Sociale ongelijkheid
Stratificatie: De samenleving is verdeeld in verschillende sociale lagen of groepen.
Mensen hebben niet allemaal dezelfde positie, macht, inkomen of kansen.
- Inkomen
- Opleiding
- Beroep
- Macht en status
Macht en Privileges
Macht Privileges
- Economische macht - Materiële beloningen
- Politieke macht - Bevoegdheden en rechten
- Affectieve macht - Status en respect
- Cognitieve macht - Toegang tot kennis en informatie
- Karl Marx
Volgens Marx was de samenleving verdeeld in sociale klassen:
- Bourgeoisie → rijke bezitters/eigenaars
- Proletariaat → arbeiders
Matriële ongelijkheid Immateriële ongelijkheid
- Bezit - Status
- Inkomen - Levensstijl
- Arbeidspositie - Opvoedings – en
opleidingskansen
- Klassen → gebaseerd op geld, werk en bezit.
- Standen → gebaseerd op afkomst en sociale status.
Pierre Bourdieu
- Habitus: De manier waarop iemand denkt, zich gedraagt en keuzes maakt,
gevormd door opvoeding en omgeving.
- Kapitaal: Middelen waarmee mensen kansen en status krijgen
- Economisch kapitaal → geld en bezit
- Sociaal kapitaal → contacten en netwerk
- Cultureel kapitaal → kennis, opleiding, taal en cultuur
- Ongelijkheid: Ongelijkheid blijft bestaan omdat mensen uit hogere groepen meer
kapitaal hebben en dit doorgeven aan hun kinderen.
,Sociale mobiliteit
Iemand stijgt of daalt op de sociale ladder in de samenleving.
- Iemand behaalt een hogere opleiding en krijgt een beter beroep → sociale
stijging
- Iemand verliest werk en inkomen → sociale daling
- Verticale mobiliteit → omhoog of omlaag in status
- Horizontale mobiliteit → verandering zonder hogere of lagere status
Meritocratisering: Iemands positie in de samenleving steeds meer bepaald wordt door
eigen prestaties, zoals:
• Opleiding
• Talent
• Inzet
• Vaardigheden
In een meritocratie krijgen mensen kansen op basis van wat ze kunnen en doen, niet
door afkomst of rijkdom van hun familie.
- Voordeel: meer gelijke kansen.
- Nadeel: sociale ongelijkheid blijft vaak bestaan, omdat niet iedereen dezelfde
startkansen heeft.
Intergeneratiemobiliteit: Dit betekent dat de sociale positie van kinderen verschilt van
die van hun ouders.
Interagenratiemobiliteit: Dit betekent dat iemand tijdens zijn eigen leven stijgt of daalt
op de sociale ladder.
,Werkles 2 mensen en hun leefomgeving
Samenleven en sociale ongelijkheid
• In sommige delen van Nederland is sprake van segregatie:
o groepen mensen leven gescheiden van elkaar.
• Dit hangt samen met sociale ongelijkheid.
• Door weinig contact ontstaat:
o minder begrip voor elkaar,
o meer afstand tussen groepen.
• Als sociaal werker werk je in verschillende wijken en groepen.
• Je draagt bij aan:
o leefbaarheid,
o verbinding,
o begrip tussen mensen.
Fysieke omgeving en wonen
• De omgeving beïnvloedt:
o gezondheid,
o gedrag,
o welzijn van mensen.
• Nederland heeft:
o groeiende bevolking,
o meer huishoudens,
o woningtekort.
• Hierdoor is er kwalitatieve woningnood:
o niet iedereen kan een passende woning krijgen.
• Mensen met een beperking wonen vaker:
o zelfstandig,
o in plaats van in instellingen of groepen.
, Verstedelijking
Kenmerken van verstedelijking
1. Veel mensen op kleine oppervlakte
2. Grote diversiteit aan mensen
3. Veel verschillende plekken voor ontspanning en voorzieningen
Belangrijkste kenmerken van een stad
1. Meervoudige heterogeniteit
Veel verschillende groepen mensen leven samen.
2. Multifunctionaliteit
Veel voorzieningen dicht bij elkaar:
o winkels,
o horeca,
o scholen,
o werk.
3. Hoge bevolkings- en bebouwingsdichtheid
Veel mensen en gebouwen op weinig ruimte.
Stedelijke levenswijze
Door het leven in de stad gaan mensen:
• afstandelijker,
• berekender,
• minder persoonlijk met elkaar om.
Richard Sennett
• Volgens Sennett leren mensen juist van contact met onbekenden.
• In een te vertrouwde omgeving word je minder uitgedaagd.
Kenmerken van stedelijk leven
1. Anonimiteit → mensen kennen elkaar minder goed
2. Verbeelde gemeenschap → gevoel ergens bij te horen zonder echt contact
3. Sterke rolsegregatie → verschillende rollen in verschillende situaties
4. Blasé attitude → onverschillige houding door veel prikkels
5. Minder sociale controle → mensen letten minder op elkaar