H1: ontwikkelingspsychopathologie .........................................................................................2
H2: classificatie, diagnostiek en epidemiologie.........................................................................2
H3: theorieën over ontwikkeling ...............................................................................................4
H7: gehechtheid en hechtingsstoornissen ................................................................................7
H7: autismespectrumstoornis .................................................................................................9
H11: zelfregulatie en ADHD.................................................................................................... 15
H12: agressie en gedragsstoornissen ..................................................................................... 19
H13: angst- en angststoornissen ............................................................................................ 24
H14: stemming en stemmingsstoornissen .............................................................................. 26
H15: eten en eetstoornissen .................................................................................................. 29
H16: middelengebruik en middelenmisbruik .......................................................................... 32
Verstandelijke beperking........................................................................................................ 35
Dementie .............................................................................................................................. 36
Persoonlijkheidsproblamtiek ................................................................................................. 37
Info uit:
• Boek: ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jongeren hoofdstuk
1,2,3,7,8,11,12,13,14,15 en 16
• Een deel van het boek: basisboek ondersteuning aan mensen met een verstandelijke
beperking hoofdstuk 1, 2 en 3
• Een deel van het boek: psychische aandoeningen, psychopathologie vanuit
herstelperspectief hoofdstuk 14 persoonlijkheidsproblematiek
• Artikel over dementie door lectoraat goed leven met dementie Windesheim Zwolle
,H1: ontwikkelingspsychopathologie
Ontwikkelingspsychopathologie bestudeert hoe psychische stoornissen ontstaan en zich
ontwikkelen binnen de normale ontwikkeling van een kind, in interactie met biologische,
psychologische en sociale factoren. Het is de wetenschappelijke discipline die onderzoekt hoe
psychische stoornissen ontstaan, hoe deze zich ontwikkelen over de levensloop en hoe normaal
en afwijkend gedrag zich tot elkaar verhouden.
Belangrijk uitgangspunt
• Gedrag wordt altijd bekeken in relatie tot normale ontwikkeling
• Ontwikkeling is dynamisch (verandert door de tijd)
• Er is altijd een wisselwerking tussen kind, omgeving en maatschappij
De studie gebruik kennis uit: psychologie (ontwikkeling en gedrag), psychiatrie (stoornissen en
diagnose), pedagogiek (opvoeding), biologie (erfelijkheid), sociologie en cultuur (omgeving en
maatschappij).
Ontwikkelingspsychopathologie kijkt niet alleen naar stoornissen, maar vooral naar: hoe
problemen ontstaan, welke factoren invloed hebben en hoe je problemen kunt voorkomen of
verminderen.
H2: classificatie, diagnostiek en epidemiologie
Classificeren: gedrag en problemen herkennen, benoemen en indelen in een categorie. Het
gaat vooral om: ‘’wat is er aan de hand?’’. Bij classificeren kijk je naar: symptomen, kenmerken
van gedrag en overeenkomsten met andere stoornissen.
Diagnosticeren: proberen te begrijpen en verklaren hoe problemen zijn ontstaan. Het gaat
vooral om: ‘’hoe komt dit gedrag?’’. Bij diagnostiek kijk je naar: oorzaken, ontwikkeling van het
kind, gezin en omgeving, beschermende en risicofactoren, biologische, psychische en sociale
factoren.
Verschil classificeren en diagnosticeren:
• Classificeren = herkennen, kijken wat iemand heeft
• Diagnosticeren = begrijpen, onderzoeken hoe en waarom de problemen zijn ontstaan
Epidemiologie: onderzoek naar hoe vaak psychische of lichamelijke problemen voorkomen bij
mensen. Er wordt gekeken naar: hoeveel mensen een stoornis hebben, bij welke groepen het
voorkomt, waardoor de kans groter of kleiner wordt. Epidemiologie helpt psychische problemen
beter te begrijpen, risicofactoren en beschermende factoren te ontdekken en hulpverlening
beter te organiseren.
Prevalentie: het percentage mensen dat een stoornis heeft binnen een bepaalde periode.
Prevalentie = hoeveel mensen het hebben, incidentie = hoeveel nieuwe gevallen erbij komen
, • Puntprevalentie: op één moment
• Maandprevalentie
• Jaarprevalentie
• Lifetimeprevalentie: ooit in het leven
Incidentie: het aantal nieuwe gevallen van een stoornis in een bepaalde periode
De DSM-5 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) = een
classificatiesysteem voor psychische stoornissen. Het is GEEN diagnostisch handboek. De
DSM helpt bij classificeren, maar verklaart niet waarom iemand een stoornis heeft.
Uitgangspunten van de DSM-5
1. Kijken naar symptomen: welk gedrag laat iemand zien? Welke symptomen zijn
aanwezig? De DSM kijkt niet naar de oorzaak, mar naar wat je kunt waarnemen.
2. Vaste criteria gebruiken: voor elke stoornis zijn duidelijke afspraken gemaakt → welke
symptomen erbij horen, hoeveel symptomen nodig zijn, hoe lang ze aanwezig moeten
zijn, hoe ernstig ze moeten zijn. → hierdoor gebruiken hulpverleners dezelfde regels
3. Objectief classificeren: minder gebaseerd op meningen, meer op observeerbaar
gedrag. Doel = hulpverleners moeten vaker tot dezelfde conclusie komen.
4. Problemen moeten het functioneren verstoren: de klachten moeten last veroorzaken,
het dagelijks leven beïnvloeden en problemen geven thuis, op school of sociaal.
5. Stoornissen kunnen verschillen in ernst: licht, matig en ernstig.
6. Stoornissen kunnen samen voorkomen = comorbiditeit: mensen kunnen meerdere
stoornissen tegelijk hebben.
7. DSM-5 is een classificatiesysteem, geen verklaring: de DSM zegt wat iemand heeft,
niet waarom iemand het heeft gekregen. Daarvoor heb je diagnostiek nodig.
8. De DSM-5 heeft geen aparte kinderhoofdstukken meer → kwetsbaarheden kunnen
levenslang aanwezig zijn.
Kritiek op de DSM-5:
1. Te weinig aandacht voor context: de DSM kijkt onvoldoende naar opvoeding, gezin,
cultuur en de ontwikkeling van het kind
2. Kans op stigmatisering: een ‘etiket’ kan ervoor zorgen dat: mensen anders behandeld
worden en iemand gereduceerd wordt tot zijn stoornis = stigmatisering
CBCL (Child Behavior Checklist): vragenlijst waarmee psychische en gedragsproblemen bij
kinderen worden onderzocht. Werkt dimensionaal: kijkt naar hoe ernstig de problemen zijn, niet
alleen of iemand wel/niet een stoornis heeft.
• Voordelen: sluit beter aan bij ontwikkelingspsychopathologie, laat zien hoe problemen
veranderen door de tijd, gaat ervan uit dat er geen harde grens is tussen ‘normaal’ en
‘abnormaal’, gebruikt info van; kind, ouders/betrokkene en hulpverlener
• Nadelen: minder wereldwijd gebruik → moeilijker vergelijken, minder beschikt bij
problemen met maar één duidelijk symptoom, DSM werkt dan beter.
• DSM voor psychiaters, CBCL voor psychologen
Percentielscore: psychische problemen worden vergeleken met andere kinderen. Voorbeeld:
score boven het 90e percentiel = van 100 vergelijkbare kinderen scoren er 90 lager en 10 even
hoog of hoger.
, Een onderzoek is betrouwbaar wanneer verschillende hulpverleners dezelfde conclusie trekken
• Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: verschillende onderzoekers zijn het met elkaar
eens
• Test-hertestbertrouwbaarheid: een test geeft later opnieuw ongeveer dezelfde
uitkomst
• Validiteit: meet je echt wat je wilt meten? Een test kan wel betrouwbaar zijn, maar niet
valide (niet echt juist).
H3: theorieën over ontwikkeling
Uitgangpunten in de ontwikkelingspsychologie
1. Bio-ecologische benadering: gedrag ontstaat door de wisselwerking tussen kind en
omgeving. Gedrag is dus nooit één oorzaak, maar altijd een interactie van factoren
2. Ontwikkelingsopgaven: gedrag en ontwikkeling hangen samen met taken die horen bij
een leeftijdsfase. Hoe beter eerdere opgaven zij volbracht, hoe makkelijker latere
ontwikkeling gaat.
3. Risico- en beschermende factoren: gedrag wordt beïnvloed door meerdere factoren
tegelijk.
4. Uniciteit van ontwikkeling: elk kind is uniek, daarom is elk ontwikkelingstraject anders.
Bio-ecologisch sysmteemmodel van Bronfenbrenner: dit model beschrijft hoe een kind zich
ontwikkelt binnen verschillende lagen van omgeving. (voorganger = biopsychosociaal)
1. Intrapersoonlijk niveau: genetische aanleg en temperament. Deze factoren veranderen
onderinvloed van de verschillende systemen waarin het kind functioneert, en door het
verstrijken van de tijd
2. Microsysteem: de relaties die het kind heeft met zijn directe omgeving: ouders,
leerkracht etc. face-to-face relaties relaties van meestal twee of meer personen die
elkaar beïnvloeden. De ‘motor’ van de ontwikkeling van een kind. Relatie geliefde.
3. Mesosyteem: de relaties tussen de verschillende microsystemen waarvan het kind
uitmaakt. Bijvoorbeeld ouders-leerkracht. De beïnvloeding kan ook via het kind lopen, bv
omdat een kind probleemouders heeft, gedraagt het zich problematisch op school,
waardoor een leerkracht zich zorgen gaat maken. Of andersom: een kind komt thuis met
slechte cijfer, en de ouders nemen maatregelen zodat het voortaan zijn huiswerk maakt.
4. Exosysteem: verschillende maatschappelijke systemen die via meso- en
microsystemen de ontwikkeling van het kind beïnvloeden, dus ook indirecte manier.
Vrienden van ouders.
5. Macrosysteem: grote maatschappelijke context → normen en waarden, cultuur, wetten,
religie en economie. Regels van de samenleving.
6. Chronosysteem: lichamelijke, psychische en sociale ontwikkeling die mensen door de
tijd heen doormaken. Daarbij veranderen ze onder invloed van hun omgeving.
Bijvoorbeeld generaties → aanduidingen die iets zeggen over het tijdsgewricht en de
cultuur waarin mensen opgroei(d)en.
Uitgangspunten Bronfenbrenner:
1. Wederzijdse beïnvloeding: kind en omgeving beïnvloeden altijd elkaar