Mammaoncologie: ..................................................................................................................... 2
AFP:......................................................................................................................................... 2
Techniek: .............................................................................................................................. 14
Gynaecologie laagcomplex ...................................................................................................... 38
AFP:....................................................................................................................................... 38
Techniek: .............................................................................................................................. 53
Instrumenten:....................................................................................................................... 66
Urologie laagcomplex .............................................................................................................. 73
AFP mannelijk geslachtsorgaan:........................................................................................... 73
Technieken: .......................................................................................................................... 86
AFP urinewegen: .................................................................................................................. 96
Techniek: ............................................................................................................................ 111
1
,Mammaoncologie:
AFP:
Relevantie voor de praktijk:
Bij operaties aan de borst is kennis van de anatomie en borstafwijkingen belangrijk.
Mammapathologie:
Afwijkingen van de borst kunnen goedaardig (benigne) of kwaadaardig (maligne) zijn.
Type Betekenis Voorbeeld
Benigne Goedaardig Fibroadenoom
Maligne Kwaadaardig Mammacarcinoom
Mammacarcinoom is borstkanker en komt voor bij ongeveer 1 op de 7 vrouwen in
Nederland. Voorbeelden zijn ductaal en lobulair carcinoom.
Pathologie – mammacarcinoom:
Benigne vesus maligne tumoren: Benigne tumoren zijn goedaardig en verspreiden zich niet
terwijl maligne tumoren kwaadaardig zijn en kunnen uitzaaien. De specifieke vormen:
- Lobulair carcinoom in Situ (LCIS): Afwijkende cellen in de melkkliertjes; dit wordt
vaak gezien als een risicofactor voor het later ontwikkelen van borstkanker.
- Ductaal carcinoom in situ (DCIS): Kankercellen die zich nog binnen de melkgangen
bevinden en niet in het omringende weefsel zijn gegroeid.
- Invasief carcinoom: Kanker die wel is doorgegroeid in het omliggende weefsel en
zich verder kan verspreiden.
- Phyllodes tumor: Een zeldzame tumor van de borst (minder dan 1% van alle
borsttumoren) die ontstaat uit het steunweefsel van de borst en veel lijkt op een
fibroadenoom (FAD). Hij groeit vaak snel en kan na behandeling gemakkelijk
terugkomen (recidief). Ongeveer 20% van de phyllodes tumoren is kwaadaardig
(maligne).
Ductaal carcinoom kot het vaakste voor.
2
,Benigne mammatumoren:
Fibroadenomen: Een fibroom is de meest voorkomende benigne mamma-afwijking en
presenteert zich vaak op 20 – 30-jarige leeftijd. Waardoor deze bindweefselknobbel
ontstaat, is onbekend. Een fibroadenoom is een gladde, ronde of ovale knobbel die
meebeweegt met het klierweefsel. Excisie is na onderzoek (echo en soms biopt) niet nodig.
Echter, mocht het gaan om een phyllodestumor (op basis van biopt of snelle groei, vaker
rond een leeftijd tussen 40 – 60 jaar), dan is een operatie geïndiceerd. Dit soort
fibroadenoom kan maligne ontsaarden en kan terugkomen.
Cyste: Een cyste is een met vocht gevulde holte. Cystes komen in het hele lichaam voor en
kunnen groeien of verdwijnen. Leefzuigen is na onderzoek mogelijk bij klachten.
Lipoom: Een lipoom is een goedaardige knobbel van vetweefsel en zit vaak niet in de
klierschijf maar subcutaan (onderhuids). Een lipoom voelt meestal zacht-elastisch aan en is
echografisch goed herkenbaar. Er is geen verhoogde kans op borstkanker en excisie is niet
nodig.
Papilloom: Een papilloom komt voor achter de tepel in de melkgangen en produceert soms
gele tepelafscheiding of veroorzaakt een tepelintrekking. Afhankelijk van risicofactoren,
representativiteit van het biopt en behandelwens kan de betreffende melkgang worden
geëxciteerd (microdochectomie).
Melkcyste (galactocèle): Goedaardig. Cyste gevuld met moedermelk. In
borstvoedingsperiode.
Diagnostiek:
Om borstkanker vast te stellen worden verschillende onderzoeken gebruikt:
- Medische beeldvorming, zoals mammografie (röntgenfoto van de borst), echografie
en soms MRI
3
, - Biopsie/punctie: er wordt weefsel of cellen uit de tumor gehaald om onder de
microscoop te onderzoeken.
- Lichamelijk onderzoek: de arts voelt naar een knobbel en let op grootte, stevigheid,
huidveranderingen (roodheid, intrekkingen) en vergrote lymfeklieren in de oksel.
'Triple diagnostiek' genoemd.
TNM-classificatie:
Dit systeem wordt gebruikt om het stadium van kanker te bepalen:
- T (Tumor): grootte en lokale uitbreiding van de tumor.
- N (Nodes/lymfeklier) betrokkenheid van lymfeklieren.
- M (Metastasen): aanwezigheid van uitzaaiingen.
Behandeling:
- Chirurgie: bijvoorbeeld borstsparende operatie of mastectomie.
- Radiotherapie: bestraling om kankercellen te vernietigen.
- Systeemtherapie (o.a. chemotherapie): behandeling die door het hele lichaam
werkt, zoals chemotherapie.
Borsten komen in verschillende vormen en maten voor:
Cupmaat A – H
4