Grote schoonmaak
We zullen snel ‘aanwijzingen’ herkennen voor de ideeën waarin we
geloven en de ervaringen die er niet mee stroken onbewust negeren.
Michael Shermer geeft daarvoor 3 redenen:
- Patternicity: een neiging om betekenisvolle patronen te zoeken in
willekeurige dingen en gebeurtenissen
- Confirmation bias: het zoeken en vinden van bevestigend bewijs
voor wat we al geloven
- Hindsight bias: verklaringen na de feiten afstemmen op datgene
waarvan we weten dat het is gebeurd.
3 redenen waarom iets initieel kan en zal slagen, maar waarbij de
eigenlijke uitvoering en toepassing een teleurstelling zal zijn:
- Er bestaat een groot verschil tussen een vernieuwend project en de
toepassing van die vernieuwing in het onderwijs.
- Het feit dat onderzoek dat bewijst dat een vernieuwing werkt, kan
vaak behoorlijk zwak zijn. Cruciale fouten -> geen uitgesproken en
toetsbare doelen, er nemen geen willekeurige
respondenten/leerkrachten deel, maar een directeur of een
vrijwilliger, er is geen echte controlegroep waarmee de interventie
vergeleken kan worden
- Hawthorne effect: het effect dat je krijgt omdat je iets nieuws
uitprobeert
Soms zijn we gewoon lui 4
Behoeftepiramide van Maslow: (klopt niet)
Zelfontplooiing: moraliteit, creativiteit, spontaniteit,
probleemoplossing, gebrek aan vooroordeel, aanvaarding van feiten
Behoefte aan waardering en erkenning: zelfwaardering, vertrouwen,
prestatie, respect voor anderen, respect van anderen
Behoefte aan sociale verbanden/verbindingen: vriendschap, familie,
seksuele intimiteit
Behoefte aan veiligheid en zekerheid: lichamelijke zekerheid,
werkzekerheid, zekerheid van middelen, moraliteit, familie,
gezondheid, bezit
Lichamelijke behoeften: ademen, voedsel, water, seks, slaap,
homeostase, excretie
Hokjes denken
,Het bekendste hokje waarin we mensen als onderzoekers plaatsen, is dat
van het geslacht.
Onze visie op onderwijs?
Het huidige paradigma in het Nederlandse onderwijs is dat van het sociaal
constructivisme. Het sociaal constructivisme focust op de manier waarop
mensen zelf kennis construeren in samenwerking met anderen.
- Constructivisme is een filosofie die zegt dat we onze realiteiten
allemaal baseren op voorgaande ervaring.
Behaviorisme -> drill and practice
Wie is wie in onderwijsonderzoek?
Onderwijskundigen -> deze wetenschappers leveren een bijdrage aan de
verbetering van het onderwijssysteem en aan opleidings- en leertrajecten.
Pedagogen: de wetenschap en kunst van onderwijs.
Pedagogen die aan vergelijkende pedagogiek doen -> vergelijken
onderwijssystemen in verschillende landen of regio’s.
Educatief ontwerpers: experts in het ontwerpen en ontwikkelen van
leerervaringen.
Educatief technologen: experts die zich toespitsen op het analyseren,
ontwerpen, ontwikkelen, uitvoeren en evalueren van de processen en
hulpmiddelen die leren kunnen versterken.
(vak)didactici: onderzoeken het lesgeven of de methodes om les te geven,
vaak specifiek voor een bepaald vakgebied
Onderwijssociologen, economen, ethici en moraalwetenschappers,
cognitieve psychologen (manier waarop mensen leren,
onderwijswetenschappers, neurowetenschappers,
wetenschapscommunicatoren
Eduquacks: verspreiden ideeën op basis van beperkte studie, verkopers.
,Mythes over leren (Hoofdstuk 1)
1. Mensen hebben verschillende leerstijlen
Het probleem is tweevoudig. Ten eerste is er een groot verschil tussen de
manier waarop iemand zegt dat hij het liefste leert en de methode die leidt
tot beter leren.
Clark -> leerlingen die een voorkeur voor een bepaalde onderwijstechniek
uitspraken, haalden meestal geen educatief voordeel uit de ervaring. Er is
sprake van mathemathantische effecten; onderricht doodt het leren als de
onderwijsmethodes overeenkomen met een verkozen, maar onproductieve
leerstijl.
Het tweede probleem heeft te maken met het concept ‘leerstijlen’ zelf. De
meeste zogenaamde leerstijlen zijn gebaseerd op types. Ze verdelen
mensen dus in verschillende groepen. Er zijn minstens 3 problemen met
het in hokjes verdelen van leerlingen:
- De meeste mensen voldoen niet aan één bepaalde stijl
- De informatie die wordt gebruikt om mensen aan stijlen toe te
wijzen, is vaak ontoereikend
- Er zijn zo veel verschillende stijlen dat het omslachtig wordt om
afzonderlijke leerlingen met afzonderlijke stijlen te verbinden.
De leerstijlhypothese
Leerstijlhypothese; er zou een overlapinteractie plaatsvinden, waarbij
leerlingen van het type A beter leren met onderwijsmethode A, terwijl
leerlingen van het type B beter leren met onderwijsmethode B.
Onderzoeken laten misschien interacties tussen zogenaamde leerstijlen en
specifieke onderwijsmethodes zien, maar ze hebben geen praktische
invloed op het onderwijs. Alleen overlapinteracties bieden immers een
aanvaardbaar bewijs voor het bestaan van verschillende leerstijlen.
De inventaris van Kolb
Een bekende en vaak gebruikte aanpak is mensen indelen onder 4
noemers: denkers, doeners, dromers en beslissers (inventaris van Kolb).
De cijfers van Iliff voldoen niet aan de standaarden van voorspellende
waarde om de inventaris of ervaringsmethodes te gebruiken in onderwijs
of opleiding.
Een hardnekkige mythe
, Rohrer en Pashler -> het contrast tussen de enorme populariteit van de
leerstijlenaanpak in onderwijs en het ontbreken van enig geloofwaardig
wetenschappelijk bewijs voor het gebruik ervan is opvallend en
verontrustend.
- We vinden het leuk om onszelf en andere te identificeren en in
groepen onder te verdelen. We gebruiken zulke categorieën om onze
chaotische omgeving op orde te krijgen en elkaar op een snelle,
maar vaak onbetrouwbare manier, te begrijpen.
- Hokjes denken bevestigt de gedachte dat elke leerling ‘uniek’ is en
dat je de verschillen tussen leerlingen moet erkennen en er
aandacht aan moet schenken.
- Door het leerstijlenconcept te gebruiken kunnen zowel leerlingen als
ouders elke mislukking van zich afschuiven en toewijzen aan een
verkeerde combinatie in het onderwijssysteem, waarbij de aanpak
uit het industriële tijdperk niet overeenstemt met de specifieke
kwaliteiten van de leerling.
Tanner -> ze ontdekte dat leerlingen beter studeerden voor hun volgende
examen nadat ze hadden beschreven welke strategieën voor hen werkten
en welke niet.
Veel studies geven aan dat kinderen die vaker bewegen, academisch beter
presteren dan de kinderen die minder actief zijn. Kinderen waren sneller in
het oplossen van problemen na exergaming dan na het spelen van een
cognitief uitdagende game.
Tot slot
Verschillende leerlingen reageren op een verschillende manier op
verschillende dingen en een goede leerkracht weet hoe hij of zij het beste
kan inspelen op de sterktes van de leerling om de zwaktes te
compenseren.
Het is aantrekkelijk, maar er bestaat geen degelijk bewijs dat er enig
voordeel is aan onderwijs aan te passen aan deze zogenoemde stijlen. Het
is misschien zelfs zo dat administrateurs, leraren, ouders en zelfs
leerlingen het leerproces en de onderwijsproducten negatief beïnvloeden
door het wel te doen.
2. Effectiviteit van leren kun je in een piramide weergeven
Dale -> hij stelde de cone of experience voor (blz 38). Die kegel is een
visueel instrument dat zijn classificatiesysteem voor de verschillende
types van indirecte leerervaringen samenvat. Dat classificatiesysteem
ging van heel concrete ervaringen tot heel abstracte. Teksten opgebouwd
uit verbale symbolen, zijn erg abstract. De manier waarop letters worden