Vraag 1: Welke rolverdeling was typerend voor het gezin in de historische
opvoedpraktijk volgens de brontekst?
A) Ouders deelden de zorgtaken en het gezag op basis van gelijkwaardigheid.
B) De vader vervulde de gezagsrol en de moeder was primair verantwoordelijk voor de
zorg.
C) De lokale gemeenschap nam de primaire opvoedtaken over van de ouders.
D) De moeder was verantwoordelijk voor het gezag en de vader voor de financiële
middelen.
Vraag 2: Wat wordt in de context van modern opvoeden verstaan onder het begrip
'pluraliteit'?
A) De verschuiving van collectieve normen naar individuele talenten.
B) De noodzaak voor ouders om vaker deskundige hulp in te schakelen.
C) De grote diversiteit aan opvoedingsstijlen en levensvisies die naast elkaar bestaan.
D) De invloed van digitale technologieën op de morele ontwikkeling van het kind.
Vraag 3: Welke specifieke pedagogische uitdaging brengt de digitalisering met
zich mee voor hedendaagse ouders?
A) Het herstellen van de hiërarchische gezagsverhouding binnen het gezin.
B) Het bieden van begeleiding in de online wereld en het bewaken van schermtijd.
C) Het voorkomen dat kinderen uitsluitend nog individueel gericht zijn.
D) Het vertalen van online waarden naar de traditionele kerkelijke normen.
Vraag 4: Hoe definieert de brontekst de wetenschappelijke discipline van de
pedagogiek?
A) De studie naar de biologische rijping van het menselijk zenuwstelsel.
B) Het aanleren van praktische vaardigheden aan ouders in complexe situaties.
C) De discipline die de opvoeding, ontwikkeling en vorming van kinderen en jongeren
bestudeert.
D) De methodiek voor het behandelen van ernstige gedragsproblemen bij adolescenten.
Vraag 5: Wat wordt binnen de pedagogiek verstaan onder 'middelen van
opvoeding'?
A) De maatschappelijke doelen die men met het kind wil bereiken.
B) De financiële tegemoetkomingen voor gezinnen in achterstandswijken.
C) De morele kompassen die de keuzes van opvoeders sturen.
D) De concrete methoden en interacties die worden ingezet om de ontwikkeling te
sturen.
Vraag 6: Waarom is de pedagogiek inherent verbonden met morele en normatieve
aspecten?
A) Omdat opvoeding altijd gaat over de vraag wat 'goed' of 'juist' is.
B) Omdat pedagogiek gebaseerd is op universele biologische wetmatigheden.
C) Omdat de overheid de normen voor opvoeding wettelijk heeft vastgelegd.
D) Omdat het primair gericht is op het handhaven van sociale harmonie.
2
, Vraag 7: Wat was de prioriteit binnen de historische stroming van de 'morele
opvoeding'?
A) Het stimuleren van de autonomie van het kind.
B) Karaktervorming en het aanleren van strikte deugden.
C) Het aanpassen van de opvoeding aan natuurlijke levensfasen.
D) Het bestrijden van armoede binnen de sociale omgeving.
Vraag 8: Welke verandering bracht het 'ontwikkelingsgericht denken' teweeg in de
geschiedenis van de pedagogiek?
A) Meer wetenschappelijke aandacht voor de rijping en natuurlijke levensfasen van het
kind.
B) Een verschuiving naar een hiërarchische gezagsstructuur binnen het gezin.
C) De erkenning van de moeder als de enige verantwoordelijke voor karaktervorming.
D) De introductie van het onderhandelingsmodel in de vroege kinderjaren.
Vraag 9: Wat wordt erkend binnen het 'contextueel perspectief' op de ontwikkeling
van het kind?
A) Dat biologische factoren de enige bepalende factor zijn voor opvoedsucces.
B) Dat de focus moet liggen op het medisch classificeren van afwijkingen.
C) Dat omgevingsfactoren zoals armoede of cultuur een bepalende invloed hebben.
D) Dat het kind een passief subject is in zijn eigen groeiproces.
Vraag 10: Wanneer wordt de hulp van de orthopedagogiek specifiek ingeschakeld?
A) Wanneer de reguliere opvoeding niet meer toereikend is door gedrags- of
leerproblemen.
B) Bij het vaststellen van de algemene morele kaders voor het basisonderwijs.
C) Bij de ondersteuning van gezonde jongeren bij hun dagelijkse studiekeuzes.
D) Wanneer een kind behoefte heeft aan meer fysieke uitdaging in sport.
Vraag 11: Wat is het doel van het 'ontwikkelingsperspectief' binnen de
orthopedagogiek?
A) Het uitsluitend in kaart brengen van wat er misgaat bij het kind.
B) Het zoeken naar resterende groeikansen en het versterken van wat wel goed gaat.
C) Het labelen van stoornissen om de communicatie tussen artsen te vergemakkelijken.
D) Het dwingen van het kind om zich aan te passen aan de institutionele context.
Vraag 12: Waarom is interdisciplinair werken essentieel bij complexe
opvoedingsproblematiek?
A) Om de kosten van de hulpverlening over verschillende sectoren te spreiden.
B) Zodat één professional de volledige regie over alle levensgebieden kan overnemen.
C) Om expertise te bundelen voor een integraal behandelplan dat alle aspecten dekt.
D) Om te voorkomen dat ouders zelf keuzes moeten maken in het hulptraject.
Vraag 13: Wat is een van de belangrijkste functies van classificatiesystemen voor
professionals?
A) Het vervangen van de noodzaak voor een brede contextuele analyse.
B) Het bevorderen van eenduidige communicatie tussen verschillende professionals.
3