,Geschiedenis
VWO
49 kenmerkende aspecten
2
, Inhoudsopgave
Inhoudsopgave 3
Tijdvak 1: Tijd van jagers en boeren (prehistorie tot 3000 voor Chr.) 6
1. de levenswijze van jagers-verzamelaars; 6
2. het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen; 6
3. het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen; 7
Tijdvak 2: Tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Chr. - 500 na Chr.) 9
4. de ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en
politiek in de Griekse stadstaat; 9
5. de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur; 10
6. de groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in
Europa verspreidde; 11
7. de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van
Noordwest Europa; 13
8. de ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische
godsdiensten. 14
Tijdvak 3: Tijd van monniken en ridders; vroege middeleeuwen (500 en 1000) 15
9. de verspreiding van het christendom in geheel Europa 15
10. het ontstaan en de verspreiding van de islam 16
11. de vrijwel volledige vervanging in West-europa van de agrarisch-urbane cultuur door
een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via het hofstelsel en horigheid18
12. het ontstaan van feodale verhoudingen van het bestuur 19
Tijdvak 4: Tijd van steden en Staten; (1000-1500) 21
13. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een
agrarisch-urbane samenleving 21
14. De opkomst van stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden 23
15. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de
geestelijke macht het primaat behoorde te hebben 24
16. De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe onder andere in de vorm van
kruistochten 25
17. Het begin van staatsvorming en centralisatie 28
Tijdvak 5: Tijd van Ontdekkers en Hervormers (1500-1600) 30
18. Het begin van de Europese overzeese expansie 30
19. Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een
nieuwe wetenschappelijke belangstelling 30
20. de hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid 31
21. de protestantse Reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-europa tot
gevolg had 32
22. het conflict in der Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse
staat 33
Tijdvak 6: Regenten en vorsten (1600-1700) 36
23. Het streven van vorsten naar absolute macht 36
24. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel
opzicht van de Nederlandse Republiek 36
26. De wetenschappelijke revolutie 39
Tijdvak 7: Pruiken en de revoluties (1700-1800) 40
3
, 27. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat wordt toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, economie en sociale verhoudingen 40
28. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op
eigentijdse, verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme) 41
29. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekolonien
en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het
absolutisme 42
Europese overheersing en kolonialisme 42
Plantagekoloniën 42
Trans-Atlantische slavenhandel 42
Gevolgen van de slavenhandel 43
30. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over
grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap 43
Tijdvak 8: tijd van de burgers en stoommachines (1800-1900) 45
31. De industriële revolutie legde in de westerse wereld de basis voor een industriële
samenleving 45
32. Discussies over de ‘sociale kwestie’ 47
33. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie 48
34. De opkomst van emancipatiebewegingen 50
35. Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en
vrouwen aan het politieke proces 52
36. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme,
socialisme, confessionalisme en feminisme 54
Tijdvak 9: tijd van de burgers en stoommachines (1900-1950) 58
37. De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van
massaorganisatie 58
38.Het in praktijk brengen van totalitaire ideologieën communisme en
fascisme/nationaalsocialisme 59
39. de crisis van het wereldkapitalisme 63
40. het voeren van twee wereldoorlogen 63
41. Rascisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de Joden 66
42. de Duitse bezetting van Nederland 67
43. Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en
de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering. (woII?) 68
44. Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme 68
Tijdvak 10: tijd van de televisie en de computer (1950-2000) 69
45. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een
wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog 69
46. de dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld 72
47. De eenwording van Europa 73
48. De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren 60 van de 20e eeuw aanleiding
gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen 74
49. De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen 77
examenoverzicht- tijdvakken 1 t/m 10 78
Jagers en verzamelaars 79
Na de agrarische revolutie 79
De klassieke oudheid 80
4