Monografieën
Sociaal recht, Inleiding pensioenrecht
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 1: Inleiding
1.1 De pijlerindeling
Het Nederlandse pensioensysteem bestaat uit drie pijlers.
Dit driepijlersysteem bestaat uit een publiek bestuurde eerste pijler, die wordt gefinancierd op basis
van een omslagstelsel. Naar deze eerste pijler is er de privaat bestuurde tweede pijler, waarin de
financiering plaatsvindt op basis van kapitaaldekking. Deze tweede pijler wordt (grotendeels)
overeengekomen in de verhouding tussen werkgever en werknemer. Tot slot is er de derde pijler
waarin de burger privé voorzieningen kan treffen wanneer het pensioeninkomen uit de eerste twee
pijlers niet toereikend is.
1.1.1. De eerste pijler
De eerste pijler wordt gevormd door de overheidsvoorzieningen.
Ouderdomspensioen:
De Algemene Ouderdomswet (AOW) die in 1957 in werking is getreden, voorziet in een uitkering
vanaf de pensioenleeftijd van 65 jaar.
De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de gepensioneerde en van het aantal jaren dat de
gepensioneerde verzekerd is geweest.
Het pensioen uit de eerste pijler is relatief laag. De uitkering is opgetrokken naar het niveau van het
sociaal minimum. Dit sociaal minimum bedraagt voor een alleenstaande 70% van het
nettominimumloon, voor een alleenstaande ouder 90% van het nettominimumloon en voor een
(echt)paar 100% van het nettominimumloon.
Nabestaandenpensioen:
De Algemene nabestaandenwet (Anw) (die in 1996 de WW uit 1959 verving) voorziet in bepaalde
gevallen in een uitkering voor de nabestaande van de verzekerde.
Rechthebbende op een uitkering zijn:
- nabestaanden die geboren zijn voor 1 januari 1950; of
- nabestaanden die een kind verzorgen dat jonger is dan 18 jaar; of
- nabestaanden die voor tenminste 45% arbeidsongeschikt zijn.
De nabestaandenuitkering bedraagt 70% van het minimumloon. Voort is er een halfwezenuitkering
die 20% bedraagt van het minimumloon. De nabestaandenuitkering wordt gekort indien de
nabestaande eigen inkomsten uit of in verband met arbeid geniet. De halfwezenuitkering wordt niet
gekort door eigen inkomsten uit of in verband met arbeid.
Arbeidsongeschiktheidspensioen:
De Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) bestaat uit twee onderdelen:
- de inkomensvoorziening voor werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn
(IVA-uitkering); (bedraagt 75% van het inkomen tot het maximum dagloon) en
- de inkomensvoorziening voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA-uitkering) (bedraagt
gedurende een beperkte periode 70% van het inkomen tot het maximum dagloon).
,1.1.2. De tweede pijler
De tweede pijler wordt gevormd door het pensioen dat een relatie heeft met arbeid. In Nederland
zorgt het pensioen uit de tweede pijler gemiddeld voor ongeveer 50% van het pensioeninkomen.
Voor het overgrote deel bestaat de tweede pijler uit het pensioen dat wordt overeengekomen tussen
werkgever en werknemer: de werknemerspensioenen. Voor het werknemerspensioen dragen sociale
partners de verantwoordelijkheid.
Ouderdomspensioen:
Het ouderdomspensioen maakt nagenoeg altijd deel uit van de pensioenregeling in de tweede pijler.
Van oudsher werd in de tweede pijler gekoerst op een ouderdomspensioen dat (met inbegrip van de
AOW-uitkering) na een volledige loopbaan 70% zou dienen te bedragen van het voor pensionering
verdiende inkomen.
Nabestaandenpensioen:
Het pensioen voor de nagelaten partner (en kinderen) van de deelnemer maakt eveneens bijna altijd
onderdeel uit van de pensioenregeling in de tweede pijler. Doorgaans bedraagt het pensioen voor de
partner (het partnerpensioen) 70% van het ouderdomspensioen dat de deelnemer bij voortgezet
dienstverband in de pensioenregeling kan bereiken. Het wezenpensioen bedraagt veelal 14% van het
ouderdomspensioen dat de deelnemer
Arbeidsongeschiktheidspensioen:
Indien en voor zover de pensioenregeling voorziet in een arbeidsongeschiktheidspensioen, is dit vaak
(bij volledige arbeidsongeschiktheid) een pensioen ter grootte van 70% van het inkomensdeel boven
het maximum dagloon.
1.1.3 De derde pijler
De derde pijler van het Nederlandse pensioensysteem bestaat uit al hetgeen de burger – buiten de
sfeer van de arbeidsverhouding of het beroep – zelf kan regelen bij wijze van oudedagvoorziening,
als voorziening voor de nabestaanden of als voorziening bij arbeidsongeschiktheid. Het belang van de
derde pijler voor werknemers is in Nederland – mede gezien het feit dat er voor de meeste
werknemers een pensioen is geregeld in de tweede pijler – van gering belang.
1.2 Pensioenbegrip
Pensioen voorziet in een (periodiek) inkomen ter vervanging van het inkomen dat gedurende de
actieve loopbaan werd verdiend. Met pensioen wordt – zo is de opvatting – niet slechts gezorgd voor
het noodzakelijke levensonderhoud, maar idealiter voor een handhaving van de levensstandaard.
Pensioen voorziet niet in elke voorkomende situatie in een inkomensvervanging. Dit is slechts het
geval in drie situaties:
- In geval van ouderdom;
- Na overlijden; en
- Bij arbeidsongeschiktheid.
Persoonsgebonden:
Pensioen is persoonsgebonden. Als de (gewezen) deelnemer aan de pensioenregeling overlijdt en
geen nabestaanden heeft, komt het geld niet toe aan de erfgenamen.
Pensioenaanspraak, pensioenrecht, pensioengerechtigde, gepensioneerde:
Een pensioenaanspraak is het recht op een nog niet ingegaan pensioen. De aanspraakgerechtigde is
de begunstigde voor een nog niet ingegaan pensioen. Een pensioenrecht is het recht op een
ingegaan pensioen. Een pensioengerechtigde is de persoon voor wie op grond van een
pensioenovereenkomst of beroepspensioenregeling het pensioen is ingegaan.
De gepensioneerde is de pensioengerechtigde voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan.
, Geldelijk vastgestelde uitkering in Nederlands wettig betaalmiddel:
Pensioen moet een uitkering zijn die op grond van artikel 1 en artikel 11 PW geldelijk is vastgesteld in
Nederlands wettig betaalmiddel.
Toeslag is pensioen:
Iedere afspraak in de pensioenovereenkomst c.q. de beroepspensioenregeling over een al dan niet
voorwaardelijk toeslag valt onder het begrip pensioen. Een toeslag is een verhoging van een
ingegane pensioenuitkering, een pensioenrecht of een pensioenaanspraak.
Onder het begrip toeslag valt niet de individuele verhoging die het gevolg is van het
beleggingsrendement of de winstdeling bij premieovereenkomst (premieregelingen) of
kapitaalovereenkomsten (kapitaalregelingen). Evenmin valt onder het begrip toeslag de
backserviceverhoging die toegekend wordt in een eindeloonregeling.
Een onvoorwaardelijke toeslagverlening is onderdeel van de pensioenaanspraak of het
pensioenrecht vanaf het moment dat pensioen wordt verworven.
Een voorwaardelijk toeslag wordt onderdeel van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht
vanaf het moment dat de toeslag daadwerkelijk wordt toegekend.
Omdat de toeslag onder de PW en WVB kwalificeert als pensioen heeft dit tot gevolg dat alleen de
pensioenuitvoerder een toeslagverlening kan uitvoeren.
1.3 X
1.4 Pensioenwet: werkgever/werknemer verhouding
Voor wat betreft het pensioen waarop de Pensioenwet van toepassing is, dient er sprake te zijn van
een pensioen zoals overeengekomen tussen werkgever en werknemer. Voor de toepasselijkheid van
de Pensioenwet is de arbeidsrelatie van belang. Voor de toepasselijkheid van de Pensioenwet dient
er echter sprake te zijn van een werkgever/werknemer verhouding.
Geen werkgever/werknemer verhouding: tocht toepasselijkheid Pensioenwet
Ook indien er geen werkgever/werknemer verhouding is, kan de Pensioenwet van toepassing zijn. Dit
is het geval als personen (zelfstandigen) vallen onder de werkingssfeer van een verplicht gesteld
bedrijfstakpensioenfonds. (artikel 3 PW) Voorts kan op grond van artikel 2 lid 3 van de Pensioenwet
een categorie personen die geen werknemer zijn en die in een arbeidsverhouding werken waarbij
tegen beloning persoonlijke arbeid wordt verricht, door de Ministerie worden aangewezen.
Wel werknemer, geen toepasselijkheid Pensioenwet
Als werknemer in de zin van de Pensioenwet kwalificeert niet de directeur-grootaandeelhouder en
de werknemer die onder de werkingssfeer van een verplicht gestelde beroepspensioenregeling valt
(op de laatste werknemer is niet de Pensioenwet maar de WVB van toepassing).
Directeur-grootaandeelhouder en Pensioenwet
In de Pensioenwet is expliciet opgenomen dat de wet niet van toepassing op de directeur-
grootaandeelhouder omdat de directeur-grootaandeelhouder niet aangemerkt wordt als werknemer
in de zin van de Pensioenwet.
Directeur-grootaandeelhouder en WVB
Op de directeur-grootaandeelhouder die beoefenaar is van een vrij beroep is, indien sprake is van
een verplicht gestelde beroepspensioenregeling, de WVB van toepassing.
1.5 X
Sociaal recht, Inleiding pensioenrecht
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 1: Inleiding
1.1 De pijlerindeling
Het Nederlandse pensioensysteem bestaat uit drie pijlers.
Dit driepijlersysteem bestaat uit een publiek bestuurde eerste pijler, die wordt gefinancierd op basis
van een omslagstelsel. Naar deze eerste pijler is er de privaat bestuurde tweede pijler, waarin de
financiering plaatsvindt op basis van kapitaaldekking. Deze tweede pijler wordt (grotendeels)
overeengekomen in de verhouding tussen werkgever en werknemer. Tot slot is er de derde pijler
waarin de burger privé voorzieningen kan treffen wanneer het pensioeninkomen uit de eerste twee
pijlers niet toereikend is.
1.1.1. De eerste pijler
De eerste pijler wordt gevormd door de overheidsvoorzieningen.
Ouderdomspensioen:
De Algemene Ouderdomswet (AOW) die in 1957 in werking is getreden, voorziet in een uitkering
vanaf de pensioenleeftijd van 65 jaar.
De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de gepensioneerde en van het aantal jaren dat de
gepensioneerde verzekerd is geweest.
Het pensioen uit de eerste pijler is relatief laag. De uitkering is opgetrokken naar het niveau van het
sociaal minimum. Dit sociaal minimum bedraagt voor een alleenstaande 70% van het
nettominimumloon, voor een alleenstaande ouder 90% van het nettominimumloon en voor een
(echt)paar 100% van het nettominimumloon.
Nabestaandenpensioen:
De Algemene nabestaandenwet (Anw) (die in 1996 de WW uit 1959 verving) voorziet in bepaalde
gevallen in een uitkering voor de nabestaande van de verzekerde.
Rechthebbende op een uitkering zijn:
- nabestaanden die geboren zijn voor 1 januari 1950; of
- nabestaanden die een kind verzorgen dat jonger is dan 18 jaar; of
- nabestaanden die voor tenminste 45% arbeidsongeschikt zijn.
De nabestaandenuitkering bedraagt 70% van het minimumloon. Voort is er een halfwezenuitkering
die 20% bedraagt van het minimumloon. De nabestaandenuitkering wordt gekort indien de
nabestaande eigen inkomsten uit of in verband met arbeid geniet. De halfwezenuitkering wordt niet
gekort door eigen inkomsten uit of in verband met arbeid.
Arbeidsongeschiktheidspensioen:
De Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) bestaat uit twee onderdelen:
- de inkomensvoorziening voor werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn
(IVA-uitkering); (bedraagt 75% van het inkomen tot het maximum dagloon) en
- de inkomensvoorziening voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA-uitkering) (bedraagt
gedurende een beperkte periode 70% van het inkomen tot het maximum dagloon).
,1.1.2. De tweede pijler
De tweede pijler wordt gevormd door het pensioen dat een relatie heeft met arbeid. In Nederland
zorgt het pensioen uit de tweede pijler gemiddeld voor ongeveer 50% van het pensioeninkomen.
Voor het overgrote deel bestaat de tweede pijler uit het pensioen dat wordt overeengekomen tussen
werkgever en werknemer: de werknemerspensioenen. Voor het werknemerspensioen dragen sociale
partners de verantwoordelijkheid.
Ouderdomspensioen:
Het ouderdomspensioen maakt nagenoeg altijd deel uit van de pensioenregeling in de tweede pijler.
Van oudsher werd in de tweede pijler gekoerst op een ouderdomspensioen dat (met inbegrip van de
AOW-uitkering) na een volledige loopbaan 70% zou dienen te bedragen van het voor pensionering
verdiende inkomen.
Nabestaandenpensioen:
Het pensioen voor de nagelaten partner (en kinderen) van de deelnemer maakt eveneens bijna altijd
onderdeel uit van de pensioenregeling in de tweede pijler. Doorgaans bedraagt het pensioen voor de
partner (het partnerpensioen) 70% van het ouderdomspensioen dat de deelnemer bij voortgezet
dienstverband in de pensioenregeling kan bereiken. Het wezenpensioen bedraagt veelal 14% van het
ouderdomspensioen dat de deelnemer
Arbeidsongeschiktheidspensioen:
Indien en voor zover de pensioenregeling voorziet in een arbeidsongeschiktheidspensioen, is dit vaak
(bij volledige arbeidsongeschiktheid) een pensioen ter grootte van 70% van het inkomensdeel boven
het maximum dagloon.
1.1.3 De derde pijler
De derde pijler van het Nederlandse pensioensysteem bestaat uit al hetgeen de burger – buiten de
sfeer van de arbeidsverhouding of het beroep – zelf kan regelen bij wijze van oudedagvoorziening,
als voorziening voor de nabestaanden of als voorziening bij arbeidsongeschiktheid. Het belang van de
derde pijler voor werknemers is in Nederland – mede gezien het feit dat er voor de meeste
werknemers een pensioen is geregeld in de tweede pijler – van gering belang.
1.2 Pensioenbegrip
Pensioen voorziet in een (periodiek) inkomen ter vervanging van het inkomen dat gedurende de
actieve loopbaan werd verdiend. Met pensioen wordt – zo is de opvatting – niet slechts gezorgd voor
het noodzakelijke levensonderhoud, maar idealiter voor een handhaving van de levensstandaard.
Pensioen voorziet niet in elke voorkomende situatie in een inkomensvervanging. Dit is slechts het
geval in drie situaties:
- In geval van ouderdom;
- Na overlijden; en
- Bij arbeidsongeschiktheid.
Persoonsgebonden:
Pensioen is persoonsgebonden. Als de (gewezen) deelnemer aan de pensioenregeling overlijdt en
geen nabestaanden heeft, komt het geld niet toe aan de erfgenamen.
Pensioenaanspraak, pensioenrecht, pensioengerechtigde, gepensioneerde:
Een pensioenaanspraak is het recht op een nog niet ingegaan pensioen. De aanspraakgerechtigde is
de begunstigde voor een nog niet ingegaan pensioen. Een pensioenrecht is het recht op een
ingegaan pensioen. Een pensioengerechtigde is de persoon voor wie op grond van een
pensioenovereenkomst of beroepspensioenregeling het pensioen is ingegaan.
De gepensioneerde is de pensioengerechtigde voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan.
, Geldelijk vastgestelde uitkering in Nederlands wettig betaalmiddel:
Pensioen moet een uitkering zijn die op grond van artikel 1 en artikel 11 PW geldelijk is vastgesteld in
Nederlands wettig betaalmiddel.
Toeslag is pensioen:
Iedere afspraak in de pensioenovereenkomst c.q. de beroepspensioenregeling over een al dan niet
voorwaardelijk toeslag valt onder het begrip pensioen. Een toeslag is een verhoging van een
ingegane pensioenuitkering, een pensioenrecht of een pensioenaanspraak.
Onder het begrip toeslag valt niet de individuele verhoging die het gevolg is van het
beleggingsrendement of de winstdeling bij premieovereenkomst (premieregelingen) of
kapitaalovereenkomsten (kapitaalregelingen). Evenmin valt onder het begrip toeslag de
backserviceverhoging die toegekend wordt in een eindeloonregeling.
Een onvoorwaardelijke toeslagverlening is onderdeel van de pensioenaanspraak of het
pensioenrecht vanaf het moment dat pensioen wordt verworven.
Een voorwaardelijk toeslag wordt onderdeel van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht
vanaf het moment dat de toeslag daadwerkelijk wordt toegekend.
Omdat de toeslag onder de PW en WVB kwalificeert als pensioen heeft dit tot gevolg dat alleen de
pensioenuitvoerder een toeslagverlening kan uitvoeren.
1.3 X
1.4 Pensioenwet: werkgever/werknemer verhouding
Voor wat betreft het pensioen waarop de Pensioenwet van toepassing is, dient er sprake te zijn van
een pensioen zoals overeengekomen tussen werkgever en werknemer. Voor de toepasselijkheid van
de Pensioenwet is de arbeidsrelatie van belang. Voor de toepasselijkheid van de Pensioenwet dient
er echter sprake te zijn van een werkgever/werknemer verhouding.
Geen werkgever/werknemer verhouding: tocht toepasselijkheid Pensioenwet
Ook indien er geen werkgever/werknemer verhouding is, kan de Pensioenwet van toepassing zijn. Dit
is het geval als personen (zelfstandigen) vallen onder de werkingssfeer van een verplicht gesteld
bedrijfstakpensioenfonds. (artikel 3 PW) Voorts kan op grond van artikel 2 lid 3 van de Pensioenwet
een categorie personen die geen werknemer zijn en die in een arbeidsverhouding werken waarbij
tegen beloning persoonlijke arbeid wordt verricht, door de Ministerie worden aangewezen.
Wel werknemer, geen toepasselijkheid Pensioenwet
Als werknemer in de zin van de Pensioenwet kwalificeert niet de directeur-grootaandeelhouder en
de werknemer die onder de werkingssfeer van een verplicht gestelde beroepspensioenregeling valt
(op de laatste werknemer is niet de Pensioenwet maar de WVB van toepassing).
Directeur-grootaandeelhouder en Pensioenwet
In de Pensioenwet is expliciet opgenomen dat de wet niet van toepassing op de directeur-
grootaandeelhouder omdat de directeur-grootaandeelhouder niet aangemerkt wordt als werknemer
in de zin van de Pensioenwet.
Directeur-grootaandeelhouder en WVB
Op de directeur-grootaandeelhouder die beoefenaar is van een vrij beroep is, indien sprake is van
een verplicht gestelde beroepspensioenregeling, de WVB van toepassing.
1.5 X