Hoofdstuk 1
Hoewel de invloed van genetische aanleg belangrijk is, is opvoeding nodig
voor de ontwikkeling van kinderen
Jean-Jacques Rousseau -> benadrukte als eerste de eigenheid van het
kind
Ontstaan pedagogiek als academische discipline -> behoefte om de
ontwikkeling van kinderen te begrijpen en te begeleiden tot goed
functionerende volwassenen
Milieus van het kind;
1e; gezin
2e; school
3e; wereld erbuiten
4e; virtuele wereld
Ongunstig leefmilieu had een negatieve invloed op de ontwikkeling
van geestesziekten (eind 20e eeuw)
Mental Hygiene Movement; sociale beweging in de VS die verbetering
van de zorg voor krankzinnigen en de preventie van geestesziekten ten
doel had
Dynamische psychologie;
Men kreeg oog voor karaktervorming
De oorsprong van gedragsproblemen lag nu vooral in de verstoorde
relatie tussen moeder en kind.
Heilpädogagiek; richtte zich op genezing van psychische defecten en
vestigde de pedagogiek in Nederland
Philip Kohnstamm; ‘de pedagogiek zal filosofisch zijn of ze zal niet zijn’
Basis van pedagogiek werd gevormd door fundamenteel
levensbeschouwelijke waarden
Sociale pedagogiek; de opvoeding van jongeren buiten het gezin en
school
Normatieve wetenschap
Gezinspedagogiek; gaat over de ‘normale’ ontwikkeling van kinderen in
verschillende, specifieke opvoedingscontexten, niet alleen binnen, maar
ook buiten het gezin.
1
, Neuropedagogiek; richt zich op kinderen met een aantoonbare
neurologische disfunctie en op stoornissen waarvan de
neurologische basis niet exact aantoonbaar is.
Het model van Bronfenbrenner
De ontwikkeling van kinderen vindt plaats als gevolg van een
toenemend complexe interactie tussen het zich ontwikkelende
individu en personen, objecten en symbolen in zijn onmiddellijke
omgeving.
Deze interacties heten proximale processen en vormen de basis
van de ontwikkeling van het kind.
Hoe deze proximale processen van invloed zijn, hangt af van de
individuele eigenschappen van het kind, de omgeving en de aard
van de ontwikkelingsuitkomsten.
Microsysteem; (settings) de opvoedingssituaties waarin het kind
zich begeeft en waar het in directe interactie is met de omgeving
Mesosysteem; interactie tussen verschillende opvoedingssituaties
Exosysteem; structuren waarin het kind niet direct participeert,
maar die wel de directe omgeving beïnvloeden
Macrosysteem; de grote structuren op afstand van het kind’
Pedagogiek= integratieve wetenschap
Het model van Belsky
Model voor opvoedshandelen
‘tweerichtingsverkeer’; er is sprake van wederzijdse beïnvloeding
tussen opvoeder en kind
De opvoedingsvaardigheden worden deels bepaald door ervaringen
uit de eigen kindertijd en de ontwikkeling van de persoonlijkheid
Mate van sociale steun, kwaliteit van partnerrelatie en het werk zijn
ook van invloed op het opvoedingshandelen van ouders
Het model van Sameroff
Er is geen enkel hoofdeffect, maar complexe interactie of transactie
2
,Hoofdstuk 2
2.1 Inleiding
Het beeld dat moderne kerngezin pas is ontstaan na de industrialisatie
blijkt historisch niet te kloppen.
2.2 Gezinshistorische benaderingen en gebruik van historische bronnen
Onderzoek naar de geschiedenis van het gezin kent 3 benaderingen;
1) Demografische benadering; houdt zich bezig met verzamelen en
interpreteren van kwantitatieve, demografische gegevens en
probeert hiermee een beeld te vormen van de leef- en
opvoedingsomstandigheden van ouders en kinderen. Er wordt
hiermee de contouren en het gezinsleven geschetst, zonder dat een
werkelijk zicht wordt verkregen op de belevingswereld van
individuele gezinsleden.
2) Affectieve benadering; er wordt vooral aandacht gegeven aan
menselijk gedrag en persoonlijke beleving en motieven, door gebruik
te maken van kwalitatieve bronnen (bijv. dagboek, brieven).
3) Historische maatschappijwetenschappen; beschrijft de invloed
van sociaaleconomische, cultureel-maatschappelijke en
technologische ontwikkelingen op veranderingen in het gezin. Door
het bestuderen van wetgeving, erfrecht, en gezags- en
eigendomsverhoudingen wordt geprobeerd uitspraken te doen over
de samenhang tussen ‘gezinsstructuren, individuele gedragingen en
belevingen, sociale relaties en maatschappelijke instituties.’
Een interdisciplinaire en integratieve benadering heeft de voorkeur;
een combinatie van bovenstaande benaderingen zal dus het meest
complete beeld geven van de complexe historische werkelijkheid
van het gezinsleven.
Men moet zich afvragen in hoeverre een bron representatief is. -> in
hoeverre de bronnen de werkelijke dagelijkse opvoedingspraktijken
weergeven of dat er sprake is van een gefilterd karakter van de bronnen,
omdat uitingen zijn gedaan in een bestaand stelsel van normen. Ook kan
het zijn dat bronnen slechts de intellectuele elite representeren (bijv.
overlevering van brieven -> hierdoor meer bekend over elite dan
ongeletterde volksmassa). Door geografische en geologische
verschillen of door verschillen in gebruiken, wetgeving en culturele
gewoonten kunnen er lokaal grote verschillen zijn in de manier waarop het
3
, gezinsleven werd vormgegeven. Ook wie de bron heeft opgesteld, voor
wie deze bedoeld is en met welk doel de informatie is opgeschreven. Ten
slotte is vaak niet duidelijk of er bij een bron sprake is van prescriptie
(hoe men geacht werd te handelen) of descriptie (hoe er feitelijk
gehandeld werd).
2.3 Pedagogische stromingen; humanisme, verlichting, romantiek
Plato; Griekse filosoof, een van de eerste belangrijke, systematische
denkers over opvoeding
Humanisme
Een elitebeweging die werd gevormd door christelijke denkers die de
klassieke cultuur wilden revitaliseren. De humanistische opvoeding had
als doel de vorming van een ‘klassieke’ homo universalis (universele
mens).
- Humanisten gingen daarbij uit van de vrijheid van de menselijke wil.
Dit stond lijnrecht tegenover de destijdse opvattingen van de
reformatie – de kerkelijke beweging die leidde tot de afscheiding van
de protestantse kerk van de katholieke.
- De humanistische pedagogiek kenmerkt zich door een
individualistische benadering waarbij werd ingewerkt op een
eergevoel en werd aangespoord tot competitie; lichamelijk
straffen was daarmee overbodig.
- De humanisten legden veel nadruk op leren. (de mens diende door
een studie te worden verheven)
- Goed en precies denken was erg belangrijk en dit werd aangeleerd
door het analyseren van moeilijke klassieke teksten.
- Erasmus; exponent van de humanistische pedagogiek. Hij streefde
naar een synthese van klassieke cultuur en christelijke vroomheid.
Christelijke vroomheid was het doel van de opvoeding (voor
jongens uit de gegoede burgerij) Erasmus was overtuigd van het
belang van onderwijs voor jonge kinderen, liefst zo vroeg
mogelijk, om te voorkomen dat ze zouden vervallen tot onhebbelijk
gedrag. Ook was hij overtuig van hun verlangen naar kennis en
hun maakbaarheid. De taak van de opvoeding lag bij de vader
volgens hem, terwijl die taak in de middeleeuwen voornamelijk bij
de vrouw had gelegen. Een moeder zou oog moeten hebben voor de
verzorging, terwijl de vader verantwoordelijk werd gehouden voor de
karaktervorming. Hij ging uit van nieuwsgierigheid en intrinsieke
motivatie van de leerling. In de opvoeding moest aandacht zijn
4