Module 1: drug craving and neural basis:
Background:
Modellen van verslaving (door de tijd heen)
Moral model (19e eeuw) → Verslaving wordt gezien als een zwakte of slecht gedrag
van de persoon zelf. Persoonlijke verantwoordelijkheid en zwakte.
o punishment, re-education, religious/discipline-based approaches.
Farmacologisch model (19e eeuw) → drugs zijn de oorzaak
o Prohibition (banning), drug control laws, limiting acces.
Symptomatisch model (1930-1950) → Verslaving is een symptoom van diepere
problemen, zoals trauma of psychische klachten.
o Longterm psychotherapy, psychoanalytic.
Disease model (1940-1960) → Verslaving is een chronische ziekte waar iemand
weinig controle over heeft.
o Abstinence, AA, medical supervision, structured treatment programs.
The learning theory model (1960-1970) → verslaving = aangeleerd gedrag door
beloning en herhaling.
o CBT, exposure, reinforcement and conditioning.
Bio-psycho-sociale model (1970-1990) → combinatie van biologische,
psychologische en sociale factoren. Gebruik ligt op een continuum.
o Multidisciplinaire treatment.
o Prevention and early intervention.
Brain disease model (1990-heden) → Verslaving wordt gezien als een hersenziekte
met blijvende veranderingen in belonings- en controlesystemen. Neurobiologische
kwetsbaarheid en middelengebruik versterken elkaar.
o CBT, pharmacological, neurobiological, long-term relapse prevention.
Complex systems model (recent):
Verslaving ontstaat uit dynamische interacties tussen factoren die elkaar over tijd beïnvloeden
en versterken.
Tolerantie:
Lichaam past zich aan aan de stof
→ effect neemt af
→ steeds hogere dosis nodig
Gevolgen:
- verhoogd risico op overdosis
- soms fatale overdosis
Withdrawal:
Bij stoppen of verminderen:
angst
prikkelbaarheid
somberheid
emotionele leegte
, verhoogde gevoeligheid voor stress (hyperkatifeia)
moeite met emoties herkennen (alexithymie)
Dit maakt stoppen moeilijk
Reinforcement (instrumental conditioning)
1. Positive:
o Gebruik = plezier positief.
2. Negative:
o Gebruik = om ontwenningsklachten te vermijden negatief.
Verslaving verschuift van plezier zoeken naar pijn vermijden.
Opponent-proces model:
Het model stelt dat elke emotionele of fysiologische reactie die door een drug wordt
veroorzaakt (het a-proces) automatisch wordt gevolgd door een tegengestelde reactie (het b-
proces). Dit b-proces heeft als doel het lichaam terug te brengen naar een toestand van
evenwicht (homeostase).
A-proces: de directe, primaire reactie op de drug
→ bijvoorbeeld euforie, ontspanning, pijnverlichting
→ snel, sterk en van korte duur
B-proces: de tegengestelde reactie van het lichaam
→ bijvoorbeeld dysforie, stress, vermoeidheid
→ trager, zwakker (in het begin) en langer aanhoudend
Bij beginnend gebruik is het A-proces sterk en het B-proces zwak. Daardoor ervaart iemand
vooral de positieve effecten van de drug. Het b-proces komt pas later en is nog niet krachtig
genoeg om het plezier volledig tegen te gaan.
Effect van herhaald gedrag:
Bij herhaald druggebruik verandert dit evenwicht:
het b-proces wordt sterker, sneller en langduriger
het a-proces verandert weinig
Hierdoor:
neemt het plezier van de drug af (tolerantie)
neemt de negatieve tegenreactie toe
wordt het netto effect van de drug minder positief
Door deze veranderingen verschuift de motivatie voor drugs gebruik van plezier naar
vermijden.
Abstinentie (stoppen) en withdrawal
Wanneer de drug wegvalt:
blijft het b-proces nog actief
er is geen a-proces meer om dit tegen te werken
Dit leidt tot:
een negatieve emotionele toestand
, symptomen van ontwenning (withdrawal) → angst, prikkelbaarheid, somberheid,
lichamelijke klachten
Waarom dit tot verslaving leidt
Volgens dit model ontstaat verslaving doordat:
Het lichaam steeds sterker reageert met een b-proces
Het stoppen met de drug onaangenaam wordt
Het gebruik van de drug nodig wordt om dat negatieve gevoel te vermijden
Dit creëert een vicieuze cirkel:
1. druggebruik
2. minder effect door tolerantie
3. negatieve gevoelens bij afwezigheid van de drug
4. opnieuw gebruik om die gevoelens te verminderen
Sterke punten van het model
Het model verklaart goed:
tolerantie
ontwenning
escalatie van gebruik
verschuiving van plezier naar gewoonte/vermijding
Beperkingen van het model
Het model kan echter niet alles verklaren. Een belangrijk probleem is:
Terugval (relapse) gebeurt vaak lang na het stoppen
Terwijl het b-proces dan grotendeels verdwenen is
Dit suggereert dat andere factoren ook een rol spelen, zoals:
Geconditioneerde cues (triggers uit de omgeving die craving opwekken)
Gewoontevorming (habit learning)
Verminderde cognitieve controle (impulsbeheersing)
Pavlov bij verslaving:
Basisprincipe:
- Neutrale prikkels worden gekoppeld aan drugs gebruik. Deze prikkels leiden tot
cravings. Craving wordt door veel onderzoekers gezien als een centrale drijvende
kracht in verslaving en is zelfs opgenomen in de DSM-5 (diagnostische criteria).
Craving:
- Is het sterke verlangen naar de drug
- Kan optreden zonder fysieke ontwenningsverschijnselen
- Wordt sterk beïnvloed door triggers (CS’s)
Incentive-sensitization theorie:
Drugs zorgen ervoor dat bepaalde stimuli incentive salience krijgen.
Dat betekent:
Deze stimuli worden extreem aantrekkelijk en opvallend.
, Ze trekken automatisch aandacht.
Ze worden “gewenst” (wanting).
Bij verslaving neemt wanting toe (verlangen/craving) en liking af (plezier).
Conditionering en overdosis risico:
1. Lichaam leert reageren:
o Als je vaak op dezelfde plek gebruikt, leert je lichaam dat er drugs aan komt.
Het lichaam gaat dan alvast tegen werken nog voordat de drugs werkt.
2. Tolerantie:
o In de bekende omgeving helpt die tegenreactie om het effect te verminderen,
waardoor je steeds meer van de drugs nodig hebt voor hetzelfde resultaat.
3. Gevaar in nieuwe omgeving:
o In een nieuwe plek herkent je lichaam de signalen niet waardoor de
tegenreactie niet komt of juist te laat. Dezelfde hoeveelheid drugs werkt dan
veel sterker.
Dit alle zorgt voor een groter overdosis risico.
Rol van dopamine bij verslaving:
Wat doen drugs?
Alle verslavende middelen zorgen voor:
- Een grote afgifte van dopamine in de hersenen (vooral in de nucleus accumbens). Dit
is het beloningssysteem van je brein.
Drugs geven veel meer dopamine dan natuurlijke beloningen zoals eten of seks.
Hijacking the rewardsystem:
Drugs maken je brein extra gevoelig voor de drug en versterken de motivatie om de drug
opnieuw te gebruiken. In de hersenen zorgt dopamine voor wanting en niet voor liking.
- Wederom wanting vs. Liking.
Dopamine en kwetsbaarheid:
Reward deficiency: Sommige mensen hebben minder dopaminereceptoren (D2-receptoren).
Daardoor voelen natuurlijke beloningen minder sterk en zoeken ze sneller sterke prikkels
zoals drugs.