Oefententamen Strafprocesrecht
Pre-master Publiekrecht – Open Universiteit
Toelichting bij de beoordeling
Per vraag staan hieronder (1) de stappen van een goed antwoord en (2) een puntenverdeling. De
punten zijn cumulatief: de student verdient punten voor de juiste juridische stappen en voor de
toepassing op de casus, niet alleen voor de eindconclusie. Een juiste conclusie zonder
onderbouwing levert hooguit de helft van de toepassingspunten op. Onjuiste wetsverwijzingen
leveren geen punten op, ook als de redenering inhoudelijk klopt.
Normering. Maximaal 100 punten. Cesuur 55 punten (5,5). Bij ≥ 55 punten: cijfer = 5,5 + 4,5 ×
(punten − 55)/45; onder 55 punten: cijfer = 1 + 4,5 × punten/55. Afronden op één decimaal.
Beoordelingsmodel Strafprocesrecht • Pagina 1 van 9
, Vraag 1 — Stelselmatige observatie (max. 6 punten)
Leereenheid 2 en 4 – opsporing en bijzondere opsporingsbevoegdheden
Stappen van een goed antwoord
• Maak onderscheid tussen lichte/incidentele observatie op grond van de algemene taakstelling (art.
3 Politiewet 2012) en stelselmatige observatie als bijzondere opsporingsbevoegdheid.
• Benoem het criterium voor “stelselmatig”: de observatie is stelselmatig als daarmee een min of
meer compleet beeld van bepaalde aspecten van iemands leven kan worden verkregen.
Relevante factoren: duur, plaats, intensiteit/frequentie en het gebruik van een technisch hulpmiddel
(camera).
• Conclusie wetsgrondslag: stelselmatige observatie vereist een bevel van de officier van justitie (art.
126g Sv).
• Toepassing: twee weken observatie, deels met een vaste camera op de voordeur, levert een
compleet beeld op → stelselmatig → bevel OvJ ex art. 126g Sv vereist. Ontbreekt dat bevel, dan is
sprake van een vormverzuim.
Puntenverdeling
Beoordelingspunt Punten
Onderscheid art. 3 Politiewet 2012 / stelselmatige observatie 1
Criterium stelselmatigheid (compleet beeld) + relevante factoren 2
Juiste grondslag art. 126g Sv + bevel OvJ 2
Gemotiveerde toepassing op de casus (stelselmatig) 1
Totaal 6
Vraag 2 — Verdachte (art. 27 Sv) en staandehouding (art. 52 Sv) (max. 6 punten)
Leereenheid 2 – de verdachte en de verdenking
Stappen van een goed antwoord
• Definieer de verdachte vóór vervolging (art. 27 lid 1 Sv): degene te wiens aanzien uit feiten en
omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Het
vermoeden moet objectiveerbaar zijn.
• Staande houden ter vaststelling van de identiteit mag alleen ten aanzien van een verdachte (art.
52 Sv).
• Maak het onderscheid met een identiteits-/verkeerscontrole (bv. art. 160 WVW): daarvoor is geen
verdenking nodig; staande houden op grond van art. 52 Sv vereist die wel.
• Toepassing met conclusie: of de anonieme melding plus het waargenomen kortstondige bezoek al
een redelijk vermoeden opleveren is verdedigbaar (een anonieme tip alleen is doorgaans
onvoldoende, maar in combinatie met eigen waarnemingen kan dat anders liggen). De
henneplucht en het zichtbare gripzakje leveren in elk geval een redelijk vermoeden op; vanaf dat
moment is Bram zonder twijfel verdachte.
Puntenverdeling
Beoordelingspunt Punten
Definitie verdachte art. 27 lid 1 Sv (redelijk vermoeden, objectiveerbaar) 2
Staande houden alleen van verdachte (art. 52 Sv) 1
Onderscheid met identiteitscontrole zonder verdenking 1
Beargumenteerde toepassing + conclusie 2
Totaal 6
Beoordelingsmodel Strafprocesrecht • Pagina 2 van 9