk:
Profiel:
Sterk:
o taal
o woordenschat
Zwak:
o visuospatiële verwerking
o motoriek
o sociale interpretatie (non-verbale signalen)
Belang van Rourke’s model:
Introduceerde profielanalyse i.p.v. IQ alleen. Legde nadruk op verschillen tussen cognitieve
domeinen, eerste stap richting differentiële diagnostiek
Beperkingen:
Vrij statisch model, minder aandacht voor ontwikkeling over tijd en omgevingsinvloeden
Model van Dennis; Maureen Dennis bracht een ontwikkelingsgerichte benadering.
Kernidee: Het effect van hersenbeschadiging hangt af van wanneer het optreedt en welke
functies nog in ontwikkeling zijn
Belangrijke concepten
1. Plasticiteit
Het brein kan zich aanpassen na schade
Vooral sterk bij jonge kinderen
Functies kunnen worden overgenomen door andere gebieden
2. Kwetsbaarheid (vulnerability)
Vroege schade kan juist ernstiger gevolgen hebben. Waarom?
Basisvaardigheden ontwikkelen zich nog
Schade verstoort hele ontwikkelingsketens
3. Timing is cruciaal
Dezelfde hersenschade kan andere gevolgen hebben afhankelijk van leeftijd. Bijvoorbeeld:
Schade vóór taalontwikkeling → taal ontwikkelt mogelijk nooit goed
Schade na taalontwikkeling → verlies van bestaande vaardigheden
4. Developmental cascades
Problemen in één domein beïnvloeden andere domeinen. Bijvoorbeeld: Aandachtsproblemen →
leerproblemen → lage zelfwaardering.
Belang van Dennis’ model:
Introduceerde tijd en ontwikkeling als kernfactor. Legde basis voor moderne ontwikkelingsmodellen
en longitudinaal denken.
Verschil Rourke vs Dennis
Rourke Dennis
Statisch Dynamisch
Profielen Ontwikkeling
Huidig functioneren Verandering over tijd
Domeinen (verbaal/non-verbaal) Timing & plasticiteit
,2. Huidige multidimensionele modellen
Moderne child neuropsychology combineert meerdere perspectieven.
Kernidee: Ontwikkeling = resultaat van interactie tussen meerdere systemen
Belangrijke dimensies
1. Neurobiologische dimensie
Hersenstructuur
Connectiviteit
Neurochemie
Genetica
Focus: hoe werkt het brein?
2. Cognitieve dimensie
Aandacht
Geheugen
Executieve functies
Taal
Dit zijn de tussenliggende processen tussen brein en gedrag
3. Gedragsmatige/emotionele dimensie
Gedrag
Emoties
Sociaal functioneren
4. Ontwikkelingsdimensie
Leeftijd
Rijping
Kritieke periodes
Alles moet bekeken worden in tijdsperspectief
5. Omgevingsdimensie
Gezin
School
Cultuur
SES
Netwerkbenadering: Functies zijn niet gelokaliseerd in één gebied, maar ontstaan uit netwerken.
Bijvoorbeeld: Executieve functies = frontale + pariëtale + subcorticale netwerken
Dynamische interactie: Alle factoren beïnvloeden elkaar: Brein ↔ Cognitie. Cognitie ↔ Gedrag.
Gedrag ↔ Omgeving
Belangrijke moderne concepten
1. Neuroconstructivisme: Cognitie ontstaat door interactie tussen: brein, lichaam en omgeving
2. Developmental trajectories: Elk kind volgt een ontwikkelingspad. Stoornissen = afwijkingen in dit
pad
3. Heterogeniteit: Geen twee kinderen met dezelfde diagnose zijn gelijk
, 3. Biopsychosociale visie
De biopsychosociale benadering is de overkoepelende visie.
Definitie
Gedrag en ontwikkeling worden verklaard door interactie tussen:
Biologisch (Hersenontwikkeling, Genen en Neurologische schade)
Psychologisch (Cognitieve functies, Emoties, Motivatie en Coping)
Sociaal (Gezin, School, Opvoeding en Cultuur)
Kernprincipes
1. Interactie (geen lineair model)
Factoren beïnvloeden elkaar wederzijds. Bijvoorbeeld: Slechte aandacht → slechte schoolprestaties
→ negatieve feedback → nog slechter functioneren
2. Context is cruciaal
Dezelfde hersenschade kan andere uitkomsten hebben afhankelijk van omgeving
3. Individuele verschillen
Elk kind ontwikkelt zich anders, zelfs met dezelfde diagnose
Klinische implicaties
Diagnostiek: Niet alleen testen. Ook: ontwikkelingsgeschiedenis, contextanalyse en observatie
Behandeling: Multidisciplinair: psycholoog, neuroloog en school. Gericht op: kind en omgeving.
Voorbeeld Kind met ADHD-achtige klachten: Biologisch: frontale hersenrijping vertraagd.
Psychologisch: executieve problemen. Sociaal: chaotisch gezin / weinig structuur. Interventie:
medicatie + gedragstherapie + ouderbegeleiding
Week 1 - Hoofdstuk 3
1. Variabiliteit in ontwikkeling (en invloed van
hersenpathologie)
Normale ontwikkeling: grote individuele verschillen
De cognitieve en sociale ontwikkeling bij kinderen: verloopt niet lineair, maar in fasen (sprongen +
plateaus), kent grote interindividuele verschillen. Is afhankelijk van: genetische factoren,
omgevingsinvloeden (opvoeding, onderwijs) en hersenrijping. Leeftijdsnormen zijn gemiddelden,
geen vaste grenzen.
Dynamische hersenontwikkeling
Het kinderbrein is plastisch (aanpasbaar) en nog in ontwikkeling (vooral frontale gebieden)
Processen:
synaptogenese (vorming van verbindingen)
pruning (selectie van efficiënte verbindingen)
myelinisatie (snellere informatieoverdracht)
Hierdoor kunnen functies zich herstellen (plasticiteit) maar ook kwetsbaar zijn (verstoring →
cascade-effect)
Effect van hersenpathologie