W1 Neurobasics, evolutie en het sociale brein
Neurobiologische achtergronden van opvoeding en ontwikkeling
Autonome zenuwstelsel bestaat uit:
1. Parasympatische gedeelte
Rust
Lage hartslag, energie opslaan, actieve spijsvertering
2. Sympathische gedeelte
Actie: flight & fight
Snellere hartslag, snellere ademhaling, spijsvertering
stopt
Het sympathische systeem zorgt dat signalen snel worden
doorgegeven aan de hersenen zodat je snel kunt reageren
op gevaar.
BBB (Blood Brain Barrier) = beschermlaag tussen bloed en
de hersenen met een filterfunctie: het laat nuttige stoffen
door en houdt gevaarlijke stoffen tegen
Evolutie van de hersenen
Hoe meer in het midden van de hersenen = hoe ouder evolutionair
Hoe meer aan de buitenkant = hoe nieuwer
sociale vaardigheden zitten dus vooral in nieuwere buitenlaag
Gebied Leeftijd evolutionair Functie
Diepe kernen (bijv. hersenstam, Oud Overleving, reflexen,
basale kernen) basisemoties
Buitenste laag (cortex) Nieuw Denken, plannen, sociale
interactie
Neuronen (=zenuwcel)
Doel= doorgeven signalen naar de hersenen
Onderdelen neuronen
Dendrieten
- Ontvangen informatie/signalen van andere neuronen
Cell body (soma)
- Beslist of signaal sterk genoeg is
- Centrum van cel
Axon (lange kabel)
- Stuurt informatie/signalen door naar andere
neuronen (hier heb je er maar 1 van)
Myelin sheath = laagje om axon heen en die zorgt
ervoor dat geleiding van axon “beter” is zodat het
1
, signaal snel wordt overgegeven er zo min mogelijk signalen verloren gaan. Wordt
aangegeven met de pijltjes.
Myelin sheath is wit, waardoor de axon wit bekleed is, hierdoor kan je zien waar
de axonen in de hersenen zitten je gaat
op zoek naar de witte verkleuring
(dendrieten/ cell body zijn grijs, omdat ze
niet bekleed zijn met myeline)
- Zonder myeline: signaal = traag en lekt weg
- Met myeline: signaal = snel en efficiënt
Je ziet dus 3 axonen (die van 3 verschillende neuronen komen)
1. Neuron krijgt informatie via dendrieten
2. Neuron verwerkt informatie in cell body
- Als het signaal sterk genoeg is → actiepotentiaal
3. Signaal reist langs axon
4. Neurotransmitters worden vrijgegeven
5. Volgende neuron ontvangt signaal
Dendrieten cell body axon andere neuron
Hormonen en neuropeptiden
= Het zijn chemische boodschapperstoffen die informatie
doorgeven in het lichaam.
Stof Wordt gemaakt door
Hormonen Klieren in het lichaam
Neuropeptiden Neuronen in de hersenen
Hormonen/ neuropeptiden kunnen door BBB heen
Werking hormonen:
1. Klier maakt hormoon aan
2. Hormoon wordt afgegeven aan het bloed
3. Hormoon moet zich binden aan receptoren (“happertjes)
van target cel en dan pas reactie (zonder binding van hormoon aan receptor geen
effect)
Effecten hormonen:
1. Langdurige effecten
= Deze beïnvloeden ontwikkeling over lange tijd.
Geslachtshormonen testosteron en oestrogeen
Invloed tijdens zwangerschap/ puberteit
Meten ahv ratio 2D4D = lagere 2D4D ratio staat in verband met hoge blootstelling
aan testosteron
Situatie Wat is langer? Ratio
Hogere prenatale testosteronblootstelling Ringvinger (4D) langer dan Lage 2D:4D
wijsvinger
Lagere prenatale testosteronblootstelling en Wijsvinger (2D) even lang Hoge 2D:4D
meer oestrogeen of langer
2. Kortdurende effecten
= Deze hormonen veranderen tijdelijk je gedrag, emoties en lichaamstoestand.
Cortisol (stresshormoon: bv zien van spin)/ oxytocine (knuffelen)/ adrealine (fight/
flight reactie)
Meten van hormonen:
1. Baseline VS-reactie:
2
, Hormoonniveau wordt gemeten in rust = baseline, en na een prikkel=reactie
BV: cortisol in speeksel voor en na een stressopdracht (vasopressine/oxytocine kan
je in speeksel meten)
2. Toedienen van hormonen
Onderzoekers geven kunstmatige hormonen om effect te bestuderen, daarna kijken
ze of het gedrag, emotie of hersenactiviteit verandert.
3. Receptoren/ epigenetica:
Receptoren:
Niet alleen de hoeveelheid hormoon telt — ook:
- Hoeveel receptoren iemand heeft
- Hoe gevoelig die receptoren zijn
Minder receptoren = minder effect, zelfs bij veel hormoon
Epigenetica:
Ervaringen (zoals stress of opvoeding) kunnen beïnvloeden:
- Hoeveel receptoren worden aangemaakt
- Hoe sterk iemand reageert op hormonen
Bijv: vroege stress veranderingen in stresshormoon-receptoren later gevoeliger voor
stress
H3 evolutie
Ethologie= studie van natuurlijk gedrag van dieren (en mensen) in hun normale omgeving.
Niko Tinbergen
Als je gedrag wilt begrijpen, moet je 4 vragen beantwoorden:
Vraag Soort Waar gaat het over? Voorbeeld: reageren
op huilende baby
1. Mechanisme Proximaal Hoe werkt het in het Oren horen huilen
Hoe komt het gedrag tot = vraag ligt lichaam? hersenen verwerken
uiting dichtbij het geluid reactie
individu
2. Ontwikkeling Proximaal Hoe ontstaat het tijdens Aangeboren zorgreactie
Is reactie aangeleerd/ iemands leven? of aangeleerd?
aangeboren?
3. Functie Ultiem Waarom is het nuttig voor Baby overleeft doordat
Hoe beïnvloedt gedrag de overleving/voortplanting? ouder reageert
kans op
overleving/reproductie
4. Evolutie Ultiem Hoe is dit gedrag ontstaan Zorggedrag bestond al
(fylogenese) in de soort? bij voorouders
Hoe is dit gedrag
ontstaan door de evolutie
Proximaal = hoe werkt het nu bij dit individu
Ultiem = waarom bestaat dit gedrag evolutionair
Evolutie gebeurt gewoon het is dus geen doelgericht proces en kan niets terugdraaien
Charles Darwin:
Expressie zijn aangeboren en niet aangeleerd
Emoties hebben een overlevingsfunctie
Expressie van emotie is betrouwbaarder dan woorden (blozen)
Hersengebieden die over emoties gaan:
1. Insula = C
= lichaamsgevoelens koppelen aan emotie
Lichaamsbewustzijn (hartslag voelen, misselijkheid, spanning)
3
, Emoties zoals walging, pijn en empathie
Onderbuikgevoel/ intuïtie
Verbindt lichamelijke signalen met emotionele beleving
2. Ventrale striatum = A
= kerngebied voor beloningssysteem
Motivatie
Plezier
Verslaving
Activeert wanneer je iets verwacht dat fijn/waardevol is
3. Orbitofrontale cortex =D
= Gebied net boven je oogkassen en helpt bij keuzes
maken
Waarde inschatten
Beslissingen op basis van beloning/straf
helpt je gedrag aanpassen als iets niet goed uitpakt
4. Anterior cingulate cortex = E
= Mentale controlekamer
Fouten opmerken
Conflicten detecteren (twijfel/ moeilijke keuzes)
Emotieregulatie
Motivatie/ doorzettingsvermogen
Verbindt denken en voelen
5. Amygdala = B
=Emotionele alarmsysteem
Angst en dreigingen detecteren
Emotionele herinneringen
Snelle emotionele reacties
zorgt dat je snel reageert op gevaar
Social intelligence hypothese/ social brain hypothese: waarom zijn we zo slim
geworden?
= Evolutionaire druk om sociaal slimmer te worden heeft geleid tot grotere hersenen en
meer intelligentie.
we zijn niet sociaal, omdat we slim zijn, maar we zijn slim geworden omdat we sociaal
zijn.
- Innovatie/ taal kan je brein ook groter maken en zorgen voor meer sociale intelligentie
- Complexe sociale groepen druk om anderen te begrijpen grotere hersenen
Dunbar:
Hoe groter de groep waarin we in leven, hoe meer sociale relaties er zijn
Hoe groter gem groepsgrootte, hoe groter de hersenen
150 mensen is max groepsgrootte om in te leven (> 150 kan je sociale relaties niet
meer begrijpen, dan heb je culturele regels nodig) culturele regels nodig voor
grotere groepen
Leven in sociale groepen vergt hersencapaciteit
Machiavellian intelligence hypothese
Je hebt je sociale intelligentie nodig, om een ander te bedriegen (misbruik van een
ander maken)
Sociale slimheid ontstaat deels door: manipuleren/ bedriegen
Je wordt afgestraft in onze samenleving hiervoor
Kinderen zijn hier minder goed in, omdat ze heel eerlijk zijn
Cooperative breeding-hypothese
Sociale intelligentie is een gevolg van het gezamenlijke grootbrengen van kinderen
Hersengebieden die een rol spelen bij de verwerking van taal:
Superior temporal sulcus/ wernicke taalbegrip
4