Tentamen taal & rekenen ‘Beeld van een Kind’
Pabo – jaar 2
Daan Brouwer
Taal
De vele kanten van leesbegrip
Deze literatuurstudie gaat over effectief onderwijs in begrijpend lezen in
het basisonderwijs. De centrale vraag is welke onderdelen van begrijpend-
leesonderwijs bijdragen aan beter leesbegrip en meer leesmotivatie bij
leerlingen.
De belangrijkste boodschap is dat begrijpend lezen niet verbeterd wordt
door alleen maar losse leesstrategieën te oefenen. Goed begrijpend-
leesonderwijs bestaat uit meerdere onderdelen die samenhangen:
1. werken aan achtergrondkennis
2. werken aan woordenschat
3. verschillende soorten teksten aanbieden
4. aandacht besteden aan tekststructuur
5. leerlingen leren strategieën te gebruiken
6. praten en discussiëren over teksten
7. lezen en schrijven combineren
8. zorgen voor leesmotivatie
9. leesbegrip monitoren en toetsen
10. differentiëren tussen leerlingen
Begrijpend lezen is dus veel meer dan vragen beantwoorden bij een tekst.
Het gaat om betekenis geven aan een tekst, verbanden leggen,
voorkennis gebruiken en begrijpen wat de schrijver wil overbrengen.
Wat is leesbegrip?
Leesbegrip betekent dat een lezer betekenis haalt uit een tekst én zelf
betekenis opbouwt. Een leerling leest dus niet alleen letterlijk wat er staat,
maar gebruikt ook eigen kennis, ervaringen, woordenschat en
denkvaardigheden om de tekst te begrijpen.
Bij begrijpend lezen spelen vier dingen samen:
1. de lezer: wat weet en kan de leerling al?
2. de tekst: hoe moeilijk, duidelijk en gestructureerd is de tekst?
3. de activiteit: met welk doel leest de leerling?
4. de context: in welke situatie wordt gelezen en besproken?
Begrip is daarom niet altijd voor iedereen hetzelfde. Twee leerlingen
kunnen dezelfde tekst lezen, maar toch iets anders begrijpen, omdat hun
voorkennis, woordenschat en leeservaring verschillen.
Hoe komt leesbegrip tot stand?
Een belangrijk model in het bestand is het Constructie-Integratiemodel van
Kintsch. Volgens dit model begrijpt een lezer een tekst in twee stappen.
,Eerst bouwt de lezer een beeld op van wat er letterlijk in de tekst staat. Dit
wordt de text base genoemd. De leerling moet woorden herkennen,
betekenissen ophalen, zinnen begrijpen en verbanden tussen zinnen
leggen.
Daarna verbindt de lezer de informatie uit de tekst met eigen voorkennis.
Daardoor ontstaat een dieper begrip van de tekst. Dit wordt het
situatiemodel genoemd. Het situatiemodel is dus het totale mentale beeld
dat de lezer van de tekst maakt.
Voorbeeld:
Als een tekst gaat over vulkanen, begrijpt een leerling met voorkennis
over aardlagen, lava en uitbarstingen de tekst waarschijnlijk makkelijker
dan een leerling die daar nog niets over weet.
Ook het Reading Systems Framework is belangrijk. Dit model benadrukt
dat woordherkenning, technisch lezen en woordbetekenis nodig zijn om tot
begrip te komen. Als een leerling veel moeite heeft met het lezen van
woorden, blijft er minder ruimte over in het werkgeheugen om na te
denken over de betekenis. Technisch lezen is dus belangrijk, maar niet
genoeg. Leerlingen hebben ook woordenschat, achtergrondkennis en
kennis van tekststructuren nodig.
1. Werk aan het opbouwen van kennis
Achtergrondkennis is één van de belangrijkste voorwaarden voor
begrijpend lezen. Leerlingen begrijpen teksten beter als ze al iets weten
over het onderwerp. Achtergrondkennis helpt om:
1. woorden beter te begrijpen
2. verbanden te leggen
3. impliciete informatie af te leiden
4. metaforen en uitdrukkingen te begrijpen
5. hoofd- en bijzaken te onderscheiden
6. de boodschap van de tekst te begrijpen
Vooral bij informatieve teksten is achtergrondkennis belangrijk.
Informatieve teksten bevatten vaak veel begrippen en kennisdichte
informatie. Naarmate leerlingen ouder worden, krijgen ze steeds meer
teksten waarin veel kennis wordt verondersteld.
Een belangrijke conclusie is dat kennis geen losse verzameling feitjes is.
Het gaat om samenhangende kennisnetwerken. Leerlingen moeten dus
langere tijd met één thema bezig zijn, zodat begrippen met elkaar
verbonden raken.
Voor het onderwijs betekent dit:
1. laat leerlingen veel lezen over hetzelfde thema
2. verbind begrijpend lezen met zaakvakken zoals natuur, geschiedenis
en aardrijkskunde
3. bied vooraf kennis aan over het onderwerp
4. gebruik beeldmateriaal, gesprekken, filmpjes en ervaringen
5. kies teksten die inhoudelijk rijk zijn
Begrijpend lezen moet dus niet alleen draaien om losse teksten met
vragen, maar om kennis opbouwen rond betekenisvolle onderwerpen.
, 2. Bouw aan woordenschat
Woordenschat en leesbegrip hangen sterk samen. Leerlingen die veel
woorden kennen, begrijpen teksten beter. Tegelijkertijd leren leerlingen
nieuwe woorden door veel te lezen. Er is dus sprake van een
wisselwerking.
Een leerling heeft niet alleen een grote woordenschat nodig, maar ook
diepe woordkennis. Dat betekent dat een leerling weet:
1. wat een woord betekent
2. hoe je het woord gebruikt
3. in welke contexten het woord voorkomt
4. welke woorden ermee samenhangen
5. of een woord meerdere betekenissen heeft
Woorden worden opgeslagen in het mentale lexicon. Dat kun je zien als
een soort netwerk in het geheugen. Hoe beter woorden met elkaar
verbonden zijn, hoe makkelijker leerlingen ze kunnen gebruiken bij het
lezen.
Woordenschat groeit vooral door veel lezen, luisteren, voorlezen en
gesprekken. Toch leren leerlingen niet alle nieuwe woorden vanzelf uit een
tekst. Daarom blijft expliciete woordenschatinstructie belangrijk.
Goede woordenschatinstructie betekent:
1. kies belangrijke kernwoorden uit de tekst
2. leg woorden duidelijk uit
3. laat leerlingen woorden actief gebruiken
4. verbind nieuwe woorden aan bekende woorden
5. herhaal woorden in verschillende contexten
6. laat leerlingen praten, schrijven en denken met de nieuwe woorden
Woordenschat moet dus niet los worden aangeboden, maar gekoppeld zijn
aan teksten en thema’s.
3. Zorg voor verschillende soorten teksten en aandacht voor
tekststructuur
Leerlingen moeten verschillende soorten teksten leren lezen. Het
begrijpen van een verhaal betekent niet automatisch dat een leerling ook
informatieve of betogende teksten begrijpt. Elke tekstsoort heeft een
eigen doel en opbouw.
Voorbeelden van tekstsoorten zijn:
1. verhalende teksten
2. informatieve teksten
3. instructieve teksten
4. betogende teksten
5. verklarende teksten
Leerlingen moeten leren hoe teksten zijn opgebouwd. Dit heet
tekststructuur. Bij een verhaal gaat het bijvoorbeeld om personages,
plaats, probleem en oplossing. Bij informatieve teksten kan het gaan om
oorzaak-gevolg, vergelijking, probleem-oplossing of opsomming.
Aandacht voor tekststructuur helpt leerlingen om:
, 1. verbanden in de tekst te herkennen
2. hoofd- en bijzaken te onderscheiden
3. beter te voorspellen wat er komt
4. informatie beter te onthouden
5. een tekst overzichtelijker te verwerken
Zwakke lezers profiteren extra van instructie in tekststructuur. Zij hebben
vaak meer moeite om zelf structuur aan te brengen in wat ze lezen.
Voor het onderwijs betekent dit:
1. gebruik verschillende tekstsoorten
2. bespreek hoe een tekst is opgebouwd
3. wijs leerlingen op signaalwoorden
4. laat leerlingen schema’s of tekststructuren maken
5. gebruik ook langere, samenhangende teksten in plaats van alleen
korte losse fragmenten
6. Leer leerlingen strategische lezers te worden
Leesstrategieën zijn hulpmiddelen die leerlingen kunnen gebruiken als
begrip niet vanzelf ontstaat. Goede lezers gebruiken strategieën vaak
automatisch. Zwakkere lezers moeten deze strategieën meestal expliciet
aangeleerd krijgen.
Voorbeelden van leesstrategieën zijn:
1. voorkennis activeren
2. voorspellen
3. vragen stellen tijdens het lezen
4. samenvatten
5. visualiseren
6. onduidelijkheden herkennen
7. teruglezen
8. conclusies trekken
9. controleren of je het nog begrijpt
Het rapport maakt onderscheid tussen cognitieve en metacognitieve
strategieën.
Cognitieve strategieën helpen om de tekst inhoudelijk te begrijpen. Denk
aan samenvatten, verbanden leggen en voorspellen.
Metacognitieve strategieën helpen om het eigen leesproces te bewaken.
Denk aan merken dat je iets niet begrijpt, jezelf bijsturen en opnieuw
lezen.
Belangrijk is dat strategieën geen doel op zich worden. Leerlingen moeten
niet eindeloos trucjes oefenen, maar leren wanneer en waarom ze een
strategie inzetten. Strategiegebruik is vooral nodig als begrip niet
automatisch lukt.
Voor het onderwijs betekent dit:
1. geef expliciete instructie in strategieën
2. model als leerkracht hardop hoe je denkt tijdens het lezen
3. laat leerlingen samen oefenen
4. bouw ondersteuning langzaam af
5. verbind strategieën altijd aan echte tekstinhoud
6. Discussieer met leerlingen over teksten