HOOFDSTUK 1 – KENNISMAKING MET HET INTERNATIONAAL RECHT
1.1 de geschiedenis van internationaal recht: is van oudsher het recht tussen staten onderling. Al ver
voor het begin maakten volken onderlinge afspraken en legden deze schriftelijk vast. Eerst de
Mesopotamië en daarna de koning van de Hittieten en vervolgens de Grieken en Romeinen. 500-1000
v chr ontwikkelde zich handelsrecht. Tijdens 1500-1700 ontstonden er vredespacten. Er kwamen
verschillende verdragen tegen oorlogen: de vrede van munster, het verdrag van Osnabrück, het
verdrag van Munster. Tijdens het tijdperk van verlichtingen 1650-1800 ontstaat het besef dat men een
einde moet maken met de oorlogen die overal ter wereld plaats vinden. Men met elkaar moet
onderhandelen om een evenwicht te bereiken in Europa, een gevolg hiervan is het Vrede van Utrecht.
Het besef na de tweede wereld oorlog komt een van de grootste internationale organisaties. De
Verenigde Naties. Dit zou moeten leiden tot meer stabiliteit en vrede.
Volkenrecht geeft de indruk dat dit de enige spelers in het internationale recht zijn. Maar staten zijn de
belangrijkste spelers.
Internationaal versus nationaal: nationaal is voor het grondgebieden van de staten zelf. Internationaal
gelden er andere regels namelijk regelgeving die staten waardevol vinden om daadwerkelijk na te
komen.
Publiek versus privaat: internationaal privaatrecht richt zich met name op de geschillen tussen
natuurlijke en of rechtspersonen onderling (verbindingen tussen landen). Het publiek bedenkt
regelgeving om de internationale problemen op te lossen.
Formeel versus materieel: bij formeel gaat het om procesrecht.
In het conflictrecht worden andere aangeknoopt bij de nationaliteit van de betrokken partijen. Het
land waar partijen hun gewone verblijfplaats hebben.
1.2 vaak leggen de staten de afspraken vast in schriftelijke overeenkomsten (verdragen). Ook
internationale organisaties kunnen verdragen sluiten – EU. Staten zijn soeverein: juridisch gelijk aan
elkaar, hoogste macht of hoogste gezag.
Momenteel zijn er 193 staten lid van de VN. Zij kunnen zelfstandig verplichtingen met andere staten
aangaan. Een aantal andere landen kunnen dit ook
hoewel ze geen lid van de VN. We spreken bij het
internationaal recht van een horizontale rechtsorde.
Bij het lid worden van de VN staat een land toe bepaalde soevereiniteit af te staan, ze kunnen hier ook
op terug komen door bijvoorbeeld het te verlaten. Vreedzame co-existentie is er ernaar streven
landen die elkaars politieke tegenstander die naast elkaar liggen.
Staten zijn ook afhankelijk van elkaar. Ze hebben elkaar nodig om afspraken te maken en gedachten
en steun uitte delen. Staten zijn in toenemende mate afhankelijk van elkaar of interdependent
(wederzijdse, onderlinge afhankelijkheid).
We hebben in Nederland tal van internationale organisaties gevestigd. Het Vredespaleis en het
Internationaal strafhof in Den Haag. Macht is erg belangrijk. Zo kunnen alle landen wel formeel
soeverein aan elkaar gelijk zijn, maar de politieke, economische en militaire macht van sommige
landen (BV VS en China) zijn veel groter dan andere.
HOOFDSTUK 2 – INTERNATIONALE RECHTSSUBJECTEN
,2.1 rechtssubjecten: zelfstandige dragers van rechten en plichten. Met andere woorden, alle actoren
(de betrokken personen) die rechtsbevoegdheid bezitten. Bij het internationaal recht hebben we
natuurlijke personen en rechtspersonen. Ze kunnen zelfstandig deelnemen aan het internationaal
rechtsverkeer. Men gaat er echter nog steeds vanuit dat alleen staten volledige
internationaalrechtelijke rechtspersoonlijkheid hebben.
2.2 het internationaal publiekrecht regelt de verhouding tussen staten. De staat is dus
internationaalrechtelijke subject bij uitstek. Wat maakt nou een staat een staat hier zijn drie dingen
voor nodig:
1. Territoir of grondgebied: de grote van het grondgebied maakt niet uit. Binnenwateren en
stroken zee max 12 zeemijl worden ook meegerekend als grondgebied. Ook het
luchtkolommen boven deze gebieden. Het is fijn om te weten wat de grondgebied is want hier
oefent de wetgever en de uitvoerende macht hun machten uit.
2. Bevolking: geen minimumaantal inwoners waaraan moet worden gedaan. De bevolking is
gebaseerd van op de nationaliteit van burgers. Er bestaat een verschil tussen bewoners van
een staat die wel een nationaliteit van de staat hebben en bewoners die dit niet hebben
(vreemdelingen). Deze hebben dan andere rechtsgevolgen.
a. Ius soli-beginsel: nationaliteit gekregen via grondgebied.
b. Ius sanguis-beginsel: nationaliteit gekregen via ouders.
De bevolkingsleden hebben allemaal recht op bescherming van de staat en dus ook op
consulaire bijstand wanneer zij in een andere staat worden vervolgd. Wanneer men de
nationaliteit pas later verkregen heeft, kan dit problemen opleveren.
3. Een regering oefent er effectief het hoogste gezag uit - soevereiniteit: ook andere
organisaties dan de staat kunnen regels maken. Alleen de staat mag gebruik maken van
geweldsmonopolie. Hierdoor is de staat uniek.
4. Erkenning (niet een van de drie punten): dit is geen definitieve element voor dat een staat
wordt gezien als een staat. We spreken hier van een declaratoir of verklarend element. A
cortrairio geredeneerd: wanneer een entiteit aan de 3 punten voldoet en dus feitelijk een
staat is, heeft het er niets aan wanneer andere staten haar niet erkennen en er geen relaties
mee aangaan.
Er zijn drie manieren waarop een staat tot stand kan komen:
1. Samenvoeging: twee of meer landen die samen komen. BV noord en zuid Vietnam, DRB EN
DDR naar Duitsland.
2. Afscheiding: nieuwe entiteit zich afscheidt van een grondgebied van een al bestaande staat.
BV Zuid-Soedan van Soedan.
3. Ontbinding: nieuwe staat die ontstaat door ontbinding van bestaande staten. BV
Joegoslavië: Slovenië, Kroatië enz.
Staten hebben recht op vreedzame co-existentie (samenleving), onafhankelijkheid en
gelijkwaardigheid. Later stelt men vast dat het beter is om samen te werken, omdat staten niet al hun
(beleid)doelen zelfstandig kunnen realiseren. Hierdoor kwamen er een aantal beginselen uitwerken
met als belangrijkste elementen: respect, integriteit, non-agressie, non-interventie.
2.3 de internationaal rechts is mede een gevolg van onderlinge afhankelijkheid (interdependentie)
van staten. Staten kunnen internationaalrechtelijke organisaties oprichten (volkenrechtelijke
organisaties).BV EU, NAVO, VN, OAS. Internationale organisaties worden door de overheden van
staten opricht op basis vn internationaalrechtelijke regels. Ze moeten een deel van hun soevereiniteit
afstaan, zodat die organisatie bevoegd is om besluiten te nemen. Deze besluiten is een
gekwalificeerde meerderheid voor nodig. Een staat kan een besluit niet in zijn eentje tegen houden.
Hier spreken we dan van een supranationaal karakter.
Je hebt ook intergouvernementele organisaties dit zijn organisaties tussen regering/overheden. Zeg
, iets over de besluitvorming.
Als een organisatie is oprecht voor een specifiek doel is dit een functionele organisatie. BV
reparation for Injuries. Hierbij zit een theorie van implied powers: dat de internationale organisatie VN
werd opgericht met de bedoeling haar bevoegdheden te geven en daarbij ook rechten en plichten om
die te kunnen uitoefenen.
2.4 de rechten en plichten van natuurlijke personen moet worden gerealiseerd via de staat. De
verboden om internationale misdrijven (nazi’s en massamoorden) te begaan, zijn van dringende aard
en hebben een absolute werking. Omdat de daders volgens het Duitse en Japanse nationaal recht
niet strafbaar kunnen zijn richtte we het Nurnbergtrubunaal en het tokiotrubunaal op, zodat naleving
van de verboden van internationale misdrijven via het internationale recht kan worden afgedwongen.
Als een natuurlijk persoon van mening is dat hun rechten worden geschonden kunnen ze in beroep bij
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Zijn bindend voor de betrokken lidstaten. In
Nederland kunnen we ook op het recht van Nederland beroep doen via het EVRM.
2.5 het volkenrecht noemen we nu het internationaal(publiek)recht. In art 1 lid 2 VN-Handvest vinden
we een belangrijke bepaling voor volken: met volken bedoelt men gemeenschap, een groep mensen
die in een bepaald land wonen en die onder andere geschiedenis, taal en cultuur met elkaar delen.
zelfbeschikking: dat volken binnen een staat zelf mogen bepalen hoe die staat wordt ingericht
(monarchie of republiek) recht hebben om zich af te scheiden van de staat waarin zich bevinden en
een eigen staat te kunnen vestigen.
Veelvolkerenstaten: staten waarin veel volken naast elkaar leefden, zonder dat een van hun
nadrukkelijk op de voorgrond trad.
Er zijn veel staten toch onafhankelijk geworden want de VN groeit van 51 leden bij de oprichting tot
193 nu. Daaruit blijkt wel dat veel volken met een beroep op het zelfbeschikkingsrecht een
onafhankelijke staat hebben kunnen worden.
2.6 sommige ondernemingen kunnen ook een internationaal rechtssubject zijn. We hebben het dan
over multinationale ondernemingen (onderneming met een hoofdvestiging in een land en
nevenvestigingen in andere landen BV Philips, IKEA) of transnationale ondernemingen (geen
hoofdkantoor in een moederland, maar verspreid de activiteit over meerdere landen en heeft geen
gedecentraliseerd managementsysteem BV McDonalds, Nokia).
Al deze ondernemingen zijn dus niet gelijk internationaal rechtssubjecten, maar alleen onder bepaalde
specifieke omstandigheden. Hun internationale rechtspersoonlijkheid is erg beperkt. Ook komt het
voor dat bestuurders van ondernemingen vervolgd worden vanwege betrokkenheid bij
mensenrechtenschendingen of oorlogsmisdadiger.
2.7 komt wel eens voor dat staten weinig controle hebben over een deel van hun grondgebied. Dit
komt dor opstandige groeperingen. Dergelijke groeperingen hebben in feite (de facto) de effectieve en
zeggenschap in deze gebieden. Deze gebieden worden vaak niet erkend en hieruit kan een burger
oorlog ontstaan. Er wordt wel regelmatig samengewerkt met de de-factorereging over onderwerpen.
2.8 in het geval van bevrijdingsbewegingen hebben we het over groeperingen die strijden tegen
kolonialisme, racisme en bezetting door vreemde.
2.9 non-gouvernementele organisaties het behartigen van een gezamenlijk belang. (greenpeace,
rode kruis, wereld natuurfonds). Rechtspersoon naar nationaal recht. Zijn vaak stichtingen of
verenigingen waardoor ze meedoen in het privaatrechtelijke verkeer. Ze zijn dus niet automatisch een
internationaal rechtssubject.