Multinationals = bedrijven die actief zijn in het buitenland en in meerdere landen tegelijk.
Internationaal ondernemen = economische activiteiten over de landsgrens of handelingen die
nodig zijn om zaken te doen in het buitenland.
Voordelen van uitbesteding in lagelonenlanden:
- Kennisdeling met buitenlandse partners om sterker dan de concurrent te staan.
- Schaalvoordelen realiseren
- Verhoging productiviteit
- Werken met goedkopere arbeidskrachten
Globalisering/Mondialisering = het wereldwijd samensmelten van economieën, politieke
systemen en culturen. Niet alleen goederen en diensten, maar ook kapitaal, kennis en arbeid gaan
de wereld over.
Oorzaken van globalisering:
- Opengaan van landsgrenzen
- Opkomst van het internet
- Economische opkomst van lagelonenlanden
Voordelen van globalisering:
- Draagt bij aan hogere economische groei en welvaart
- Door globalisering kan technologische kennis worden gedeeld
- Leidt tot wijdverspreide culturele integratie
Nadelen van globalisering:
- Grotere kans op ondermijning van lonen in ontwikkelde landen
- Toename van uitbuiting van arbeiders in minder ontwikkelde landen
- Geeft multinationals veel macht
Tegenbewegingen ontstaan vanuit de nadelen van globalisering:
1. Lokalisering = terugkeren naar landen dicht bij de eigen thuis- en afzetmarkt
—> Ontstaan door de economische crisis, waarin landen hun eigen economie weer gingen
beschermen + handelsbarrières?
Waarom lokalisering:
- hoger wordende kosten van transport door stijgende olieprijs.
- Stijgende loonkosten
- technieken als 3D-printers en robotisering zorgen voor lagere productiekosten
2. Glokalisering = samentrekking van globalisering en lokalisering. Integratie van globaal met
lokaal. Denk aan producten die afgestemd worden op de lokale markt, zoals de McKroket of Lays
Patatje Joppie.
Voorwaarde voor het kiezen van glokalisering is waarde creëren op sociaal, ecologisch en
nancieel vlak.
Drie vuistregels van glokaal ondernemen:
1. Klik met je buren
2. Weet de weg op het web (internet)
3. Verplaats zo min mogelijk —> minimaal verkeer.
Bruto Nationaal Product (BNP) = de mate waarin een land deelneemt aan internationale handel.
Totale aan waarde van productie goederen en diensten + inkomens uit het buitenland voor
geleverde productiefactoren.
Belangrijke opkomende economieën:
- BRICS-landen (Brazilie, Rusland, India, China, Zuid-Afrika)
fi
, - N11-landen (Bangladesh, Egypte, Filipijnen, Iran, Indonesië, Mexico, Nigeria etc.)
- Indian Rim (landen grenzend aan de Indische oceaan)
- Landen aan de zijderoute (Centraal- en West-Azie, Midden-Oosten, Europa)
De kern van duurzaam internationaal ondernemen is de stakeholder. Niet alle stakeholder hebben
hetzelfde doel.
Duurzaam internationaal ondernemen bestaat uit drie pijlers:
1. People —> mensen binnen en buiten de organisatie. Aspecten als gezondheid, veiligheid op
de werkplek, arbeidsrechten, mensenrechten, lonen, scholing en kinderarbeid.
2. Planet —> zorg voor het milieu. Aspecten als e ciënt omgaan met grondsto en,
afvalmanagement en aandacht voor recycling.
3. Pro t —> voorwaarde voor continuïteit van een onderneming. Aspecten als locatiebeleid,
winstbestemming, dividenduitkeringen, sponsoring en goede-doelenbeleid.
Duurzaam internationaal ondernemen —> gevolgen van zakendoen voor mens, milieu en
samenleving.
Fair Trade —> verantwoording voor de gehele bedrijfskolom van een product.
—> grondsto en ingekocht tegen een eerlijke prijs
—> productieproces wordt gecontroleerd
Welke aspecten zijn belangrijk bij duurzaam internationaal ondernemen?
- duurzaamheidslabel CREEP-CSR. Aspecten: mensenrechten, milieu, eerlijk zakendoen,
consumentenbelangen en arbeidsomstandigheden
- convenant van een speci eke sector
- OESO-richtlijnen; hoe hoort een onderneming om te gaan met mensenrechten, kinderarbeid,
ketenverantwoordelijkheid en milieu
- ISO 26000 —> MVO
Theorieën over het ontstaan van internationale handel
Klassieke economen
—> macro-economische condities als nationaal inkomen, werkgelegenheid, nationale consumptie
en investeringen op de thuismarkt bepalen voor een deel de internationale concurrentiekracht.
Neo-klassieke economen
—> verschillen in (kost)prijzen en productiviteit tussen landen verklaren het ontstaan van
internationale handel.
Het land dat het goedkoopst produceert of met de minste middelen, zal de producten verkopen
aan de andere landen.
Hieruit ontstond de Theorie van absolute kostenvoordelen van Adam Smith (1723-1790).
—>
Theorie van comperatieve kostenvoordelen van David Ricardo (1772-1823)
Een land heeft een comperatief kostenvoordeel als het kan produceren tegen lagere
opportuniteitskosten dan een ander land.
Theorie van Hecker en Ohlin (1933)
—> Beschikbaarheid en prijs van productiefactoren bepalen de mate van internationale handel.
Moderne handelstheorieën (Paul Krugman)
—> Nadruk niet op productiviteit, grondsto en en hulpmiddelen, maar wel op schaalvoordelen,
consumentenvoordeel en transportkosten
Theorie Porter (1990)
—> Richt zich niet op een factor op macroniveau, maar op meerdere factoren op mesoniveau
(bedrijfstakniveau)
fi ff fi ff ffi ff
,Factoren bij onderscheidend vermogen van een sector:
- de mate en aard van de binnenlandse concurrentie
- de aanwezigheid van voldoende toeleverende bedrijvigheid
- de factorcondities op de thuismarkt (infrastructuur, kapitaal, arbeid)
- de vraagcondities (verscheidenheid in de vraag bij afnemers)
Hierdoor kan het voorkomen dat de ene bedrijfstak nog veel meer in eigen land actief is, terwijl
een andere bedrijfstak al veel langer geïnternationaliseerd is.
Manieren van internationaal ondernemen
1. Import
Motieven importeren:
- Goederen zijn in andere landen goedkoper door lagere arbeidskosten of de grondstof is
voorhanden.
- Product is nog niet op de Nederlandse markt
2. Export
Motieven exporteren:
- Nieuwe technieken en nieuwe producten zorgen voor vraag op minder ontwikkelde markten
(landen)
- De binnenlandse markt is te klein —> te weinig vraag of te groot aanbod van een product.
- Nieuwe afzetmarkten zoeken zorgt voor continuïteit van een bedrijf.
- Kostprijs kan op de buitenlandse markt concurrerend werken
- Overcapaciteit
- Strategische redenen
3. Directe investering (BDI) —> Buitenlandse Directe Investeringen
Motieven internationaal ondernemen
Proactieve motieven —> komen voort uit het beleid dat een bedrijf zelf opstelt, zonder invloeden
of bedreigingen van buitenaf.
Reactieve motieven —> komen voort uit invloeden en bedreigingen van buitenaf, en niet vanuit
het beleid dat het bedrijf zelf opstelt,
Proactieve motieven Reactieve motieven
1. Winst- en groeitdoelstellingen 1. Concurrentiekracht
2. Wil van het management 2. Kleine -en/of verzadigde markt
3. Onderscheidend vermogen van een product 3. Benutten van overcapaciteit
4. Inspelen op marktkansen in het buitenland 4. Verminderen afhankelijkheid klanten/leveranciers
5. `Schaalvoordelen 5. Stabiliseren van seizoensinvloeden
6. Integratie in de bedrijfskolom 6. Nabijheid van klanten/leveranciers
7. Belastingvoordelen 7. Korte houdbaarheid van een product
Actieve handelsbalans/handelsoverschot = export > import
Passieve handelsbalans/handelstekort = import > export
, Hoofdstuk 2: Politieke en economische omgeving
Concurrentie tussen geïmporteerde en lokale producten laat de prijzen dalen en de kwaliteit
toenemen.
Gemeenschappelijk handelsbeleid van de Europese Unie
—> streeft naar ontwikkeling van een eerlijke en duurzame wereldhandel. Gevolg —>
handelsbelemmeringen binnen de EU verdwenen. Hierdoor zien mensen in dat het liberaliseren
van wereldhandel nodig is.
Door geliberaliseerde wereldhandel kunnen producenten in de EU op eerlijke wijze concurreren
met producenten in andere landen.
De EU heeft één gemeenschappelijk importtarief.
Volledig vrij handelsverkeer wordt beperkt door:
1. Economische samenwerking tussen een aantal landen
2. Protectionisme —> beperking van de handel om de economie te beschermen
Economische samenwerking
Doel = vrij handelsverkeer
Vormen van economische samenwerking:
- vrijhandelszone
- douane-unie
- gemeenschappelijke markt
- economische en monetaire unie
Vrijhandelszone
—> geen handelsbeperkende maatregelen tussen deelnemende landen. Andere landen blijven
hun eigen douanebeleid houden.
Voordelen vrijhandelszone:
- e ciente inzet van productiefactoren
- stimulans van de concurrentie
- voorkoming van handelsoorlog
- bevordering van handel en investeringen
- bevordering van welvaart
Voorbeelden van vrijhandelsassociaties:
EFTA (NL: EVA) —>. Noorwegen, Zwitserland, IJsland, Liechtenstein.
Doel = bevorderen van vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal tussen deze
landen. Ook wordt er samengewerkt op economisch gebied.
De EER (Europese Economische Ruimte) bestaat uit de EFTA (EVA) zonder Zwitserland en alle
landen van de EU. DUS: alle landen van de EU, Liechtenstein, Noorwegen en IJsland.
NAFTA —> Canada, VS en Mexico
Doel = streven naar ophe ng van de meeste belemmeringen voor handel en investeringen tussen
Canada, VS en Mexico.
Douane-unie
—> ontstaat wanneer twee of meer landen alle onderlinge importtarieven afscha en.
—> deelnemende landen hebben een gemeenschappelijk buitentarief. Ten opzichte van alle niet-
aangesloten landen …….. —-> uitgebreide vrijhandelsassociatie
Het probleem van de uiteindelijke bestemming van geïmporteerde goederen, speelt hier niet,
omdat de betrokken landen hetzelfde tarief tegenover niet-aangesloten landen hebben.
ffi
ffi ff