Vraag 1: Wat is het hoofddoel van psychiatrische classificatie binnen de
beschrijvende diagnose?
A) Het vaststellen van de etiologische oorzaak van gedragsproblemen.
B) Het ordenen van symptomen om de aanwezigheid van een syndroom aan te duiden.
C) Het bepalen van de specifieke behandelmethode voor een cliënt.
D) Het uitsluiten van alternatieve medische verklaringen voor klachten.
Vraag 2: Waarop ligt de centrale focus binnen de ontwikkelingspsychologische
discipline?
A) Het herstellen van het gewone leven bij opvoedingsstagnatie.
B) Het identificeren van neurocognitieve defecten in de hersenen.
C) Het begrijpen van het ontwikkelingsverloop en de beïnvloedende condities.
D) Het categoriseren van gedrag volgens statistische gemiddelden.
Vraag 3: Wat analyseert de diagnostiek binnen het psychodynamische kader
specifiek?
A) De bekrachtigingsgeschiedenis van probleemgedrag.
B) De hiërarchische structuren binnen een gezinssysteem.
C) De balans tussen interne krachten en de dynamische conflicten daartussen.
D) De interactie tussen het microsysteem en het exosysteem.
Vraag 4: Hoe wordt het 'id' gedefinieerd binnen de psychodynamische
persoonlijkheidsstructuur?
A) De primaire, instinctieve drijfveren die streven naar onmiddellijke bevrediging.
B) De bemiddelaar die zorgt voor realistische afstemming met de buitenwereld.
C) De verzameling van geïnternaliseerde regels en het geweten.
D) De bewuste reflectie op het eigen morele handelen.
Vraag 5: Welke functie vervult het 'superego' in de menselijke persoonlijkheid?
A) Het organiseren van doelgericht gedrag.
B) Het fungeren als een morele toetssteen gevormd door socialisatie.
C) Het bevredigen van biologische instincten.
D) Het objectief waarnemen van de externe realiteit.
Vraag 6: Wat is een kenmerk van de 'dynamische component' in de
psychodynamische diagnostiek?
A) Het richt zich uitsluitend op de genetische aanleg van het individu.
B) Het analyseert de actuele conflicten tussen id, ego en superego.
C) Het meet de statistische afwijking van sociaal wenselijk gedrag.
D) Het minimaliseert de invloed van de maatschappelijke context op interne processen.
Vraag 7: Waarop richt de diagnostiek zich bij de leertheoretische benadering?
A) Het identificeren van uitlokkende en instandhoudende factoren van gedrag.
B) Het blootleggen van onbewuste trauma's uit de vroege jeugd.
2
, C) Het in kaart brengen van de intergenerationele loyaliteitsbalans.
D) Het beschrijven van de subjectieve beleving van het kind in de klas.
Vraag 8: Wat wordt binnen de ecologische theorie tot het microsysteem gerekend?
A) De relatie tussen de ouders en de leerkracht van de school.
B) De sociale voorzieningen en het rechtssysteem van een land.
C) De groepen waar het kind direct deel van uitmaakt, zoals het gezin.
D) De overkoepelende culturele waarden en normen van de samenleving.
Vraag 9: Welk systeem in het model van Bronfenbrenner omvat indirecte invloeden
zoals het werk van de ouders?
A) Het microsysteem.
B) Het exosysteem.
C) Het macrosysteem.
D) Het chronosysteem.
Vraag 10: Wat omvat het macrosysteem binnen de ecologische theorie?
A) Persoonlijke transities zoals een echtscheiding.
B) De directe interactie tussen kind en leeftijdsgenoten.
C) De overkoepelende culturele elementen, waarden en normen.
D) De samenwerking tussen buurtverenigingen en sportclubs.
Vraag 11: Hoe beschouwt de structurele gezinstherapie van Minuchin een gezin?
A) Als een optelsom van individuele psychologische eigenschappen.
B) Als een zelforganiserend systeem met hiërarchieën en subsystemen.
C) Als een lineair proces van oorzaak en gevolg.
D) Als een verzameling van onafhankelijke leerprocessen.
Vraag 12: Wat is volgens Watzlawick een bron van stress in menselijke
communicatie?
A) Het ontbreken van voldoende verbale instructies.
B) Tegenstrijdigheden tussen het inhouds- en het betrekkingsniveau.
C) Een gebrek aan directe feedback tijdens een gesprek.
D) Het gebruik van te veel abstracte begrippen.
Vraag 13: Welke methodiek kenmerkt de 'directieve therapie' binnen de
systeembehandeling?
A) Een actieve rol van de hulpverlener om verandering in het systeem te forceren.
B) Een afwachtende houding waarbij de cliënt het proces volledig stuurt.
C) Het uitsluitend analyseren van dromen en vroege jeugdherinneringen.
D) Het minimaliseren van professionele interventies om autonomie te vergroten.
Vraag 14: Wat is de kernactiviteit bij de toepassing van het 'balansmodel'?
A) Het bepalen van de P-factor voor psychische kwetsbaarheid.
B) Het analyseren van de verhouding tussen draaglast en draagkracht.
C) Het meten van het IQ ten opzichte van het rekenkundig gemiddelde.
3