Multidisciplinair werk
Dit houdt in dat meerdere disciplines betrokken zijn bij het diagnostisch proces, waarbij elke discipline
eigen onderzoekstechnieken hanteert. Voor een geïntegreerd beeld is diepgaande kennis van elkaars
referentiekaders en structureel onderling overleg essentieel.
De psychiatrische discipline
De psychiatrische discipline
Deze discipline is gestoeld op het medische model en richt zich primair op het onderkennen van
psychopathologie. Het doel is om symptomen te ordenen en vast te stellen of er sprake is van een
specifiek syndroom.
Differentiaaldiagnose
Dit betreft het systematisch onderzoek naar verschijnselen die het onderscheid maken tussen het ene en
het andere ziektebeeld. Het helpt de diagnosticus om alternatieve verklaringen voor de symptomen uit
te sluiten.
Psychiatrische classificatie
Dit is een onderdeel van de beschrijvende diagnose waarbij symptomen worden geordend om de
aanwezigheid van een syndroom aan te duiden. In de praktijk wordt hiervoor veelal gebruikgemaakt van
het classificatiesysteem van de DSM.
De ontwikkelingspsychologische discipline
De ontwikkelingspsychologische discipline
Deze discipline onderzoekt het verloop van de ontwikkeling van kinderen door empirische kennis toe te
passen in de opvoeding en hulpverlening. Centraal staat het begrijpen van het ontwikkelingsverloop en
de condities die dit proces positief of negatief beïnvloeden.
2
,ASEBA
Dit systeem omvat vragenlijsten zoals de CBCL, TRF en YSR die de ernst van klachten meetbaar maken op
een continuüm. Hoewel deze instrumenten waardevol zijn voor gespreksvoering, kunnen ze de interactie
met de omgeving minder goed in kaart brengen.
De orthopedagogische discipline
De orthopedagogische discipline
Deze discipline richt zich op de pedagogiek van het specifiek opvoeden en biedt hulp bij (dreigende)
opvoedingsstagnatie. Het doel is het herstellen van het gewone leven, waarbij de nadruk ligt op een
handelingsgerichte, gezins- en schoolgerichte werkwijze.
Theorieën in de psychodiagnostiek
Psychodynamische theorie
Deze theorie stelt dat problemen uit de vroege kinderjaren een cruciale rol spelen bij het ontstaan van
latere problematiek. De diagnostiek binnen dit kader analyseert zowel de structurele balans tussen
interne krachten als de dynamische conflicten daartussen.
Id
Binnen de psychodynamische structuur vertegenwoordigt het id de primaire, instinctieve drijfveren van
het individu. Het is het meest basale deel van de persoonlijkheid dat streeft naar onmiddellijke
behoeftebevrediging.
Superego
Dit onderdeel van de persoonlijkheid bevat de geïnternaliseerde regels en het geweten die door
socialisatie en opvoeding zijn gevormd. Het fungeert als een morele toetssteen die het gedrag van het
individu beoordeelt.
Ego
Het ego fungeert als de bemiddelaar tussen de driften van het id en de morele eisen van het superego.
Het organiseert het gedrag, reflecteert hierop en zorgt voor een realistische afstemming met de
3
, buitenwereld.
Dynamische component
Deze component binnen de psychodynamische diagnostiek legt de nadruk op de actuele conflicten
tussen het id, ego en superego. Daarnaast wordt er gekeken naar de invloed van de ouders, verzorgers
en de bredere maatschappelijke context op deze interne processen.
Gehechtheidstheorie
Deze theorie van Bowlby beschrijft de duurzame affectieve relatie tussen een kind en diens opvoeders
als fundament voor de ontwikkeling. De kwaliteit van deze gehechtheid wordt bepaald door de
sensitiviteit en responsiviteit van de opvoeder en dient als risico- of beschermfactor.
Leertheorie
Deze benadering gaat ervan uit dat probleemgedrag ontstaat door voorafgaande stimuli en wordt
bekrachtigd door de daaropvolgende consequenties. De diagnostiek richt zich hierbij op het concreet
beschrijven van gedrag en het identificeren van uitlokkende of instandhoudende factoren.
Ecologische theorie
Ontwikkeld door Bronfenbrenner, beschrijft deze theorie de voortdurende interactie tussen het individu
en verschillende omgevingsniveaus. Het model helpt om te begrijpen hoe zowel directe als indirecte
systemen de ontwikkeling van het kind beïnvloeden.
Microsysteem
Dit is het meest proximale niveau en bestaat uit de groepen waar het kind direct deel van uitmaakt, zoals
het gezin of de school. Het omvat de rollen, relaties en materiële kenmerken van de situatie, evenals de
subjectieve beleving van het kind.
Mesosysteem
Dit systeem omvat de relaties en interacties tussen de verschillende microsystemen waar het kind bij
betrokken is. Een voorbeeld hiervan is de kwaliteit van het contact tussen de ouders en de leerkrachten
op school.
Exosysteem
4