Vraag 1: Welke rangorde hanteert de wetgever tussen de specifieke regels van de
arbeidsovereenkomst in Boek 7 BW en de algemene regels uit Boek 3 en Boek 6
BW?
A) De algemene regels uit Boek 3 en 6 gaan altijd voor op de specifieke regels in Boek
7.
B) De specifieke regelgeving in Boek 7 gaat voor op de algemene regels uit Boek 3 en
6.
C) Partijen moeten in de arbeidsovereenkomst zelf kiezen welk boek van toepassing is.
D) De regels uit Boek 3 en 6 zijn sinds de invoering van de WNRA niet meer van
toepassing.
Vraag 2: Wat is, naast de ondergeschiktheidsrelatie, een fundamenteel kenmerk
van de onzelfstandige beroepsbevolking volgens de introductie?
A) De verplichting om eigen arbeidsmiddelen mee te nemen.
B) Het ontbreken van een loonvordering bij ziekte.
C) De economisch afhankelijke positie waarin zij verkeren.
D) De vrijheid om zelf de werktijden en de werkplek te bepalen.
Vraag 3: Wat gebeurde er op 1 januari 2020 met de rechtspositie van het overgrote
deel van de ambtenaren?
A) Zij kregen een publiekrechtelijke aanstelling onder het bestuursrecht.
B) Zij vielen vanaf dat moment onder het reguliere privaatrechtelijke arbeidsrecht.
C) Zij verloren hun ontslagbescherming volledig door de invoering van de WNRA.
D) Zij werden wettelijk gelijkgesteld aan zelfstandige ondernemers zonder personeel.
Vraag 4: Welke formele vereiste geldt er voor de geldigheid van afspraken bij
semidwingend recht?
A) De afspraak moet mondeling worden bevestigd door een vakbond.
B) De afspraak moet expliciet in een CAO zijn opgenomen, een individueel contract
volstaat niet.
C) De afspraak moet schriftelijk zijn vastgelegd in de individuele arbeidsovereenkomst
of CAO.
D) De afspraak moet vooraf worden getoetst door de kantonrechter.
Vraag 5: Wanneer zijn de regels van het 'aanvullend recht' van toepassing op een
arbeidsrelatie?
A) Alleen wanneer de werknemer schriftelijk heeft ingestemd met deze regels.
B) Wanneer werkgever en werknemer zelf geen afspraken hebben gemaakt over een
onderwerp.
C) Wanneer een CAO ontbreekt bij een bedrijf met meer dan 50 werknemers.
D) Zodra de werknemer langer dan twee jaar in dienst is bij dezelfde werkgever.
Vraag 6: Wat regelt de 'relatieve competentie' in het arbeidsrecht?
A) Welk type rechter (kantonrechter of rechtbank) de zaak moet behandelen.
B) De vraag of een geschil via arbitrage of via de rechter moet worden beslecht.
2
, C) In welke geografische plaats of arrondissement de zaak moet worden behandeld.
D) Of een zaak onder het civiele recht of onder het bestuursrecht valt.
Vraag 7: Op welke wijze moet de tegenprestatie voor arbeid worden geleverd om
juridisch als 'loon' te kwalificeren volgens artikel 7:610 BW?
A) Uitsluitend in de vorm van aandelen in de onderneming.
B) De tegenprestatie moet een vergoeding in geld zijn.
C) De tegenprestatie mag uitsluitend bestaan uit kost en inwoning.
D) Er hoeft geen tegenprestatie te zijn zolang er een gezagsverhouding is.
Vraag 8: Wat houdt het criterium 'persoonlijke arbeid' in bij een
arbeidsovereenkomst?
A) De werknemer mag zich op elk moment laten vervangen door een ander.
B) De werknemer moet de werkzaamheden zelf uitvoeren en mag zich niet zonder
toestemming laten vervangen.
C) De werkzaamheden moeten altijd op de privélocatie van de werknemer plaatsvinden.
D) De werkgever mag de werknemer alleen opdrachten geven die gerelateerd zijn aan
diens persoonlijkheid.
Vraag 9: Wat is een essentieel verschil tussen een overeenkomst van opdracht
(7:400 BW) en een arbeidsovereenkomst?
A) Bij de overeenkomst van opdracht ontbreekt de gezagsverhouding.
B) Bij de overeenkomst van opdracht is er altijd sprake van een loonbetaling.
C) Een overeenkomst van opdracht moet altijd voor onbepaalde tijd worden aangegaan.
D) De opdrachtnemer is bij een overeenkomst van opdracht altijd verplicht tot
persoonlijke arbeid.
Vraag 10: Hoe wordt volgens artikel 7:610b BW de vermoedelijke omvang van de
arbeidsovereenkomst bepaald?
A) Door te kijken naar het aantal uren in de eerste maand van het contract.
B) Door het gemiddelde aantal gewerkte uren van de afgelopen drie maanden te
nemen.
C) Door de uren van de werknemer te vergelijken met die van een directe collega.
D) Door de maximale arbeidsduur uit de Arbeidstijdenwet als standaard te hanteren.
Vraag 11: Wat is het doel van het fasensysteem (A, B en C) in de ABU-cao voor
uitzendkrachten?
A) Het verminderen van de administratieve lasten voor de inlener.
B) Het reguleren van de opbouw van rechten en ontslagbescherming naarmate men
langer werkt.
C) Het bepalen van de hoogte van de managementfee die het bureau ontvangt.
D) Het uitsluiten van oudere werknemers van tijdelijk uitzendwerk.
Vraag 12: Wat kenmerkt een 'voorovereenkomst' bij oproepwerk?
A) Er ontstaat pas een arbeidsovereenkomst op het moment dat een oproep wordt
aanvaard.
B) De werknemer is verplicht om elke oproep van de werkgever te accepteren.
3