1. Wat is causaliteit en waarom speelt causaliteit een rol in het
strafrecht?
Delictsvormen:
- Formeel omschreven delicten: Hierbij staat de gedraging centraal,
los van een bepaald gevolg. Bijvoorbeeld: diefstal. Of het goed wordt
teruggevonden of niet, is niet van belang voor de strafbaarheid.
- Materieel omschreven delicten: Hierbij staat het gevolg centraal, en
moet er een causaal verband zijn tussen de gedraging en dat
gevolg.Bijvoorbeeld: doodslag. Het gevolg - de dood - is noodzakelijk
voor het delict.
- Commissiedelicten: Dit zijn delicten die ontstaan door actief
handelen.Bijvoorbeeld: iemand steekt bewust een gebouw in brand.
- Omissiedelicten: Hierbij gaat het om nalaten waar handelen
verplicht is. Bijvoorbeeld: een ouder die zijn kind laat verhongeren.
- Eigenlijke omissiedelicten: Het delict is expliciet gebaseerd op
nalaten, bijvoorbeeld art. 450 Sr (niet verlenen van hulp bij een
ongeval)
- Oneigenlijke omissiedelicten: Het delict vereist een gevolg (zoals
dood of letsel), maar dat wordt bereikt door een nalaten, terwijl er
een rechtsplicht tot handelen bestond.
Het gaat niet om het simpele feit dat iets ná elkaar gebeurde (post;
nadat), maar of het gevolg wegens de gedraging kwam (propter; wegens).
Het bewijs dat een gevolg is ingetreden doordat een persoon op een
bepaald moment een gedraging verrichtte, vereist dat men tussen de
gebeurtenissen een onderlinge afhankelijkheid vaststelt: het gevolg
zou, onder gelijke omstandigheden, niet zijn ingetreden zonder die
gedraging. Zo'n afhankelijkheid kan alleen worden aangenomen als er
sprake is van een zekere wetmatigheid in het verloop van de
gebeurtenissen, gebaseerd op menselijke ervaring; nomologisch weten.
Hoe groter de wetmatigheid, hoe sterker het oorzakelijkheidsverband.
Zonder enige wetmatigheid ontbreekt het causale verband.
Voor het vaststellen van de causaliteit gaat het dus niet slechts om de
chronologische constatering, maar om het oorzakelijk verband tussen de
gedraging en het gevolg. Een dergelijke onderlinge afhankelijkheid kan
alleen worden aangenomen als er een zekere wetmatigheid in de
gebeurtenissen valt te herkennen. Hoe absoluter de wetmatigheid, des te
indringender zal het oorzakelijkheidsverband zijn. Dit alles dient ertoe om
de eerste vraag van artikel 350 Sv te beantwoorden. Om te beantwoorden
of de verdachte het feit heeft begaan moet worden getoetst of de
gedraging van de verdachte het strafbare feit heeft veroorzaakt.
2. Welke vier klassieke causaliteitsleren kunnen worden
onderscheiden, wat houden zij in, en wat zijn van die leren
de voor- en nadelen?
,In de theorie zijn verschillende gedachtegangen gevormd rondom de
causaliteit: de leer van de conditio sine qua non, de causa proxima-
theorie, de theorieën van de adequate veroorzaking en de theorie van de
redelijke toerekening.
De leer van het conditio sine qua non: Deze leer, verdedigd door Von
Buri, houdt in dat als oorzaak van een gebeurtenis is te beschouwen het
geheel van daaraan voorafgaande factoren, die invloed hebben
uitgeoefend op het ontstaan van die gebeurtenis. Elk van deze factoren
moet reeds op zichzelf als oordeel worden beschouwd, bij het ontbreken
daarvan zou de gebeurtenis achterwege zijn gebleven. Elke factor vormt
dus in de keten een conditio sine qua non. Al die voorwaarden hebben
volgens Von Buri evenveel waarde, daarom kan de leer ook wel de
equivalentieleer genoemd worden. Natuurlijk heeft iedere voorwaarde of
factor zijn eigen 'gewicht', maar juridisch gezien zijn ze gelijkwaardig.
Ook de negatieve oorzaken tellen in de keten van de causaliteit mee. Maar
omdat de theorie een te gering selectief vermogen heeft, zal deze nooit
zomaar het laatste woord krijgen. De kans is dan dat bepaalde
gedragingen veel te snel worden aangemerkt als oorzaken.
- Voordeel: biedt een duidelijk en objectief uitgangspunt en zorgt
voor systematiek en houvast
- Nadeel: veel te ruim, bijna elke schakel in de keten wordt
oorzaak en maakt geen onderscheidt tussen juridische relevante
en irrelevante oorzaken
De causa proxima-theorie: Deze theorie wijst als de oorzaak aan de
factor welke zich het dichtst bij de verwerkelijking van het gevolg bevindt,
en dus de laatste is in de reeks van factoren die tot het gevolg heeft
geleid. De zwakte van deze theorie houdt in dat deze 'laatste factor' niet
noodzakelijkerwijs voldoende zwaar of belangrijk is om als strafrechtelijk
relevante oorzaak te kunnen worden aangemerkt.
- Voordeel: eenvoudig en praktisch toe te passen want het geeft
een duidelijk afkappunt
- Nadeel: te simplistisch want het negeert eerdere soms
belangrijkere oorzaken, wat kan leiden tot onrechtvaardige
uitkomsten
De theorieën van de adequate veroorzaking: Gedragingen moeten
als oorzaak worden aangewezen als zij in zoverre fout zijn dat zij de kans
op het intreden van een bepaald gevolg in relevante mate hebben
verhoogd. Bij de adequatieleer (voorzienbaarheidstheorie) staat de
voorzienbaarheid van het strafbare gevolg centraal. De adequatieleer
houdt in dat sprake is van causaal verband tussen een gedraging en een
gevolg indien het ingetreden gevolg voor de betrokkene redelijkerwijs was
te voorzien.
- Voordeel: brengt normatieve beperking aan op de concitio sine
qua non leer en voorkomt zeer onwaarschijnlijke gevolgen.
- Nadeel: het begrip voorzienbaarheid is vaag en subjectief en
risico van vermenging van de schuldvraag naar verwijtbaarheid
,Maar wanneer is iets in het algemeen redelijkerwijs voorzienbaar? Er zijn
theoretici die de voorzienbaarheid sterk objectiveren, maar ook die deze in
beginsel verbinden met wat de dader in zijn omstandigheden en met zijn
individuele achtergronden overeenkomstig de norm van de gemiddelde
mens op het moment van zijn gedraging kon voorzien → subjectieve
benaderingswijze van de voorzienbaarheid.
Andere theoretici menen dat voorzienbaar is dat wat met alle
omstandigheden van het geval achteraf en in objectieve zin als een
waarschijnlijk gevolg van de handeling moet worden gezien. Het gaat dus
om de objectieve feiten van dat moment. Bepaalde gevolgen kunnen
'typisch' aan bepaalde handelingen verbonden zijn. Het betreft hier de
Typizität van een delict.
Indien het oordeel over de voorzienbaarheid van een bepaald gevolg wordt
afgestemd op hetgeen dat als meest relevante oorzaak van en bepaald
gevolg geldt, wordt gesproken van het relevantiecriterium. Welke
gedraging heeft de wetgever beoogd? Welke gedragingen kunnen worden
gekoppeld aan het gevolg? Het gaat in dat soort gevallen om feiten die de
kans op een ongewenst gebeuren kennelijk verhogen, maar waarbij de
mate van dat gevaar moeilijk nauwkeurig is in te schatten.
- Voordeel: sluit goed aan bij het doel en de strekking van de
strafbepaling
- Nadeel: weinig concreet en moeilijk toepasbaar want wat de
wetgever bedoeld is niet precies duidelijk
Minder objectief is de voorzienbaarheid die werd voorgestaan door
Traeger. In zijn optiek gaat het om de voorzienbaarheid voor de
verstandigste mens. Dit is een hoge norm, maar wel subjectiever.
Remmelink bepleit voor een afzwakking en wil uitgaan van de kennis van
de voorzichtige mens, tenzij zou blijken dat de betrokkene over extra
kennis beschikt (en er dus sprake is van een Garantenstellung). Deze
kennis van de voorzichtige mens zou als uitgangspunt moeten dienen voor
het kunnen voorzien van een gevolg, zoals dat 'naar algemene
ervaringsregels ten tijde van het delict redelijkerwijs was te verwachten'.
3. Wat is de huidige causaliteitsleer en wat houdt zij in?
Tegenwoordig heerst de theorie van de redelijke toerekening.
De leer van de redelijke toerekening: Aantal factoren die invulling
geven aan de leer:
Aard van de gedraging: Als de door de verdachte verrichte
gedraging naar haar aard geschikt is om het gevolg in het
leven te roepen, dan wel de kans op het intreden van dat gevolg in
significante mate verhoogt, wordt het al spoedig redelijk geacht het
gevolg aan de gedraging van de verdachte toe te rekenen. →
Aortaperforatie: Ook als medische complicaties optreden, of er
sprake is van bestaande kwetsbaarheden (zwak schedel of zwakke
gezondheid), blijft de toerekening bestaan zolang de dood binnen de
reikwijdte van het geweld ligt.
, Opzet bij de dader: Op het eerste gezicht past het subjectieve
opzet niet goed bij causaliteit, omdat causaliteit vooral een objectief
aspect van het delict is. Maar als het opzet van de verdachte mede
was gericht op het ingetreden gevolg, kan deze vaststelling toch
bijdragen aan het oordeel dat het gevolg in redelijkheid kan worden
toegerekend aan de gedraging van de verdachte: hij wilde immers
het gevolg of accepteerde de aanmerkelijke kans op het intreden
van dat gevolg.
De ratio van de delictsomschrijving: Causaliteit is weliswaar een
algemeen leerstuk van het materiële strafrecht, maar in de
bewijsvoering staat steeds het specifieke, door de
delictsomschrijving geëiste causaal verband centraal. Dit impliceert
dat voor de vaststelling van causaliteit aanknopingspunten
kunnen worden gevonden in de strekking van de
delictsomschrijving. Zo kan er worden gekeken naar het
rechtsbelang dat de wet wil beschermen en naar de gevolgen die
volgens de wetgever 'typisch' bij een bepaalde gedraging horen
(zoals in de oude relevantietheorie).
Afweging complexe causale keten: Alternatieve oorzaken
kunnen vaak door de gedraging van de verdachte worden
'overruled', waardoor het gevolg alsnog aan de verdachte wordt
toegerekend. Dit geldt ook als het slachtoffer op enige manier heeft
bijgedragen aan het gevolg van de daad. → Niet behandelde
longinfectie. In sommige gevallen is sprake van twee of meer
alternatieve mogelijkheden die naast elkaar en elk op zichzelf het
gevolg kunnen hebben veroorzaakt. Dan wordt het gevolg aan de
gedraging van de verdachte toegerekend als het hoogst
onwaarschijnlijk is dat een andere factor het gevolg heeft
veroorzaakt. → Injecteren HIV-besmet bloed. Bij complexe causale
ketens kan sprake zijn van aansprakelijkheid door nalaten. De vraag
is dan of het gevolg voorkomen had kunnen worden als de verdachte
wél had gehandeld, en of er in de omstandigheden een rechtsplicht
tot handelen bestond.
HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301, m.nt.
N. Keijzer (Injecteren HIV-besmet bloed).
Feiten: In deze zaak startte het OM een zaak tegen verdachte, voor het
drogeren van de slachtoffers om ze vervolgens opzettelijk te infecteren
met hiv, door middel van het injecteren van hiv-besmet bloed en het
hebben van onbeschermd seksueel contact. Het OM achtte dit in strijd met
art. 302 Sr.
Rechtsvraag: Is er sprake van voldoende causaal verband tussen het, met
eventueel voorwaardelijk opzet, handelen van verdachte en het opgelopen
hiv-virus van slachtoffer?
Rechtsregel: Het enkele bestaan van een kans op hiv-besmetting brengt
nog niet mee dat de verdachte door zijn gedrag de aanmerkelijke kans
in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer aids zou krijgen en
dientengevolge zou komen te overlijden.
Het antwoord op de vraag of een kans aanmerkelijk is, mag niet
afhankelijk worden gesteld van de aard van het gevolg. Het moet in alle