Gebaseerd op: Anderson, V., Northam, E., & Wrennall, J. (2018). Developmental Neuropsychology: A
Clinical Approach (2e druk).
Omvang: 60 vragen | Week 8 (Alexithymie) is uitgesloten
Hoofdstuk 1: Childhood Neuropsychology
Vraag 1. Kind-neuropsychologie bestudeert de relatie tussen hersenen en gedrag binnen de context
van een onvolgroeid maar snel ontwikkelend brein. Twee invloedrijke modellen uit de late jaren 1980
domineren het veld. Welk model wordt gekenmerkt door de wittestofhypothese als onderliggende
neurologische verklaring voor het cognitieve profiel?
a. Het model van Dennis (1989)
b. Het NVLD-model van Rourke (1988, 1989)
c. Het model van Johnson (2001)
Vraag 2. Het concept "growing into deficits" impliceert het volgende. Welke uitspraak beschrijft dit
concept het beste?
a. Kinderen met ernstig hersenletsel laten direct na het letsel uitgesproken cognitieve tekorten zien
die vervolgens afnemen met de leeftijd.
b. Vroege insulten aanvankelijk weinig problemen lijken te geven, maar kinderen vertonen naarmate
de ontwikkeling vordert in toenemende mate tekorten.
c. Hersenletsel op jonge leeftijd leidt altijd tot ernstigere tekorten dan letsel op latere leeftijd.
Vraag 3. Volgens het biopsychosociale perspectief in de kind-neuropsychologie is het volgende waar.
Welke uitspraak is correct?
a. De uitkomst van vroeg hersenletsel kan met zekerheid worden voorspeld op basis van de ernst van
het letsel alleen.
b. Sommige kinderen met ernstig letsel doen het goed, terwijl anderen met relatief milde insulten
levenslange beperkingen ervaren.
c. Alleen biologische factoren bepalen de uitkomst van vroeg hersenletsel.
Vraag 4. In Rourke's NVLD-model worden de kerntekenen beschreven. Welke van de volgende
combinaties van kenmerken is correct?
a. Visueel-ruimtelijke sterktes, auditief-verbale zwaktes
b. Bilaterale tactiel-perceptuele deficiënties, visueel-ruimtelijke problemen, met intacte
auditief/verbale vaardigheden
c. Taalproblemen als kernmerk, met intacte motorische vaardigheden
, Vraag 5. Het driedimensionale model van Dennis deelt vaardigheidsontwikkeling op in niveaus. Welke
drie niveaus worden onderscheiden?
a. Acuut, subacuut en chronisch
b. Emerging, developing en established
c. Cognitief, sociaal-emotioneel en adaptief
Hoofdstuk 3: Cognitive and Social Development
Vraag 6. Hersenpathologie vergroot de variabiliteit in cognitieve ontwikkeling aanzienlijk. Kinderen
met vroege herseninsulten laten een ander ontwikkelingspatroon zien dan gezonde kinderen. Welk
fenomeen beschrijft dit?
a. Het equipotentieel-model
b. Domein-specifieke ontwikkeling
c. Het "growing into deficits"-fenomeen
Vraag 7. Recent evidence suggereert dat individuele cognitieve modaliteiten geen onafhankelijk
proces volgen. Informatieverwerkingsvaardigheden worden beschouwd als kritisch voor alle aspecten
van cognitieve ontwikkeling. Welk theoretisch perspectief wordt hierdoor ondersteund?
a. Het domein-specifieke perspectief
b. Het domein-generalistische perspectief
c. Het Piagetiaanse stadiummodel
Vraag 8. Volgens het model van Anderson (2002) omvatten executieve functies drie geïntegreerde
domeinen. Welke zijn dat?
a. Visueel-ruimtelijke verwerking, verbale fluency en inhibitie
b. Aandachtscontrole, cognitieve flexibiliteit en goal setting
c. Werkgeheugen, verwerkingssnelheid en langetermijngeheugen
Vraag 9. _______________________ is een informatieverwerkingsmodel met componenten van
aandacht, geheugen, verwerkingssnelheid en centrale executieve functies. Welk model ontbreekt er?
a. Het model van Luria (1973)
b. Het model van Cowan (1995, 1988)
c. Het model van Baddeley
Vraag 10. Over de ontwikkeling van executieve functies is het volgende waar. Welke uitspraak is
correct?
a. Executieve functies zijn volledig ontwikkeld bij de geboorte en nemen af met de leeftijd.
b. Executieve functies ontstaan in de vroege kindertijd maar zijn pas volledig te meten in de late