Nederlands landschap Hoorcollege
Aardrijkskunde gaat voornamelijk over de ontmoeting tussen mens en aarde. Ook is
het de wereld om je heen leren begrijpen.
Typisch geografische vragen:
- Wat?
- Waar?
- Waarom (daar)?
In een landschap hebben alle componenten invloed op elkaar. Het belangrijkste is
dat elk landschap een eigen verhaal heeft. Alle geofactoren en de tijd samen vormen
dus het landschap.
Zes landschapstypen:
- Löss
- Zand
- Zeeklei
- Rivierklei
- Veen
- Duin
Nederland is een ontmoeting tussen land, rivier en zee. In de laatste 2,6 miljoen
jaren (het Kwartair) is Nederland gevormd door de afwisseling van glacialen en
interglacialen.
Glacialen:
- Koud
- Geen vegetatie
- Vlechtende rivieren
- Zand, grind, keileem en stuwwallen
Interglacialen:
- Warm
- Vegetatie
- Meanderende rivieren
- Afwisseling van klei, grind en veen
Hoe lager de stroom/windsnelheid, hoe kleiner de korrel van afzettingen. Jongere
afzettingen liggen altijd boven op oudere afzettingen.
Landgebruik; de ondergrond heeft invloed op de bovengrond.
, Kwartair:
- Grote rivieren monden uit in Nederland = dikke lagen zand en grind
- Grote afwisseling temperatuur
Onderverdeling kwartair:
- Pleistoceen → 2600000-11700 jaar geleden, ruim 20 ijstijden
- Holoceen → vanaf 11700 jaar geleden, huidige warme periode
Stadiaal = koudere periode in een glaciaal
Interstadiaal = warmere periode in een (inter)glaciaal
Periode Saalien:
- Nederland ligt voor de helft onder het ijs
- HUN-lijn
- Vorming van stuwwallen is hierdoor ontstaan door het duwen van het ijs
- Het ijs zorgde voor samendrukking van de bodem, wat zorgde voor keileem
Periode Weichselien:
- Nederland ligt in de buurt van het ijs
- Periglaciaal klimaat
- Het was heel droog, dus de wind kon het zand verplaatsen, dat zorgt voor het
zand en löss in het oosten
- Vlechtende rivieren door smelten landijs
- Uiteindelijk gingen de rivieren rustiger stromen, daarmee kwam de
rivierbedding droog te liggen
Na het glaciaal liep de Noordzee weer vol waardoor west-Nederland overstroomt.
Transgressie = het afbreken van de kust
Regressie = kust bouwt op als strandwal
Ontstaan van een lagune-achtige situatie:
- Kustbarière van strandwallen en duinen
- Lagune; soort waddengebied, kleiafzetting
- Veenvorming in natte gebieden zonder overstroming
- Verhouding tussen afzetting zand/klei
Neerslag in Nederland:
- Stuwingsregens in heuvelrijke gebieden
- Stijgingsregens op snel opwarmende zandige gebieden → veel
verdamping
- Aerosolen (fijnstof) in de grote steden, aan aerosolen kan water zich hechten
Aardrijkskunde gaat voornamelijk over de ontmoeting tussen mens en aarde. Ook is
het de wereld om je heen leren begrijpen.
Typisch geografische vragen:
- Wat?
- Waar?
- Waarom (daar)?
In een landschap hebben alle componenten invloed op elkaar. Het belangrijkste is
dat elk landschap een eigen verhaal heeft. Alle geofactoren en de tijd samen vormen
dus het landschap.
Zes landschapstypen:
- Löss
- Zand
- Zeeklei
- Rivierklei
- Veen
- Duin
Nederland is een ontmoeting tussen land, rivier en zee. In de laatste 2,6 miljoen
jaren (het Kwartair) is Nederland gevormd door de afwisseling van glacialen en
interglacialen.
Glacialen:
- Koud
- Geen vegetatie
- Vlechtende rivieren
- Zand, grind, keileem en stuwwallen
Interglacialen:
- Warm
- Vegetatie
- Meanderende rivieren
- Afwisseling van klei, grind en veen
Hoe lager de stroom/windsnelheid, hoe kleiner de korrel van afzettingen. Jongere
afzettingen liggen altijd boven op oudere afzettingen.
Landgebruik; de ondergrond heeft invloed op de bovengrond.
, Kwartair:
- Grote rivieren monden uit in Nederland = dikke lagen zand en grind
- Grote afwisseling temperatuur
Onderverdeling kwartair:
- Pleistoceen → 2600000-11700 jaar geleden, ruim 20 ijstijden
- Holoceen → vanaf 11700 jaar geleden, huidige warme periode
Stadiaal = koudere periode in een glaciaal
Interstadiaal = warmere periode in een (inter)glaciaal
Periode Saalien:
- Nederland ligt voor de helft onder het ijs
- HUN-lijn
- Vorming van stuwwallen is hierdoor ontstaan door het duwen van het ijs
- Het ijs zorgde voor samendrukking van de bodem, wat zorgde voor keileem
Periode Weichselien:
- Nederland ligt in de buurt van het ijs
- Periglaciaal klimaat
- Het was heel droog, dus de wind kon het zand verplaatsen, dat zorgt voor het
zand en löss in het oosten
- Vlechtende rivieren door smelten landijs
- Uiteindelijk gingen de rivieren rustiger stromen, daarmee kwam de
rivierbedding droog te liggen
Na het glaciaal liep de Noordzee weer vol waardoor west-Nederland overstroomt.
Transgressie = het afbreken van de kust
Regressie = kust bouwt op als strandwal
Ontstaan van een lagune-achtige situatie:
- Kustbarière van strandwallen en duinen
- Lagune; soort waddengebied, kleiafzetting
- Veenvorming in natte gebieden zonder overstroming
- Verhouding tussen afzetting zand/klei
Neerslag in Nederland:
- Stuwingsregens in heuvelrijke gebieden
- Stijgingsregens op snel opwarmende zandige gebieden → veel
verdamping
- Aerosolen (fijnstof) in de grote steden, aan aerosolen kan water zich hechten