Na de 2e ww (1945) liet Nederland de neutraliteitspolitiek los. De Duitse
aanval in 190 had duidelijk gemaakt dat neutraliteit geen bescherming
bood. Door de dreiging van SU (koude oorlog) koos Nederland voor
samenwerking met het westen:
Nederland werd lid van NAVO
Nederland ontving het Marshallhulp van VS en werkte actief mee
aan Europese samenwerking (EGKS en later EEG), om oorlog te
voorkomen en de economie te versterken
Economische veranderingen:
Na 1945 regeerden de Katholieke Volkspartij (KVP) en de Partij van Arbeid
(PvdA) samen (rooms-rode regeringen). Zij geloofden in een
maakbare samenleving.
Belangrijke ontwikkelingen:
Wederopbouw tot halverwege de jaren 1950
Marshallhulp hielp bij economische herstel
Geleide loonpolitiek: lonen laag houden -> meer
werkgelegenheid en goedkope export (en economische herstel DU)
Aardgas vondst in Groningen (1960) -> grote inkomst
Gevolgen:
1.Opbouw van verzorgingsstaat
Invoering van de algemene ouderdomswet (AOW) in 1957
De overheid garandeerde een bestaansminimum
2. Ontstaan van de consumptiemaatschappij
Lonen stegen in de jaren 1960
Mensen kochten auto’s en huishoudelijke apparaten
Meer vrije tijd en vakanties
Veranderingen in de bevolking:
1.Direct na de oorlog was er een babyboom (korte tijd= veel kinderen
geboren)
2.Eerst veel emigratie in de jaren 1950 naar o.a Canada en Australië
3. Later eind jaren 1960: juist immigratie door arbeidskrapte:
gastarbeiders uit Spanje, Italië, Turkije en Marokko. Gezinshereniging
zorgde voor blijvende vestiging
, 4. Dekolonisatie bracht nieuwe groepen naar NL:
-Na de onafhankelijkheid van Indonesië kwamen veel Indische
Nederlanders naar NL
-Na de onafhankelijkheid van Suriname (1945) verhuisden veel
Surinamers naar NL
Sociaal culturele veranderingen:
Ontzuiling: Vanaf 1960 verdween het oude systeem (verzuiling) van
Katholieke, protestantse, socialistische en liberale zuilen.
Minder kerkbezoek
Betere opleidingen
Meer invloed van televisie (media) en onderwijs
Nieuwe partijen (democratische 66 (D66) en zenders (Radio-
Veronica)
Jeugdcultuur: jongeren ontwikkelden een eigen cultuur (doordat ze meer
geld en vrije tijd hadden):
Nozems (jaren 1950), Provo’s en Hippies (jaren 1960)
Verzet tegen autoriteit
Protesten voor inspraak en aandacht voor maatschappelijke
problemen
Verandering positie van vrouwen:
Sterke vooruitgang door:
1.Afschaffing handelingsbekwaamheid 1956 (getrouwde vrouwen
mochten geen belangrijke beslissingen nemen)
2. Tweede feministische golf (actiegroepen: DolleMina, MVM)
3.Meer werkende vrouwen door economische groei en betere opleidingen
Veranderingen in gezinnen:
-Geboortecijfer daalde door welvaart, verzorgingsstaat en introductie
anticonceptiepil
-Echtscheiding werd vanaf 1970 gemakkelijker en minder taboe
-Meer eenoudergezinnen