Week 1( Autisme):.................................................................................................................. 1
Week 2: Gedragsstoornissen.................................................................................................8
Wat is een gedragsstoornis?..................................................................................................9
Stap voor stap:............................................................................................................ 12
.................................................................................................................................... 13
Resultaat uitgelegd......................................................................................................13
Conclusie.................................................................................................................... 14
Tips en tricks:....................................................................................................................... 14
Proportionaliteit........................................................................................................... 15
Subsidiariteit................................................................................................................ 16
Week3: ADHD...................................................................................................................... 16
Persoonlijke Zinvolheid.........................................................................................................18
ADHD als Continuüm........................................................................................................... 19
🧠 Synaps uitgelegd........................................................................................................23
🔹 Synaps................................................................................................................... 23
🔹 Eindknopje............................................................................................................. 23
🔹 Synaptische blaasjes.............................................................................................23
Wat gebeurt er dan? (dit is de missing link).....................................................................24
Week 4( Depressiviteit)........................................................................................................ 26
Week 5:................................................................................................................................ 34
Week 6: Faalangst................................................................................................................ 40
Week 1( Autisme):
Uiting van autisme:
OMSCHRIJVING AUTISME
• Een langetermijn stoornis (chronische ontwikkelingsstoornis die blijvend is) die:
● extreme mate van unresponsiveness naar anderen (weinig of geen reactie op
sociale prikkels of contact)
● matige tot slechte communicatieve vaardigheden (problemen met spreken,
begrijpen of sociaal taalgebruik)
● hoge mate van repetitieve handelingen (steeds terugkerende, herhaalde
gedragingen)
, ● hoge mate van star gedrag vertonen (rigide, moeite met verandering, sterke
behoefte aan vaste routines)
• Incidentie: 5 : 100.000 kinderen
(incidentie = aantal nieuwe gevallen binnen een bepaalde periode)
• Prevalantie: 80% = man
(komt vaker voor bij jongens)
• 70% kan niet zelfstandig een leven opbouwen
(heeft ondersteuning nodig in volwassenheid)
• 67% IQ < 70, regelmatig < 30
(IQ < 70 = verstandelijke beperking; < 30 = ernstige verstandelijke beperking)
CHAT (Checklist for Autism in Toddlers) Baron-Cohen et al., 1992
Screeningsinstrument (vroegtijdige opsporing van autisme bij peuters, ± 18 maanden).
Peek-a-boo / kiekeboe
→ Reageert het kind op contact en vindt het samen spelen leuk?
Weinig reactie kan wijzen op minder sociale betrokkenheid.
Thee zetten / alsof-spel
→ Kan het kind doen alsof? Bijvoorbeeld doen alsof het thee inschenkt.
Geen alsof-spel kan wijzen op moeite met verbeelding.
Aankijken / oogcontact
→ Kijkt het kind naar de ander tijdens contact?
Minder oogcontact kan wijzen op moeite met sociale afstemming.
Declaratief aanwijzen
→ Wijst het kind iets aan om het te delen? Bijvoorbeeld: “Kijk, een vliegtuig!”
Dit is anders dan wijzen om iets te krijgen: “Ik wil een koekje.”
Bij autisme zie je vaak minder wijzen om iets samen te beleven.
WAT KOM IK TEGEN IN HET PO?
(PO = primair onderwijs)
Samenspelen is lastig, meer zelfstandige beweger
(speelt vaker alleen; moeite met sociale interactie)
• Anderen mogen niet meedoen
(moeite met delen of flexibel omgaan met spelregels)
• Autist mag van anderen niet meedoen
(risico op sociale uitsluiting door anders gedrag)
• Zetten zich buiten de groep
(trekken zich terug; weinig aansluiting bij klasgenoten)
,• Echolalie
(het letterlijk herhalen van woorden of zinnen van anderen) Napraten van de laatste klank
• Vaste routines zijn belangrijk
(sterke behoefte aan voorspelbaarheid en vaste structuur)
• Afwijken: dan kan de pleuris uitbreken
(bij verandering kan er een woede-uitbarsting of meltdown ontstaan; sterke stressreactie op
onverwachte situaties)
Repetitieve en stereotiepe gedragingen en interesses
(herhalende handelingen of sterk beperkte, intense interesses)
Repetitieve handelingen:
Repetitief gedrag geeft vaak rust, voorspelbaarheid en controle. Het doel is niet meteen
stoppen, maar geleidelijk flexibiliteit vergroten.
Savant:
Een persoon (vaak met autisme of een verstandelijke beperking) die een uitzonderlijke,
vaak spectaculaire vaardigheid heeft op één heel specifiek gebied, terwijl andere
ontwikkelingsgebieden beperkt kunnen zijn.
Savant → Frans voor “wijs” of “geleerd”
(term verwijst naar bijzondere kennis of talent)
1 : 10 kan dit
(ongeveer 10% van mensen met autisme vertoont savant vaardigheden)
VERNIEUWING (Diagnostiek Autisme)
DSM-IV (1994) & DSM-IV-TR (2000)
(Diagnostic and Statistical Manual; psychiatrisch classificatiehandboek)
DSM 4-IV:
● Autistische stoornis
Klassiek autisme met duidelijke problemen in sociale interactie, communicatie en
repetitief gedrag.
● Syndroom van Asperger
Autisme zonder taalachterstand of verstandelijke beperking; vaak gemiddelde of
hoge intelligentie.
● PDD-NOS
(Pervasive Developmental Disorder – Not Otherwise Specified)
Restgroep: wel autistische kenmerken, maar niet volledig passend binnen
autistische stoornis of Asperger.
, ● McDD
McDD is een verouderde, niet-officiële term voor kinderen met autistische
kenmerken in combinatie met ernstige problemen in emotieregulatie en denken
(zoals angst of wanen).
● DSM-5 V) (2013 e.v.):
● Autisme Spectrum Stoornis (ASS)
Verzamelnaam voor alle vormen van autisme; subtypes zijn samengevoegd.
● Continuüm (spectrum)
Autisme wordt gezien als een glijdende schaal met verschillen in ernst en
ondersteuningsbehoefte.
Kort onthouden:
DSM-IV = aparte labels
DSM-V(5) = één spectrum (ASS).
Wat is autisme:
● Psychodynamische verklaring
(verklaring vanuit psychoanalyse; problemen ontstaan door vroege ouder-
kindrelatie)
● Koelkast-ouder
(term voor zogenaamd emotioneel kille, afstandelijke ouder)
● Vooral de schuld van mama.
💡 Belangrijk:
Deze theorie is achterhaald en wetenschappelijk onjuist.
Autisme is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis, niet
veroorzaakt door opvoeding.
WE STARTEN OPNIEUW… (Biologische basis autisme)
● Biologische basis (Kabot et al., 2003)
Autisme heeft een neurologische oorzaak (afwijkingen in hersenontwikkeling en -
werking).
● Vergroot cerebellum in 1e jaar (Courchesne et al., 2003)
Het cerebellum (kleine hersenen)
● Beïnvloeden bewegingssturing en planning
Het cerebellum beinvloedt coördinatie, motorische planning en timing van
bewegingen.
● Betrokken bij aandachtsverdeling
Het cerebellum helpt ook bij het verdelen en schakelen van aandacht.
ERFELIJKHEID (Autisme)
Week 2: Gedragsstoornissen.................................................................................................8
Wat is een gedragsstoornis?..................................................................................................9
Stap voor stap:............................................................................................................ 12
.................................................................................................................................... 13
Resultaat uitgelegd......................................................................................................13
Conclusie.................................................................................................................... 14
Tips en tricks:....................................................................................................................... 14
Proportionaliteit........................................................................................................... 15
Subsidiariteit................................................................................................................ 16
Week3: ADHD...................................................................................................................... 16
Persoonlijke Zinvolheid.........................................................................................................18
ADHD als Continuüm........................................................................................................... 19
🧠 Synaps uitgelegd........................................................................................................23
🔹 Synaps................................................................................................................... 23
🔹 Eindknopje............................................................................................................. 23
🔹 Synaptische blaasjes.............................................................................................23
Wat gebeurt er dan? (dit is de missing link).....................................................................24
Week 4( Depressiviteit)........................................................................................................ 26
Week 5:................................................................................................................................ 34
Week 6: Faalangst................................................................................................................ 40
Week 1( Autisme):
Uiting van autisme:
OMSCHRIJVING AUTISME
• Een langetermijn stoornis (chronische ontwikkelingsstoornis die blijvend is) die:
● extreme mate van unresponsiveness naar anderen (weinig of geen reactie op
sociale prikkels of contact)
● matige tot slechte communicatieve vaardigheden (problemen met spreken,
begrijpen of sociaal taalgebruik)
● hoge mate van repetitieve handelingen (steeds terugkerende, herhaalde
gedragingen)
, ● hoge mate van star gedrag vertonen (rigide, moeite met verandering, sterke
behoefte aan vaste routines)
• Incidentie: 5 : 100.000 kinderen
(incidentie = aantal nieuwe gevallen binnen een bepaalde periode)
• Prevalantie: 80% = man
(komt vaker voor bij jongens)
• 70% kan niet zelfstandig een leven opbouwen
(heeft ondersteuning nodig in volwassenheid)
• 67% IQ < 70, regelmatig < 30
(IQ < 70 = verstandelijke beperking; < 30 = ernstige verstandelijke beperking)
CHAT (Checklist for Autism in Toddlers) Baron-Cohen et al., 1992
Screeningsinstrument (vroegtijdige opsporing van autisme bij peuters, ± 18 maanden).
Peek-a-boo / kiekeboe
→ Reageert het kind op contact en vindt het samen spelen leuk?
Weinig reactie kan wijzen op minder sociale betrokkenheid.
Thee zetten / alsof-spel
→ Kan het kind doen alsof? Bijvoorbeeld doen alsof het thee inschenkt.
Geen alsof-spel kan wijzen op moeite met verbeelding.
Aankijken / oogcontact
→ Kijkt het kind naar de ander tijdens contact?
Minder oogcontact kan wijzen op moeite met sociale afstemming.
Declaratief aanwijzen
→ Wijst het kind iets aan om het te delen? Bijvoorbeeld: “Kijk, een vliegtuig!”
Dit is anders dan wijzen om iets te krijgen: “Ik wil een koekje.”
Bij autisme zie je vaak minder wijzen om iets samen te beleven.
WAT KOM IK TEGEN IN HET PO?
(PO = primair onderwijs)
Samenspelen is lastig, meer zelfstandige beweger
(speelt vaker alleen; moeite met sociale interactie)
• Anderen mogen niet meedoen
(moeite met delen of flexibel omgaan met spelregels)
• Autist mag van anderen niet meedoen
(risico op sociale uitsluiting door anders gedrag)
• Zetten zich buiten de groep
(trekken zich terug; weinig aansluiting bij klasgenoten)
,• Echolalie
(het letterlijk herhalen van woorden of zinnen van anderen) Napraten van de laatste klank
• Vaste routines zijn belangrijk
(sterke behoefte aan voorspelbaarheid en vaste structuur)
• Afwijken: dan kan de pleuris uitbreken
(bij verandering kan er een woede-uitbarsting of meltdown ontstaan; sterke stressreactie op
onverwachte situaties)
Repetitieve en stereotiepe gedragingen en interesses
(herhalende handelingen of sterk beperkte, intense interesses)
Repetitieve handelingen:
Repetitief gedrag geeft vaak rust, voorspelbaarheid en controle. Het doel is niet meteen
stoppen, maar geleidelijk flexibiliteit vergroten.
Savant:
Een persoon (vaak met autisme of een verstandelijke beperking) die een uitzonderlijke,
vaak spectaculaire vaardigheid heeft op één heel specifiek gebied, terwijl andere
ontwikkelingsgebieden beperkt kunnen zijn.
Savant → Frans voor “wijs” of “geleerd”
(term verwijst naar bijzondere kennis of talent)
1 : 10 kan dit
(ongeveer 10% van mensen met autisme vertoont savant vaardigheden)
VERNIEUWING (Diagnostiek Autisme)
DSM-IV (1994) & DSM-IV-TR (2000)
(Diagnostic and Statistical Manual; psychiatrisch classificatiehandboek)
DSM 4-IV:
● Autistische stoornis
Klassiek autisme met duidelijke problemen in sociale interactie, communicatie en
repetitief gedrag.
● Syndroom van Asperger
Autisme zonder taalachterstand of verstandelijke beperking; vaak gemiddelde of
hoge intelligentie.
● PDD-NOS
(Pervasive Developmental Disorder – Not Otherwise Specified)
Restgroep: wel autistische kenmerken, maar niet volledig passend binnen
autistische stoornis of Asperger.
, ● McDD
McDD is een verouderde, niet-officiële term voor kinderen met autistische
kenmerken in combinatie met ernstige problemen in emotieregulatie en denken
(zoals angst of wanen).
● DSM-5 V) (2013 e.v.):
● Autisme Spectrum Stoornis (ASS)
Verzamelnaam voor alle vormen van autisme; subtypes zijn samengevoegd.
● Continuüm (spectrum)
Autisme wordt gezien als een glijdende schaal met verschillen in ernst en
ondersteuningsbehoefte.
Kort onthouden:
DSM-IV = aparte labels
DSM-V(5) = één spectrum (ASS).
Wat is autisme:
● Psychodynamische verklaring
(verklaring vanuit psychoanalyse; problemen ontstaan door vroege ouder-
kindrelatie)
● Koelkast-ouder
(term voor zogenaamd emotioneel kille, afstandelijke ouder)
● Vooral de schuld van mama.
💡 Belangrijk:
Deze theorie is achterhaald en wetenschappelijk onjuist.
Autisme is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis, niet
veroorzaakt door opvoeding.
WE STARTEN OPNIEUW… (Biologische basis autisme)
● Biologische basis (Kabot et al., 2003)
Autisme heeft een neurologische oorzaak (afwijkingen in hersenontwikkeling en -
werking).
● Vergroot cerebellum in 1e jaar (Courchesne et al., 2003)
Het cerebellum (kleine hersenen)
● Beïnvloeden bewegingssturing en planning
Het cerebellum beinvloedt coördinatie, motorische planning en timing van
bewegingen.
● Betrokken bij aandachtsverdeling
Het cerebellum helpt ook bij het verdelen en schakelen van aandacht.
ERFELIJKHEID (Autisme)