HOOFDSTUK 1 – INLEIDING IN DE SOCIALE ZEKERHEID:
1.1 Een belangrijk uitgangspunt van sociale zekerheid is dan ook collectiviteit en solidariteit: het door
middel van wetgeving gezamenlijk dragen van de individuele risico’s.
De waarborgfunctie – inkomenszekerheid – is een belangrijke pijler van sociale zekerheid. Het sociale
minimum is hierbij de ondergrens. Stijgt het minimum loon, dan stijgen ook de uitkeringen. (koppeling).
Mensen die gehuwd zijn krijgen 50% samen dus 100%, alleenstaande ouders krijgen 70% van het
minimumloon.
De belasting en premiedruk is in Nederland hoof: op het brutosalaris wordt ongeveer een derde
ingehouden aan belastingen en premies hierdoor zijn de loonkosten voor werkgevers relatief hoog en
is het verschil bruto en netto voor werknemer groot. Om te zorgen dat men bereid is en blijft om het
stelsel van sociale zekerheid in stand te houden is in de loop der tijd steeds meer aandacht gekomen
voor uitkering rechtigden en fraudebestrijding. (alleen betalen als het echt nodig is). De
volksverzekeringen worden door premiesheffingen betaald, werkennemersverzekeringen door
werknemers en werkgevers en sociale voorzieningen door de belastingopbrengst.
De zogenoemde sociale partner hadden vroeger een grote rol in de uitvoering van de sociale
zekerheid. De werkgevers en werkgeversorganisaties (vakbonden) werden zo genoemd, omdat zij
overlegpartners zijn met stichting van arbeid en sociaal-economie. Sinds 2015 kennen we 35
regionale werkbedrijven waarin werkgevers en
vakbonden samen met gemeenten. UWV
afspraken maakt met het doel zo veel mogelijk
mensen met een arbeidsbeperking aan een
reguliere arbeidsplaats te helpen.
1.2 In de sociale zekerheid maken we onderscheid
tussen werknemersverzekeringen,
volksverzekeringen en sociale voorzieningen. Deze
drieling heeft te maken met de kring van de
verzekerden en wie dit financieren regelt, de
uitvoering en de voorwaarden.
Verplicht systeem: het is niet mogelijk dat een
individu zich onttrekt aan deze verzekering (volks
en werknemers verzekeringen) door te stellen dat hij geen prijst stelt op een collectieve verzekering,
maar zich individueel wil verzekering. De overheid is bang dat jongeren zich slecht verzekeren of dat
hierdoor het systeem onbetaalbaar wordt. Iedereen die dus in Nederland werkt en woont doet dus
mee aan dit systeem. Voor werknemers en volksverzekeringen geldt een maximumininkomen
waarover premie moet betaald worden.
Bij sociale voorzieningen gaat het niet om een verplichten verzekering, aar om een voorziening die
betaald wordt uit de algemene middelen.
Werknemersverzekeringen Volksverzekeringen Sociale voorzieningen
Welke wetten: WW, WOA, WIA en ZW AOW, Wlz, Anw, Zvw Participatiewet, AKW, IOAW, IOW, TW.
Wajong, Wmo, kgb
Wie verzekerd: Werknemer zijn verzekerd, die op Alle ingezeten van Nederland. Iedere Nederlander en tevens de niet-
grond van een arbeidsovereenkomst Voor AOW geldt een Nederlander die hier rechtmatig verblijft.
werkzaam zijn. Hierbij geldt het opbouwsysteem vanaf je 17
territorialiteitsbeginsel: de persoon die bouw je 2% op.
werkt in Nederland volgt deze regels.
De financiering: Werknemers of werkgever de premie Door iedereen die Wordt betaald uit de algemene middelen.
betalen gebaseerd op het loon van de inkomstenbelasting betaald.
werknemer. Werk je in loon dienst is dit de
loonheffing op het inkomen.
Anders doet de
Belastingdienst het over je
inkomen.
De uitvoering : Door de UWV Sociale Verzekeringsbank De gemeente (PW, IOAW, Wmo), Ook UWV
(AOW), zorgkantoren (Wlz) en en SVB voeren een of meer sociale
zorgverzekeraars (Zvw) voorzieningen uit.
Hoogte: Afgeleid van de dagloon van het Gerelateerd aan het Gerelateerd aan het minimunloon en
, afgelopen jaar. minimumloon. Ook afhankelijk van de leefsituatie. Bij sommige
volksverzekeringen is er dus een vermogenstoets.
verschaffen een individuele
uitkering, maar op dit
uitgangspunt bestaan wel
uitzonderingen.
Duur: de loongerelateerde uitkering is duur AOW duurt tot het overleiden, De duur is beperkt, zolang het inkomen
beperkt en meestal afhankelijk van het ongeacht het aantal gewerkte onder het sociale minimun ligt of behoefte
arbeidsverleden. jaren. bestaat aan een voorziening op grond van
WMO
HOOFDSTUK 2: KINDEREN
2.1 Kinderbijslag is een bijdrage in de kosten van de opvoeding en verzorging van een kind. De eerste
wet voor de kinderbijslag kwam vlak voor de tweede wereld oorlog 1939 tot stand. Dit was nog wel
anders dan we nu kennen. Zo moesten kinderen zodra ze hiertoe in staat waren zelf een bijdrage
leveren aan het gezinsinkomen. Kinderbijslag is sinds de inwerkingtreding van de wet in 1941
onderdeel van ons socialezekerheidsstelsel. Eerst voor mensen in loondienst maar vanaf 1963 als
volksverzekering. De Algemene Kinderbijslagwet (AWK) is bedoeld als tegemoetkoming in de
kosten van opvoeding en verzorging van kinderen tot 18 jaar. Het is niet kostendekkend. Het is een
inkomensonafhankelijke regeling, er wordt dus niet gekeken naar wat de ouders verdienen.
- Het AWK komt door de algemene middelen (dus belastingopbrengst). NIET premies.
Kindgebonden budget:
Naast AKW kennen we ook kindgebonden budget. (kgb). Deze heeft als doelstelling ouders met
weinig inkomen financieel te ondersteunen. Het kgb is gekoppeld aan de betaling van kinderbijslag.
Deze is wel afhankelijk van de inkomens van de ouder, aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen.
(art 2 lid 2 tot 6 wet kgk). De alleenstaande ouder zonder fiscale partner ontvangt hiernaast de
alleenstaande-ouderkop (artikel 2 lid 6 wet kgk).
- Wordt betaald door de Belastingdienst. De betreffende ouder krijgt van de Belastingdienst
automatisch bericht na de geboorte van het kind.
2.2 Kring van verzekerden:
Wie zijn verzekerde?: Artikel 6 AWK geeft aan wie de verzekerden zijn. Dit zijn degene die in
Nederland woont dan wel in Nederland werkt en onder de loonbelasting valt. Ook moet de persoon
rechtmatig in Nederland verblijven (verblijfstitel beschikken).
Wanneer is er sprake van ingezetenschap: artikel 2 en 3 AWK bepalen dit. De Sociale
Verzekeringsbank (SVB), de uitvoerder van de AKW kijkt of er een duurzame band van persoonlijke
aard bestaat tussen de persoon tussen de persoon en Nederland. (gekeken naar de betrokkene een
juridische (Nederlandse nationaliteit of geldige verblijfsvergunning), economische (loondienst of
zelfstandige, huis huurt of koophuis) en sociale (aanwezigheid van familie of volgen van een cursus of
lidmaatschap van een vereniging) binding heeft). Na drie jaar uit Nederland te zijn vertrokken,
beëindigd je ingezetenschap. Bij terugkeer van iemand met de Nederlandse nationaliteit vanuit het
buitenland, waarbij nog geen werk of woning heeft, hangt het af van de feiten en omstandigheden of
de betreffende persoon verzekerd is.
Voor iemand die nieuw is in het land. Om aangemerkt te worden moet er sprake zijn van een
duurzame band van persoonlijke aard. Er gaan meestal paar jaar overheen aangezien het duurzame
moet blijken uit de feiten en omstandigheden. UITZONDERING: waarbij duidelijk is dat alle banden
definitief met het land van herkomst zijn verbroken. – een vluchteling heeft recht op kinderbijslag vanaf
het moment dat hij een huurwoning betrekt mits deze is ingeschreven bij BRP en een
verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend.
Voor welke kinderen? Recht op kinderbijslag bestaat voor eigen, aangehuwde of pleegkind. Een
schoonzoon of schoondochter is geen aangehuwd kind.
Thuiswonende kinderen tot 18 jaar. Kinderbijslag maakt onderscheid tussen kinderen tot 18 jaar die
thuis wonen en kinderen tot 18 jaar die door de verzekerde worden onderhouden. (art 7 AKW). In lid 1
staat dat als kind tot het huishouden van de verzekerde behoort, hiervoor kijkt de SVB naar de aantal
, nachten dat het kind per week thuis is. (bij tijdelijk ergens anders wonen zoals internaat of ziekenhuis
blijft het gedurende zes maanden als thuiswonend aangemerkt).
Uitwonende kinderen tot 18 jaar: voor hun bestaat recht op kinderbijslag als de verzekerde aan de
onderhoudeis voldoet. Hij moet aantonen dat hij bijdraagt in de kosten van de verzorging en
onderhoud van het kind. (denk aan een echtscheiding). – een bankafschriften lijst is voldoende om
aan te tonen dat hier aan voldaan wordt. Er wordt hier GEEN rekening gehouden met de draagkracht
van de verzekerde, er MOET een bepaald bedrag per kwartaal overgemaakt worden naar de kinderen
die uitwonend zijn/de verzorger.
Extra voorwaarde voor kinderen van 16 en 17 jaar: voor het recht op kinderbijslag voor een kind van
16 of 17 jaar moet ook nog aan een extra voorwaarde worden voldaan. Het kind van 16/16 moet een
dagopleiding volgen die een startkwalificatie oplevert, of vrijgesteld vanwege een handicap. Een
andere voorwaarde is dat een kind niet meer dan 16 uur in vier weken mag spijbelen. Dit is dan te
verwijten aan de ouders, en de uiterste consequentie is dat het recht op kinderbijslag voor de ouders
over dat kind vervalt. Volgt een kind op jaar een beroepsopleiding, waarvoor er
studiefinanciering mogelijk is, bestaat er GEEN recht op kinderbijslag meer.
2.3 Hoogte kinderbijslag:
de hoogte van de kinderbijslag is een vast basiskinderbijslagbedrag en is afhankelijk van de leefdtijd.
(artikel 12 lid 1 en 3 AWK). Het bedrag dat voor het kind is die buiten Nederland woont, hangt af van
de levensonderhoud in het land waar het kind woont. Deze kan nooit hoger zijn dan die in Nederland.
Dubbele kinderbijslag: in sommige gevallen bestaan er dubbele kinderbijslag voor een kind. Dit is het
geval als het kind niet thuis woont en de ouder/verzorger kan aantonen dat hij een bepaald bedrag
besteedt aan het onderhoud van het kind. Art 7 lid 6 AKW. Hier staat dan ook gelijk de eisen in
vermeld.
Ook geldt een dubbele voor kind van 3 tot 18 jaar dat thuis woont en intensieve zorg nodig heeft. Ook
een ouder/verzorger die geen partner heeft of een partner met geen of weinig inkomen. Het CIZ heeft
een puntenlijst met tien onderwerpen waarbij als het kind dit nodig heeft een punt wordt gerekend.
Heeft een kind van drie tot vijf minimaal vijf punten, van zes tot negen vier punten en kind van tien tot
zeventien drie punten is er sprake van intensieve zorg.
2.4 Ingang en uitvoering:
De uitvoering wordt gedaan door de SVB. Benoemd in artikel 14 AWK. Kinderbijslag word 4 keer per
jaar uitgekeerd. De uitbetaling kan ten hoogste een jaar terug gaan. Ouders krijgen automatisch een
aanvraagformulier toegestuurd na aangifte van de geboorte van het eerste kind. Voor de daarop
volgende kinderen hoeft dit dan niet meer te gebeuren. De peildatum is 1 januari, 1 april, 1 juli en 1
oktober. Op deze datum moet de verzekerde aan de voorwaarden voldoen. (artikel 11 lid 1 AKW) – dit
geldt niet voor de onderhoudseis.
- gescheiden ouders: Beide ouders kunnen recht hebben op kinderbijslag. Stel het kind woont
gedeeltelijk bij de vader en in het weekend bij zijn moeder dan moet de moeder wel voldoen aan
de onderhoudeis voordat het ook zij kinderbijslag mag krijgen. Het is niet de bedoeling dat
kinderbijslag aan beide ouders wordt uitgekeerd, daarom kent de wet een samenloopregeling.
Woont het kind bij een van de ouder, dan gaat diens recht voor. Anders wordt het kinderbijslag
betaald aan de persoon die de hoogste bijdrage in het onderhoud van dit kind levert.
2.5 terugvordering en boete:
Verzekerde is verplicht op verzoek of op eigen initiatief alle informatie aan het SVB door te geven, wat
voor belang is voor het vaststellen van het recht op kinderbijslag. (art 15). Dit geldt NIET voor de
nationaliteit, sluiten of eindigen van huwelijk, adreswijzing, geboorten en overlijden.
De SVB kan omdat er te veel kinderbijslag betaald is omdat de verzekerde zijn inlichtingenplicht niet is
nagekomen, terugvorderen. Als de betrokkene wel als zijn verplichtingen is nagekomen en hij ook niet
heeft kunnen weten dat de uitkering ten onrechten werd verleend, dan zal de SVB NIET overgaan op
terugvordering (vertrouwensings en rechtszekerheidsbeginsel). Ook als er sprake is van dringende
redenen gaan ze niet over op terugvordering.
- Boete: heeft de betrokkene niet aan zijn inlichtingenplicht voldaan, dan kan hij naast een
terugvordering te maken krijgen met een boete. Informatie die de verzekerde binnen vier weken moet