Invul vragen: Vul in de streep (____) het juiste woord in.
Vraag 1: Een persoon die echt gelukkig is, betekenis ervaart en een compleet gevoel van floreren
is in een staat van ____
Vraag 2: Een persoon van 80 jaar kiest ervoor om alleen nog maar met hele goede vrienden af te
spreken, omdat zij zichzelf al oud vindt worden en alleen nog maar energie wil stoppen in
emotioneel zinvolle relaties. Welke theorie wordt hier beschreven?
_________
Vraag 3: Het fenomeen van steeds meer, duurdere of betere materialistische dingen kopen,
maar hier steeds niet gelukkig van worden en daardoor deze dingen blijven ophogen wordt
______ genoemd.
Vraag 4: Wat zijn de 3 dingen die ervoor zorgen dat mensen iemand leuk gaan vinden?
_____ , _____ en ______
Vraag 5: Een persoon heeft een activiteit gevonden die in conflict staat met zijn waarden en
identiteit. Ook ervaart de persoon gecontroleerd te worden door deze activiteit. Hoe wordt dit
genoemd?
_________
Vraag 6: Hoe wordt het zoeken naar negatieve aspecten van een positieve ervaring genoemd?
________
Vraag 7: Hoe wordt het anticiperen van negatieve gevolgen van een positieve gebeurtenis
genoemd?
________
Vraag 8: Volgens de ______ theorie, is er eerst sprake van een stimulus, waarop we een
emotionele reactie hebben, waarna er een lichamelijke reactie komt.
Vraag 9: Wat zijn de 3 elementen van hardiness?
______, _______ en ________
Vraag 10: _____ coping bepaalt actief de richting van de verandering.
Vraag 11: Hoe wordt het genoemd als een persoon optimistisch blijft, maar tegelijkertijd ook
onvermijdelijke pijn toestaat in het leven?
__________
Vraag 12: Volgens de ______ herinneren we ons vaak specifieke goede/slechte momenten van
een ervaring en het einde. We ervaren dan ook de herinnering volgens deze momenten en het
einde, en niet een globaal gemiddelde van onze emoties.
, Vraag 13: Welke 2 psychologische processen zijn van belang bij mindfulness naast aandacht-en
cognitieve controle?
______ en ________
Meerkeuze vragen: Kruis het juiste antwoord (A/B/C) aan.
Vraag 14: Wat is de beste uitleg voor de hedonische calculus?
A. Kwantificeren van geluk door te kijken naar de ratio van positieve en negatieve ervaringen
B. Kwantificeren van ongeluk door te kijken naar de ratio van positieve en negatieve
gedachten
C. Kwantificeren van geluk door te kijken naar de ratio van positieve en negatieve gedachten
Vraag 15: Het achterna gaan van individueel geluk is volgens de Grieken en Romeinen een
manier om het goede leven na te streven. Welke hoofdtheorie over het goede leven van de
Grieken en Romeinen past bij deze uitleg?
A. Contemplatieve leven
B. Actieve leven
C. Hedonisme leven
Vraag 16: Welke actieneiging hoort bij positieve emoties?
A. Discrete actieneiging
B. Signaleren van beloning of kansen in de omgeving
C. Indiscrete actieneiging
Vraag 17: Wat doet de balans tussen optimisatie en differentiatie op oudere leeftijd volgens de
dynamic integration theorie?
A. Blijft gelijk over het hele leven
B. Verschuift op oudere leeftijd naar differentiatie
C. Verschuift op oudere leeftijd naar optimisatie
Vraag 18: Een persoon van 20 jaar heeft een paar uur vrij voordat hij moet gaan werken. Welke
tijdsinvulling is het meest waarschijnlijk volgens de socio-emotionele selectiviteitstheorie?
A. Een nieuwe vriend heeft hem uitgenodigd mee te gaan zwemmen in het meer bij hem in
het dorp met anderen
B. Een oude vriend heeft gevraagd of hij mee wat klusjes gaat doen bij het huis van zijn
ouders
C. Een oude vriendin die hij al heel lang niet heeft gesproken heeft hem uitgenodigd om met
de vriendengroep van toen wat kaartspellen te spelen in de tuin
Vraag 19: Welke stelling is juist over hedonische motivaties gedurende de levensloop?
A. Adolescenten en ouderen hebben beide voornamelijk pro-hedonische motivaties
B. Adolescenten hebben voornamelijk pro-hedonische motivaties, terwijl ouderen
voornamelijk contra-hedonische motivaties hebben
C. Adolescenten hebben voornamelijk contra-hedonische motivaties, terwijl ouderen
voornamelijk pro-hedonische motivaties hebben
Vraag 20: Wat tonen longitudinale studies aan over de effecten van grote levensgebeurtenissen
op subjectief welbevinden?