Waar gaat testtheorie over?
1. Testconstructie
2. Testgebruik
3. Testevaluatie
Leerdoelen testtheorie:
Kennis hebben van:
1. Terrein van testen en testconstructie
2. Testanalyse (SPSS)
Testgebruik kunnen:
3. Test beoordelen op kwaliteit
4. Nieuwe test maken, analyseren, aanpassen
En verder:
5. Hoe voorkom je sociaal wenselijk invulgedrag (staat er iets op het spel?)
6. Hoe scoor je de vragen? in welke richting staan de vragen? (A=1, B=2, C=3 ?)
7. Kan je de scores bij elkaar optellen?
8. Hoe interpreteer je de somscore? (Bij welke grens neem je iemand aan/is iemand geslaagd)
Historie van het testen:
Oude voorlopers (voorwetenschappelijke oordeelsvorming)
- 2000 BC China – vorderingen
- Oude Testament – Gideon persoonlijkheid
- ME en NT intelligentie – karaktereigenschappen (fysische kenmerken; astrologie)
- Door nood aan selectie van personeel voor leger WO -> testen in stroomversnelling
- Europa: individuele diagnostiek, later ook collectief (Ned: CITO, COTAN)
- VS: collectief testen, migrantenprobl.-> nietverbale testen
- Engeland: tussenpositie, aandacht voor objectief evalueren van schoolprestaties (MC test)
Binet:
- Verbale complexe opgaven
- Via empirisch onderzoek -> moeilijkheidsgraad
- Werken met een totaalscore
- Begrip mentale leeftijd Terman – Stanford-Binet
- Formuleren van standaardinstructies
- Normen gebaseerd op representatieve streekproef
Stern: IQ = mentale leeftijd/kalender leeftijd x 100
Ontwikkeling tot wetenschap: Vanaf de jaren 50, stimulering van testgebruik en ontwikkeling van
psychologie tot een wetenschap.
Test: Systematisch onderzoek van gedrag met behulp van speciaal geselecteerde vragen/opgaven met als
doel inzicht in (psychologische) kenmerken van een individu in vergelijking met anderen
Doel: voorspellen, classificeren, beschrijven – in vergelijking met anderen!
,De psychologische test:
- Psychologische testen meten psychologische eigenschappen, zoals bijvoorbeeld intelligentie of
persoonlijkheid.
- Psychologische eigenschappen zijn niet direct waarneembaar of meetbaar.
- Daarom construeren we indicatoren (items) die gedrag oproepen dat iets zegt over het te meten
construct (bijv. intelligentie, dit is bedacht dit was er niet altijd al)
Let op:
- Psychologische tests worden alleen afgenomen wanneer je geen goed beeld hebt van een persoon.
Een test is een hulpmiddel, dus pas op voor het verabsoluteren van testscores.
- Een psycholoog dient m.b.v. de test tot een oordeel te komen, op basis van een combinatie van
verschillende waarnemingen.
- Dus vertrouw niet blind op een enkele testuitslag. Dit is b.v. een gevaar met testen op internet.
Kenmerken van een goede test:
1. Betrouwbaarheid
Een test is betrouwbaar als bij herhaalde metingen (ongeveer) dezelfde score behaald wordt.
2. Objectiviteit
Een test is objectief als het niet uitmaakt wie de beoordelaar is.
Valkuilen van een proefleider: Vooroordelen, Sympathieën en antipathieën, Eerste indruk,
Vermoedens bevestigd willen zien, Ideaaltypen willen vinden en Eigen theorieën bevestigd willen
zien
Hoe kun je onderzoeken in hoeverre beoordelaars op eenzelfde manier scores toekennen?
Correlatie tussen de scores door middel van: Kendalls Tau, Spearmans Rho en Cohen’s Kappa.
Vuistregels kappa:
- 0.00 - 0.20 gering
- 0.20 - 0.40
- matig 0.40 - 0.60
- redelijk (Boek: “0.44 matig”)
- 0.60 - 0.80 voldoende tot goed
- 0.80 – 1.00 bijna perfect
3. Standaardisatie
De test is gestandaardiseerd als de testprocedure voor alle respondenten gelijk is.
Dus: zelfde instructie, zelfde tijdslimiet en zelfde condities
Objectieve testsituatie:Beperk storende omgevingsinvloeden. Denk b.v. aan: Lawaai, Mensen die
luid praten, Helderheid van licht, Lichtval, Temperatuur, Ventilatie, Mensen die de ruimte
binnenkomen of verlaten, Afkijken.
Gedrag proefpersoon: Condities van proefpersonen moeten gelijk zijn. Denk b.v. aan: Lichamelijke
en geestelijke conditie, Emotionele opwinding, Motivatie en Angst voor slechte prestatie
4. Validiteit
Een test is valide als hij aan zijn doel beantwoordt. Enkele soorten validiteit: Predictive validity,
Concurrent validity, Content validity en Construct validity
5. Efficiëntie
Een test is efficiënt als het gericht is op het meten van het hypothetisch construct en verder niets
6. Normering
Een test is genormeerd als de testscores van verschillende respondenten vergelijkbaar zijn door
middel van Normen.
Norm: Een Norm is een referentiekader voor de evaluatie van de ruwe score. Deze is gebaseerd op
de kenmerken van de verdeling van ruwe scores in de populatie. Deze kenmerken worden geschat
op basis van een representatieve steekproef.
Noodzakelijk bij interpretatie en beoordeling van testprestatie Ook bij observatietests en projectieve
technieken!
,Mogelijke test toepassingen:
1. Voorspelling doen
2. Keuze maken
3. Sterkte/zwakte analyse
4. Interne vergelijking
5. Beschrijving persoonlijkheid
6. Probleem analyse tbv counseling
Prestatieniveau:
- maximale prestatie
- totaalscore
- intelligentie, cognitieve capaciteiten, kennis
Gedragswijze:
- hoe iemand iets doet, hoe iemand reageert
- persoonlijkheidstrek, voorkeuren, attitudes
, Problemen met tests voor gedragswijze:
- overeenkomst testgedrag en gedrag in dagelijks leven
- geen objectief criterium, beoordeling
- persoonlijkheidstrekken zijn minder stabiel, minder generaliseerbaar, minder gelijkmatig van invloed
op gedrag
Test indeling:
Indeling naar structuur (instructie en afneming)
- Individuele vs groepstests
- Snelheid en niveau
Indelingen op basis van testvragen
- Cultuurvrij en niet cultuurvrij
- Directe en indirecte tests (betekenis wel/niet duidelijk voor onderzochte)
- Vrije-antwoord en keuze-antwoordtests