Samenvatting observeren en gedrag: cijfer 8.6
W1 observeren van gedrag en interactie- introductiecollege
Mogelijke settings voor observatie:
Locaties
- Thuis
- Op school
- Praktijkinstelling
- Lab
- Publieke locaties
Situatie
- Vrij spel
- Maaltijd
- Voorlezen
- Bed/badroutine
- Diagnostisch onderzoek
- Schoolobservatie
Welke methode om gedrag te meten:
Wat wil je meten/ bereiken Vragenlijst/ interview Gestandaardiseerde observatie
Inzicht in gedachten, gevoelens etc + -
Over een langere periode + +/-
Onbewust gedrag vangen - +
Uniforme interpretatie construct - +
Uitfilteren sociale wenselijkheid - +/-
Uitfilteren effect van stemming - -
Uitdagingen observatie:
Uitdagingen Oplossingen:
Techniek bij opnames 1. Training
2. Duidelijke instructies voor filmen
3. Opnieuw als mislukt
Tijdsintensief, daarmee hoge kosten 1. Duur van opnamen beperken
Belasting voor deelnemers, invasief 1. Compensatie/vergoeding
Duidelijk definiëren variabelen/ scores 1. Helder afbakenen
soms lastig 2. Voorbeelden geven in codeerhandleiding
Moeilijk voor codeurs om betrouwbaar te 1. Intensieve training
worden en blijven 2. Dubbelcoderen en of intervisie
Momentopname 1. Meerdere opnames maken
2. Niet zoals normaal gesproken ? Dan opnieuw
Hawthorne effect/ observer reactivity 1. Langer observeren
2. Juiste instructie
3. Observatoren uit het zicht/ ruimte verlaten
4. Longitudinale studie: dezelfde onderzoeker
Ethiek 1. Toestemming gebruik video’s
2. Meldplicht
Validiteit= Meet ik wat ik wil meten? Is het gedrag dat ik observeer een goede afspiegeling
van hoe de persoon zich over het algemeen gedraagt?
Invloeden op externe/ecologische validiteit:
Hawtorne effect/ observer reactivity
Gestructureerde vs naturalitische observatie
1
, Setting
Observatie setting:
Thuis Lab
Ecologische validiteit Hoog Laag
Ruis Meer minder
Onderzoek: Lage correlaties tussen observaties thuis en in lab
Verschillende methodes/ manieren om te coderen:
1. Gedragsfrequenties
Specifieke definities van relevante gedragingen
2. Event-based
Alleen onder bepaalde omstandigheden gedrag coderen
3. Micro-level (real-time)
Micro-gedrag: bv glimlachen, fronsen, stem verheffen
Moment-to-moment (per tijdseenheid: bv elke 30 sec)
Komt het voor: ja of nee
4. Macro-level
Omschrijving schaalpunten adhv concrete gedragingen
Inferentieniveau = de mate waarin het instrument gevoelig is voor subjectiviteit/interpretatie
en daarmee hoeveel training nodig is om het instrument onder de knie te krijgen
Observatie low Medium High
systeem
Gedragsfrequenties x
Event-based x
Micro level schalen x
Macro level schalen x
Verloop van een observatietraining
1. Gestandaardiseerde codeerprotocol
2. Intensieve training
3. Betrouwbaarheidsset
4. Intercodeursbetrouwbaarheid
5. Voorkom “coder drift” (dubbelcoderen)
Intercodeursbetrouwbaarheid
Berekening mate van overeenstemming
- Tussen scores codeur & expertscore
- Tussen scores codeurs onderling
Uitkomstmaat= categorieën: Cohen’s Kappa
- % overeenstemming gecontroleerd voor kans
Uitkomst maat = interval/ratio: intraclass correlations
- Correlatie tussen scores binnen elke observatie
Grootschalig onderzoek: objectiviteit
Coderen meerdere gedragingen, vaak meerdere keren
Grotere kans op subjectiviteit als:
- Je het gezin zelf hebt onderzocht
- Je dezelfde persoon al eerder hebt gecodeerd (op zelfde/ ander construct)
Coder bias = systematische variatie in scores die samenhangen met kenmerken codeur i.p.v.
met relevante gedragingen van de persoon die wordt geobserveerd
VB: etniciteit
2
, Intercodeurbetrouwbaarheid groter tussen codeurs met zelfde achtergrond
Codeurs positiever over participanten met zelfde achtergrond
Training beperkt dit type bias, maar neemt het niet weg
Onderzoek VS praktijk:
Onderzoek Praktijk
Groepsgemiddelden Individueel
Gestandaardiseerd meetinstrument Instrument als middel, niet als doel
Uitgebreide training + betrouwbaarheidsset Observatie ingebed in context
Tussentijdse evaluatie (dubbelcoderen) Voortgang/ ontwikkeling kan gemeten worden
Coderen meer onafhankelijk Meer bias bij observator
Ethische overwegingen:
1. Algemene Verordening Gegevensbescherming
Versterking rechten van betrokkenen:
- Inzage
- Correctie
- Verwijdering
- Dataportabiliteit = recht om gegevens over te dragen
Meer verplichtingen voor onderzoekers
- Beperkte toegang (versleutelen)
- Transparantie t.a.v. autorisatie
- Coderen via de universiteit
- Melding datalekken
8 voorwaarden voor het verzamelen van persoonsgegevens:
1. Dataminimalisatie
Je mag niet meer persoonsgegevens vastleggen dan die je nodig hebt voor je
onderzoek
2. Datakwaliteit
Zorg dat je gegevens kloppen + actueel zijn
3. Doelomschrijving
Welke gegevens, met welk doel en voor hoelang je persoonsgegevens gebruikt
4. Opslagbeperking
Zo min mogelijk mensen mogen toegang hebben tot je data: persoonsgegevens
mogen alleen bewerkt worden door aangewezen personen
5. Beveiligingsmaatregelen
Anonimisering/ pseudonimisering van persoonsgegevens en data sleutelen
6. Transparantie
Alle betrokkenen informeren over welk gegevens, met welk doel, hoelang, voor wie
toegankelijk en op welk wijze ze zijn opgeslagen en beveiligd
7. Rechten van betrokkenen
Maak kenbaar dat betrokkenen gegevens kunnen inzien, wijzigen, laten afschermen
en verwijderen waar mogelijk.
8. Verantwoording
Zorg dat je weet wie eindverantwoordelijk is voor de veiligheid van de verzamelde
gegevens + en hoe rollen/ taken/ bevoegdheden zijn vastgelegd
Extra belangrijk voor observaties van ouders/kinderen
Filmfragmenten zijn nooit anoniem
Deelname aan observatieonderzoek kan nadelige gevolgen hebben voor de
geobserveerde en de omgeving
Minderjarige deelnemers, extra kwetsbaar
dataminimalisatie & verantwoorden waarom observaties nodig zijn
3
, Artikel: Methodological Issues in the Direct Observation of Parent–Child Interaction:
Do Observational Findings Reflect the Natural Behavior of Participants?
De studie bespreekt 3 factoren die observaties kunnen beïnvloeden:
1. De aanwezigheid van een observator= observer effect
Methoden die reactiviteit onderzoeken:
Onderzoekers vergelijken situaties met: alleen audio-opname met audio-opname +
observator aanwezig. Studies vonden:
- Geen verschil in negatieve interacties
- Geen verschil in ouderlijke opdrachten
Dit suggereert dat de aanwezigheid van een observator weinig invloed heeft op gedrag.
Kijken naar veranderingen in gedrag tijdens observatiesessies mensen wennen
aan observatie het begin van een observatie kan minder natuurlijk gedrag laten
zien, maar later gedrag kan normaler zijn
Geen systematische veranderingen in gedrag over meerdere sessies
Aanwezigheid van observator vormt geen groot probleem voor validiteit.
2. Het type taak dat door de onderzoeker wordt opgelegd
Ouder-kind interacties worden vaak onderzocht tijdens een kunstmatige taak die door
de onderzoeker wordt opgelegd (bv ouders en kind laten spelen in plaats van
spontane interactie observeren)
Taken kunnen onnatuurlijk gedrag veroorzaken + voorspellen gedrag thuis niet goed.
Gedrag tijdens gestructureerde taken is niet altijd representatief voor gedrag in het echte
leven
Gedrag verschilt per taak: sommige taken laten meer probleemgedrag zien
3. De locatie van de observatie (bv: kliniek, laboratorium in plaats van thuis).
Gedragen ouders en kinderen zich hetzelfde thuis als in een kliniek of laboratorium?
Niet altijd omdat:
- De setting is anders Lab of kliniek voelt: formeler, minder natuurlijk.
- Taken zijn anders speeltaken in lab, dagelijkse activiteiten thuis.
- Mensen gedragen zich anders ouders kunnen zich netter gedragen in de
kliniek.
Observaties in kliniek/lab kunnen nuttig zijn voor onderzoek, maar ze weerspiegelen niet
altijd gedrag thuis
Praktische adviezen om reactiviteit te verminderen
Eerste 10 minuten niet coderen
Eerst een kennismakingsbezoek zonder observatie
Dezelfde observator gebruiken
Onopvallende apparatuur gebruiken
Gezinnen laten wennen aan camera’s
Observator zo min mogelijk laten ingrijpen
Redenen dat observaties gedrag uit het dagelijks leven moeten weerspiegelen:
1. Interventies meten/ evaluren
Als we willen weten of een behandeling werkt:
Moet gedrag verbeteren in het echte leven en niet alleen in het laboratorium.
2. Interventies ontwikkelen
Onderzoekers willen begrijpen: hoe ouder-kind interacties probleemgedrag
veroorzaken Maar dat kan alleen als observaties realistisch gedrag meten.
3. Klinische diagnose
Therapeuten gebruiken observaties om: behandeldoelen te bepalen + gedrag te
analyseren Maar dat werkt alleen als gedrag in de kliniek lijkt op gedrag thuis.
Voordelen van observatiemethoden
4
W1 observeren van gedrag en interactie- introductiecollege
Mogelijke settings voor observatie:
Locaties
- Thuis
- Op school
- Praktijkinstelling
- Lab
- Publieke locaties
Situatie
- Vrij spel
- Maaltijd
- Voorlezen
- Bed/badroutine
- Diagnostisch onderzoek
- Schoolobservatie
Welke methode om gedrag te meten:
Wat wil je meten/ bereiken Vragenlijst/ interview Gestandaardiseerde observatie
Inzicht in gedachten, gevoelens etc + -
Over een langere periode + +/-
Onbewust gedrag vangen - +
Uniforme interpretatie construct - +
Uitfilteren sociale wenselijkheid - +/-
Uitfilteren effect van stemming - -
Uitdagingen observatie:
Uitdagingen Oplossingen:
Techniek bij opnames 1. Training
2. Duidelijke instructies voor filmen
3. Opnieuw als mislukt
Tijdsintensief, daarmee hoge kosten 1. Duur van opnamen beperken
Belasting voor deelnemers, invasief 1. Compensatie/vergoeding
Duidelijk definiëren variabelen/ scores 1. Helder afbakenen
soms lastig 2. Voorbeelden geven in codeerhandleiding
Moeilijk voor codeurs om betrouwbaar te 1. Intensieve training
worden en blijven 2. Dubbelcoderen en of intervisie
Momentopname 1. Meerdere opnames maken
2. Niet zoals normaal gesproken ? Dan opnieuw
Hawthorne effect/ observer reactivity 1. Langer observeren
2. Juiste instructie
3. Observatoren uit het zicht/ ruimte verlaten
4. Longitudinale studie: dezelfde onderzoeker
Ethiek 1. Toestemming gebruik video’s
2. Meldplicht
Validiteit= Meet ik wat ik wil meten? Is het gedrag dat ik observeer een goede afspiegeling
van hoe de persoon zich over het algemeen gedraagt?
Invloeden op externe/ecologische validiteit:
Hawtorne effect/ observer reactivity
Gestructureerde vs naturalitische observatie
1
, Setting
Observatie setting:
Thuis Lab
Ecologische validiteit Hoog Laag
Ruis Meer minder
Onderzoek: Lage correlaties tussen observaties thuis en in lab
Verschillende methodes/ manieren om te coderen:
1. Gedragsfrequenties
Specifieke definities van relevante gedragingen
2. Event-based
Alleen onder bepaalde omstandigheden gedrag coderen
3. Micro-level (real-time)
Micro-gedrag: bv glimlachen, fronsen, stem verheffen
Moment-to-moment (per tijdseenheid: bv elke 30 sec)
Komt het voor: ja of nee
4. Macro-level
Omschrijving schaalpunten adhv concrete gedragingen
Inferentieniveau = de mate waarin het instrument gevoelig is voor subjectiviteit/interpretatie
en daarmee hoeveel training nodig is om het instrument onder de knie te krijgen
Observatie low Medium High
systeem
Gedragsfrequenties x
Event-based x
Micro level schalen x
Macro level schalen x
Verloop van een observatietraining
1. Gestandaardiseerde codeerprotocol
2. Intensieve training
3. Betrouwbaarheidsset
4. Intercodeursbetrouwbaarheid
5. Voorkom “coder drift” (dubbelcoderen)
Intercodeursbetrouwbaarheid
Berekening mate van overeenstemming
- Tussen scores codeur & expertscore
- Tussen scores codeurs onderling
Uitkomstmaat= categorieën: Cohen’s Kappa
- % overeenstemming gecontroleerd voor kans
Uitkomst maat = interval/ratio: intraclass correlations
- Correlatie tussen scores binnen elke observatie
Grootschalig onderzoek: objectiviteit
Coderen meerdere gedragingen, vaak meerdere keren
Grotere kans op subjectiviteit als:
- Je het gezin zelf hebt onderzocht
- Je dezelfde persoon al eerder hebt gecodeerd (op zelfde/ ander construct)
Coder bias = systematische variatie in scores die samenhangen met kenmerken codeur i.p.v.
met relevante gedragingen van de persoon die wordt geobserveerd
VB: etniciteit
2
, Intercodeurbetrouwbaarheid groter tussen codeurs met zelfde achtergrond
Codeurs positiever over participanten met zelfde achtergrond
Training beperkt dit type bias, maar neemt het niet weg
Onderzoek VS praktijk:
Onderzoek Praktijk
Groepsgemiddelden Individueel
Gestandaardiseerd meetinstrument Instrument als middel, niet als doel
Uitgebreide training + betrouwbaarheidsset Observatie ingebed in context
Tussentijdse evaluatie (dubbelcoderen) Voortgang/ ontwikkeling kan gemeten worden
Coderen meer onafhankelijk Meer bias bij observator
Ethische overwegingen:
1. Algemene Verordening Gegevensbescherming
Versterking rechten van betrokkenen:
- Inzage
- Correctie
- Verwijdering
- Dataportabiliteit = recht om gegevens over te dragen
Meer verplichtingen voor onderzoekers
- Beperkte toegang (versleutelen)
- Transparantie t.a.v. autorisatie
- Coderen via de universiteit
- Melding datalekken
8 voorwaarden voor het verzamelen van persoonsgegevens:
1. Dataminimalisatie
Je mag niet meer persoonsgegevens vastleggen dan die je nodig hebt voor je
onderzoek
2. Datakwaliteit
Zorg dat je gegevens kloppen + actueel zijn
3. Doelomschrijving
Welke gegevens, met welk doel en voor hoelang je persoonsgegevens gebruikt
4. Opslagbeperking
Zo min mogelijk mensen mogen toegang hebben tot je data: persoonsgegevens
mogen alleen bewerkt worden door aangewezen personen
5. Beveiligingsmaatregelen
Anonimisering/ pseudonimisering van persoonsgegevens en data sleutelen
6. Transparantie
Alle betrokkenen informeren over welk gegevens, met welk doel, hoelang, voor wie
toegankelijk en op welk wijze ze zijn opgeslagen en beveiligd
7. Rechten van betrokkenen
Maak kenbaar dat betrokkenen gegevens kunnen inzien, wijzigen, laten afschermen
en verwijderen waar mogelijk.
8. Verantwoording
Zorg dat je weet wie eindverantwoordelijk is voor de veiligheid van de verzamelde
gegevens + en hoe rollen/ taken/ bevoegdheden zijn vastgelegd
Extra belangrijk voor observaties van ouders/kinderen
Filmfragmenten zijn nooit anoniem
Deelname aan observatieonderzoek kan nadelige gevolgen hebben voor de
geobserveerde en de omgeving
Minderjarige deelnemers, extra kwetsbaar
dataminimalisatie & verantwoorden waarom observaties nodig zijn
3
, Artikel: Methodological Issues in the Direct Observation of Parent–Child Interaction:
Do Observational Findings Reflect the Natural Behavior of Participants?
De studie bespreekt 3 factoren die observaties kunnen beïnvloeden:
1. De aanwezigheid van een observator= observer effect
Methoden die reactiviteit onderzoeken:
Onderzoekers vergelijken situaties met: alleen audio-opname met audio-opname +
observator aanwezig. Studies vonden:
- Geen verschil in negatieve interacties
- Geen verschil in ouderlijke opdrachten
Dit suggereert dat de aanwezigheid van een observator weinig invloed heeft op gedrag.
Kijken naar veranderingen in gedrag tijdens observatiesessies mensen wennen
aan observatie het begin van een observatie kan minder natuurlijk gedrag laten
zien, maar later gedrag kan normaler zijn
Geen systematische veranderingen in gedrag over meerdere sessies
Aanwezigheid van observator vormt geen groot probleem voor validiteit.
2. Het type taak dat door de onderzoeker wordt opgelegd
Ouder-kind interacties worden vaak onderzocht tijdens een kunstmatige taak die door
de onderzoeker wordt opgelegd (bv ouders en kind laten spelen in plaats van
spontane interactie observeren)
Taken kunnen onnatuurlijk gedrag veroorzaken + voorspellen gedrag thuis niet goed.
Gedrag tijdens gestructureerde taken is niet altijd representatief voor gedrag in het echte
leven
Gedrag verschilt per taak: sommige taken laten meer probleemgedrag zien
3. De locatie van de observatie (bv: kliniek, laboratorium in plaats van thuis).
Gedragen ouders en kinderen zich hetzelfde thuis als in een kliniek of laboratorium?
Niet altijd omdat:
- De setting is anders Lab of kliniek voelt: formeler, minder natuurlijk.
- Taken zijn anders speeltaken in lab, dagelijkse activiteiten thuis.
- Mensen gedragen zich anders ouders kunnen zich netter gedragen in de
kliniek.
Observaties in kliniek/lab kunnen nuttig zijn voor onderzoek, maar ze weerspiegelen niet
altijd gedrag thuis
Praktische adviezen om reactiviteit te verminderen
Eerste 10 minuten niet coderen
Eerst een kennismakingsbezoek zonder observatie
Dezelfde observator gebruiken
Onopvallende apparatuur gebruiken
Gezinnen laten wennen aan camera’s
Observator zo min mogelijk laten ingrijpen
Redenen dat observaties gedrag uit het dagelijks leven moeten weerspiegelen:
1. Interventies meten/ evaluren
Als we willen weten of een behandeling werkt:
Moet gedrag verbeteren in het echte leven en niet alleen in het laboratorium.
2. Interventies ontwikkelen
Onderzoekers willen begrijpen: hoe ouder-kind interacties probleemgedrag
veroorzaken Maar dat kan alleen als observaties realistisch gedrag meten.
3. Klinische diagnose
Therapeuten gebruiken observaties om: behandeldoelen te bepalen + gedrag te
analyseren Maar dat werkt alleen als gedrag in de kliniek lijkt op gedrag thuis.
Voordelen van observatiemethoden
4