Inleiding in de pedagogiek; opvoeding
Hoofdstuk 1
1.1.1
Empirisch-analytisch onderzoek;
- Bij een pedagogisch verantwoorde keuze staat het belang van de
kinderen voorop.
- Pedagogisch criterium
- Hypothese
- Aselect; willekeurig indelen
- Theoretische (bijv; we voorspelden op basis van de
gehechtheidstheorie dat de ‘verticale’ kinderen meer welbevinden
zouden laten zien dan de ‘horizontale’ kinderen. Onze uitkomst is
dus een ondersteuning van die theorie.) en praktische conclusie
(bijv; als we het pedagogisch belang centraal stellen en we hebben
dat belang goed vertaald in de zin van welbevinden van het kind,
dan is er alle aanleiding voor de koepelorganisatie om de overgang
van horizontale naar verticale groepsindelingen te vermakkelijken)
Empirische pedagogiek; is bescheiden in de zin dat zij aan pedagogen in
de praktijk nooit zal voorschrijven hoe de opvoeding er uit moet zien.
1.1.2
Empirisch-analytische behandeling; men probeert op systematische
wijze verschillende pedagogische handelingen, methoden, ingrepen,
therapieën en dergelijke uit en kijkt dan of er van een verschillend
pedagogisch effect sprake is.
- Dwingt de opvoedkundigen hun ideeën over opvoedingsprocessen
voortdurend aan de realiteit te toetsen.
- De gegevens die men verzamelt kunnen cijfermatig (kwantitatief)
zijn en statistische bewerkingen toelaten.
- Systematiek en navolgbaarheid worden nadrukkelijk nagestreefd
- Stapsgewijs
Pedagogisch onderzoeksprogramma; mond uit in een systematische
verandering van de opvoedingswerkelijkheid, om daarmee kennis te
verwerven over haar veranderbaarheid in een gewenste richting.
Kwalitatief; meningen?
De pedagogiek is gericht op integratie van verschillende disciplinaire
perspectieven. (Integratieve, interdisciplinaire wetenschap)
,Pedagogiek als belangenbehartiger van het kind; het pedagogisch
belang is op een verstandige en algemene aanvaardbare manier onder
woorden gebracht
1.2
Grenzen tussen psychologie en pedagogiek; is de pedagogiek wel een
zelfstandige wetenschappelijke discipline, naast de psychologie?
1.3.1
Vraagstelling; 2 verschillen met psychologie;
1) De pedagogiek verbindt verschillende disciplinaire perspectieven
met elkaar tot een integratieve theorie.
2) De pedagogiek kent een langere traditie van reflectie over waarden
en normen die verband houden met opvoedingsdoelen en
aanvaardbare opvoedingsmiddelen. Ook is het op praktische
toepassing van kennis gericht in het verlengde van theorieën die de
opvoedingswerkelijkheid beschrijven en verklaren.
Normatieve pedagogiek dacht waarden en normen te kunnen opleggen
aan de praktijk.
1.3.2 Empirische cyclus
Empirische cyclus; laat zien hoe empirisch-analytisch onderzoek is
gestructureerd en welke stappen moeten worden gezet bij het verzamelen
en analyseren van empirische gegevens.
- Een onderzoeker heeft zelf de nodige ervaringen in de praktijk
opgedaan
- Observatie; verzamelen en groeperen van feitelijke informatie
- Inductie; de onderzoeker leidt uit een paar observaties een
hypothese af.
- Deductie; afleiding van speciale consequenties uit de hypothesen, in
de vorm van toetsbare voorspellingen
- Toetsing; van de hypothesen, aan het al dan niet uitkomen van de
voorspellingen in nieuw empirisch materiaal
- Evaluatie; van de uitkomsten van de toetsing in verband met de
gestelde hypothese of theorie. De uitkomst wordt teruggekoppeld
naar de hypothese eb de onderzoeker vraagt zich af of het de
moeite waard is de hypothese bij te stellen of een nieuwe te
formuleren.
- Spiraal; ieder onderzoek levert materiaal op ten behoeve van een
aanscherping of hernieuwde formulering van hypothesen voor
verder onderzoek.
, - Intersubjectieve navolgbaarheid; de empirische cyclus is mede
uitgewerkt om het onderzoeksproces doorzichtig te maken en
daardoor navolgbaar
1.4 Cultuurvergelijkende achtergronden
In Duitstalige landen -> over het algemeen hetzelfde als in Nederland, het
wordt gekenmerkt door een sterk accent op onderwijs en op de opleiding
van onderwijsgevenden, maar ook de gezinsopvoeding wordt er
bestudeerd, en de begeleiding en hulpverlening aan opvoeders en
kinderen in de problemen.
In Scandinavische en Zuid-Europese landen komt het in veel opzichten
overeen met de Nederlandse pedagogiek.
Engelstalige landen -> ‘education’ wordt breed opgepakt, de opleiding
van leerkrachten, de discipline die het onderwijs tot voorwerp van
onderzoek heeft gemaakt, de studie van voorschoolsonderwijs en van
kinderopvang. Maar er is een scherpere grens tussen leren en opvoeden.
Het onderzoeken naar opvoeding van kinderen in het gezin is geen
onderdeel van ‘education’.
, Hoofdstuk 2
Doel van pedagogisch onderzoekers; de invloed van opvoeding op de
ontwikkeling van kinderen beschrijven en verklaren.
2.3 De toepassing van statistiek in empirisch onderzoek
2.3.1 Meten is weten?
Algemene uitspraken over menselijk gedrag kennen beperkende
voorwaarden.
Interactie; de geldigheid van een bewering hangt af van de toestand van
een andere factor of conditie.
Metingen kunnen van kwalitatieve aard zijn (meer verhalend) of van
kwantitatieve aard (uitgedrukt in getallen).
Het uitdrukken van constructen in getallen vormt de basis van statistiek.
Meetfouten; verschillen naar moment en omstandigheid; dit soort
meetfouten worden toevallige fouten genoemd.
Betrouwbaar; wanneer een meting niet of nauwelijks onderhevig is aan
toevallige fouten.
Het herhaald afnemen van testen onder verschillende
omstandigheden en vervolgens berekenen voor een maat voor de
samenhang (correlatie) tussen de afnames.
Generaliseerbaarheid; geldigheid van resultaten buiten de steekproef
- Voor een groot deel afhankelijk van de mate waarin een steekproef
een representatieve afspiegeling is van de populatie. Een manier om
daarvoor voor te zorgen; aselect trekken van de steekproef
Statistische significantie; generaliseerbaarheid uitgedrukt in een getal
- Wanneer een onderzoeksresultaat statistisch significant genoemd
wordt, betekent dat dat het met voldoende vertrouwen
gegeneraliseerd kan worden naar de populatie.
- P-waarde; de kans dat een resultaat door toeval in de steekproef
gevonden wordt, terwijl het in de populatie niet bestaat.