Week 1- staat en staatsvorming, bronnen en werking van het
staatsrecht
,LEERDOELEN
1. Hebt u inzicht in de verschillende kenmerken van een staat;
2. Weet u wat de verschillende bronnen van staatsrecht zijn in nederland;
3. Kunt u reflecteren over het verschil tussen een ‘rigid constitution’ en
een ‘flexible constitution’;
4. Kent u de structuur (hoofdstukindeling) van de grondwet en kunt u deze
hanteren bij de beantwoording van vragen;
5. Heeft u kennis van het ontstaan, de evolutie en de structuur van het
koninkrijk der
nederlanden en de verhouding tussen het statuut van het koninkrijk der
nederlanden en de nederlandse grondwet;
6. Kent u de belangrijkste staatsvormen en kunt u reflecteren over de
staatsvorm van het koninkrijk der nederlanden en het land nederland;
7. Bent u bekend met de betekenis van de trias politica en kunt u
beoordelen in hoeverre
nederland daaraan voldoet;
8. Heeft u inzicht in de kenmerken van de democratische rechtsstaat.
SAMENVATTING
Kenmerken van een staat;
1. Een organisatie met voorrang boven andere organisaties, die;
2. Effectief gezag uitoefent; over;
3. Een gemeenschap van mensen op een bepaald grondgebied
Het afdwingen van regels wordt vormgegeven door organen van de staat.
Deze organen zijn bevoegd om burgers te binden aan de normen en
waarden. Er zijn hier geen andere hogere organisaties om dit te
handhaven. De staat is zelf al het hoogste orgaan.
Machiavelli gaf adviezen over hoe een gezagsdrager (zoals de vorst), de
eenheid van een land zou moeten bewerkstelligen. Volgens machiavelli
zou een gezagsdrager niet zijn persoonlijke macht moeten willen
vergroten, maar moet gezag een symbool van de vorst zijn om orde, vrede
en eenheid te scheppen.
Volgens filosoof john locke is gezag het tegenovergestelde van vrijheid.
Het beperkt juist de vrijheid van de individu.
Het contrat social (van jean-jacques rousseau) hield in dat het individu zijn
persoonlijke vrijheid afstaat aan de soeverein, die op zijn beurt het
algemeen belang zou behartigen.
Het staatsrecht dient een goede balans te vinden tussen een gezonde
gemeenschap en de vrijheid van burgers.
,Checks and balances = verschillende organen houden elkaar in evenwicht.
Elk orgaan heeft een ander orgaan nodig om gezag uit te oefenen. Het is
een verzamelbegrip om allerlei manieren van macht en bevoegdheden te
verdelen. Zo word machtsmisbruik voorkomen. (art. 118 lid 1 gw)
Montesquieu zit achter de trias politica. Dit is de strikte machtenscheiding
vanonafhankelijke organen.
- Wetgevende macht (regering + parlement)
- Uitvoerende macht (regering)
- Rechtsprekende macht (rechter)
Verschil uitvoerende macht
Montesquieu; de regering voerde de door het parlement gemaakte
wetten uit.
Nu: de regering is breder, de regering beslist nu ook of een bepaald
verdrag moet worden gesloten en daarnaast maakt hij zelfstandige
beslissingen.
Uitvoering van wetten en de zelfstandige taak worden bestuur genoemd.
Wetgevende taak = regering + parlement
Parlement controleert de regering
In nederland spreken we niet van een strikte machtenscheiding maar van
een machtsverdeling.
Gedecentraliseerde eenheidsstaat = bevoegdheden kunnen ook worden
verdeeld over regionale overheden (territoriaal)
Democratische rechtsstaat = een staat met een bestuur dat zowel
democratisch als rechtsstatelijk is ingericht.
Democratie =
1. Een democratische staat heeft vrije en anonieme verkiezingen van
het parlement. Burgers hebben gelijkelijk het recht om de leden van
de volksvertegenwoordiging te kiezen (actief kiesrecht) en tot lid
van de volksvertegenwoordiging gekozen te worden (passief
kiesrecht).
2. Openheid van machtswisseling (hoelang een bepaalde persoon aan
de macht is en niet steeds dezelfde persoon)
3. Parlement speelt een centrale rol (volksvertegenwoordiging dient
een beslissende stem te hebben bij het vaststellen van wetgeving)
Rechtsstaat = een staat waarvan de organisatie erop gericht is dat
burgers beschermd zijn tegen machtsmisbruik.
1. Staatsvrije sfeer, dus iedereen respecteert de grondrechten
2. Handelen van het bestuur moet berusten op een bepaling
3. Geschillen tussen burger en rechter moeten worden beslecht tussen
een onafhankelijke rechter
, Grondregels voor het zijn van een democratische rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel
>geen bevoegdheid zonder grondslag in de wet
2. Niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder verantwoording
schuldig te zijn of zonder dat er controle bestaat op die uitoefening.
a. Politieke verantwoordingsplicht van bestuurlijke organen
tegenover vertegenwoordigende organen (bijv minister vs
parlement)
b. Ambtelijke ondergeschiktheid (ambtenaren vs hun chefs, ovj vs
arrondissementparket)
c. Bestuurlijk toezicht (minister kan zich bemoeien met gemeente)
d. Beroep (bij een besluit kan je in beroep gaan)
e. Strafrechtelijke verantwoordelijkheid (ambtenaar kan
strafrechtelijk verantwoordelijk zijn als hij zonder bevel een
woning in gaat)
f. Burgerlijke rechter (als er geen besluit bestaat kan je naar een
rechter)
g. Rechterlijke toetsing wetgeving (rechter is bevoegd de
wetgevende macht te controleren). Uitzondering is het
toetsingsverbod. Het is verboden voor de rechter om een wet in
formele zin te toetsen aan de grondwet art 120 gw. Het is wel
toegestaan om deze te toetsen aan internationale verdragen art
94 gw.
Wet in formele zin wordt gemaakt door de regering en de staten-generaal
Onderzoek naar het staatsrecht is altijd historisch en systematisch van
aard. Dit komt omdat het staatsrecht altijd in beweging is.
Bronnen staatsrecht = nationaal en internationale bronnen
Unie van utrecht is het startpunt van onze constitutionele geschiedenis.
Dit was een verdrag tussen een aantal provincies. 1579
De staatsregeling voor het bataafse volk is de eerste nederlandse
grondwet 1798
Vanaf 1806 wordt gesproken van een monarchie, door invloed van de
fransman napoleon. In die periode was dan ook frans recht, de code civil,
van toepassing. Na de franse overheersing wordt deze staatsvorm
voorgezet. Dit leidde uiteindelijk tot het ontstaan van het verenigd
koninkrijk der nederlanden. Dit betekende het einde van de franse
overheersing. In 1814 werd dan ook een grondwet voor de verenigde
nederlanden afgekondigd, die in 1815 door de samenvoeging met belgië
werd vervangen door de grondwet voor het koninkrijk der nederlanden.
De grondwet regelt niet de verhouding tussen het bestuur en het
parlement. Ministeriele verantwoordelijkheid blijft uit het ongeschreven
recht.