Uitgebreide tentamensamenvatting
Fysische, chemische en biologische waterkwaliteit
Gebaseerd op de hoorcolleges HC1–HC6
Opleiding Toegepaste Biologie · Studiejaar 2025–2026
Inhoud van dit document
Hoofdstuk 1 — Fysische waterkwaliteit (HC1–HC2)
Hoofdstuk 2 — Chemische waterkwaliteit (HC3–HC4)
Hoofdstuk 3 — Biologische waterkwaliteit (HC5–HC6)
Oefenvragen — 10 tentamenvragen met uitwerkingen
,AQUATISCHE ECOLOGIE — TENTAMENSAMENVATTING
Hoofdstuk 1 — Fysische waterkwaliteit
HC1 en HC2 · Intro Aquatische Ecologie en Fysische processen
1.1 Water op aarde en het belang van zoet water
Ongeveer 70% van het aardoppervlak is bedekt met water, maar slechts 3% daarvan is zoet water. Van
al het water op aarde is maar ongeveer 1% zoet oppervlaktewater (ongeveer 10,7 miljoen km³). Toch is
vrijwel al het leven op aarde direct of indirect afhankelijk van dit relatief kleine aandeel zoet water. Dit
maakt het beschermen van de kwaliteit van zoetwatersystemen extra belangrijk, en is ook de reden dat
‘Life below water’ een van de Sustainable Development Goals (SDG 14) van de Verenigde Naties is.
Water als universeel oplosmiddel
Water wordt vaak het ‘universele oplosmiddel’ genoemd omdat het uitstekend andere polaire
moleculen en gassen oplost, zoals zouten (bijvoorbeeld NaCl), alcoholen (ethanol) en gassen als O₂, CO₂
en CH₄. Niet-polaire stoffen, zoals olieachtige koolwaterstoffen, glas (SiO₂) en de meeste kunststoffen,
lost water echter niet of nauwelijks op. Dit principe verklaart bijvoorbeeld waarom olie op water blijft
drijven in plaats van te mengen.
Kernbegrip
– Polair: een molecuul met een ongelijke ladingsverdeling (zoals water zelf), waardoor het
goed mengt met andere polaire stoffen en ionen.
Onder water is alles anders
In vergelijking met de lucht om ons heen verandert er onder water veel: licht dooft snel uit, er is een
andere nutriëntenhuishouding, stroming en golfslag werken anders door de hogere dichtheid van water,
en zuurstof, zoutgehalte, alkaliteit en bodemkwaliteit spelen allemaal een rol die op het land geen (of
een heel andere) rol speelt. Deze combinatie van fysische, chemische en biologische factoren bepaalt
samen waar welke organismen kunnen leven.
1.2 De Kaderrichtlijn Water (KRW)
De Kaderrichtlijn Water (KRW, Europese richtlijn 2000/60/EG) is een samenvoeging van meerdere
eerdere Europese wetten en richtlijnen over water. De KRW heeft als doel de kwaliteit van
watersystemen te beschermen en te verbeteren, lozingen en verontreiniging van grondwater te
verminderen of te stoppen, droogte en overstromingen te voorkomen, en duurzaam gebruik van water
te bevorderen.
Het hoofddoel van de KRW is het bereiken van een ‘goede toestand’ van water, binnen cycli van zes jaar.
De ijkpunten zijn 2015, 2021 en 2027; na 2027 wordt de KRW herzien. Omdat er kritiek is op het tempo
waarin de doelen gehaald worden, blijft waterkwaliteit een actueel beleidsthema.
Pagina 2
,AQUATISCHE ECOLOGIE — TENTAMENSAMENVATTING
Wie doet wat binnen de KRW?
Partij Verantwoordelijkheid
Europese Unie Stelt de richtlijnen (KRW) op.
Minister van Infrastructuur en Eindverantwoordelijk voor de implementatie van de KRW en rapporteert
Waterstaat aan de EU.
Rijkswaterstaat en Monitoren en beoordelen het oppervlaktewater en rapporteren de
waterschappen gegevens aan het ministerie.
Elke zes jaar wordt een Stroomgebiedbeheerplan (SGBP) opgesteld. Hierin worden de
monitoringsresultaten gerapporteerd en maatregelen gespecificeerd om de waterkwaliteit te
verbeteren. SGBP's worden internationaal afgestemd, omdat stroomgebieden vaak landsgrenzen
overschrijden.
Waarom is deze module relevant?
– Grote vraag uit het werkveld, ook voor stages, vooral op het grensvlak van monitoring en
wetgeving.
– De KRW-doelen liggen niet op schema, wat om kennis van systeemdenken vraagt om
knelpunten op te lossen.
– Het behalen van de Sustainable Development Goals (waaronder SDG 14) vraagt om begrip
van de interactie tussen fysische, chemische en biologische processen.
1.3 Licht in het water
Licht is een van de belangrijkste fysische factoren in aquatische systemen, omdat het de primaire
productie (fotosynthese) aanstuurt. Hoeveel licht het water binnenkomt, hangt af van bewolking, de
lichtintensiteit en het spectrum van het licht, de oppervlaktestructuur van het water (bijvoorbeeld
golven), de zonhoogte en -hoek, en het lichtweerkaatsend vermogen van het wateroppervlak (albedo,
ongeveer 5–22%). Licht dat het oppervlak bereikt wordt deels gereflecteerd, deels verstrooid en deels
geabsorbeerd.
Lichtuitdoving: de wet van Lambert-Beer
Naarmate licht dieper het water indringt, wordt het exponentieel uitgedoofd. Dit wordt beschreven met
de wet van Lambert-Beer:
Iz = I0 · e−εz
Symbool Betekenis
I (of Iz) Lichtintensiteit op diepte z (µmol m⁻² s⁻¹)
I₀ Lichtintensiteit direct onder het wateroppervlak
Pagina 3
, AQUATISCHE ECOLOGIE — TENTAMENSAMENVATTING
Symbool Betekenis
z Diepte (m)
Maat voor hoe snel licht uitdooft (m⁻¹); hoger ε = sneller uitdovend,
ε (extinctiecoefficient)
troebeler water
De grootte van ε wordt bepaald door vijf factoren: (1) chlorofyl van fytoplankton, (2) anorganisch
zwevend stof (gloeirest), (3) organisch zwevend stof (detritus), (4) opgeloste stoffen zoals humus- en
fulvinezuren, en (5) absorptie door het water zelf, plus verstrooiing van licht. PAR (Photosynthetic Active
Radiation) is het deel van het lichtspectrum tussen 400 en 700 nm dat door planten gebruikt kan
worden voor fotosynthese.
Figuur 1.1 — Links: lichtuitdoving met de diepte volgens de wet van Lambert-Beer, voor helder water (lage ε) en troebel
water (hoge ε). Rechts: zonering van een waterlichaam op basis van de hoeveelheid beschikbaar licht.
Zonering op basis van licht
• Eufotische zone: voldoende licht voor netto fotosynthese (productie > verbruik).
• Difotische zone: er is nog wel licht aanwezig, maar onvoldoende voor (netto) fotosynthese.
• Afotische zone: geen zonlicht meer aanwezig.
Pagina 4